Voltooid verleden tijd

Portret van een lezende oude vrouw, Gerard Dou

De enige zekerheid in het leven is de dood. Voor de een komt hij sneller dan voor de ander, maar komen doet hij.

Gemiddeld gezien ben ik zelf bijna op de helft van een ‘voltooid mensenleven’, volgens de statistieken kan ik nog 46 jaar mee. Daarvan verwacht ik er nog 27 werkend door te zullen moeten brengen en daarna gloort een utopisch ‘alleen maar doen waar ik zin in heb’.

Tenminste, zo lang mijn mentaal en lichamelijk welbevinden dat toelaten. Ik heb namelijk geen enkele moeite met ouder worden, maar ik weet daarnaast ook heel goed wat ik van het leven wil. Beter nog weet ik wat niet van het leven wil.

Ik hoop dus lang actief en zelfstandig te kunnen leven, het zonderlinge kattenvrouwtje van Kralingen te worden en duizenden boeken uit te lezen. Natuurlijk vrees ik een bestaan in een bejaardentehuis waar overbezette lieve mensen het goed met me voorhebben, maar waar ik overgeleverd ben aan luiers en pyjamadagen. Eerlijk is eerlijk.

Er is er vervolgens maar een die voor mij bepaalt wanneer ik er klaar mee ben, met het leven. Ik en ik alleen zal weten wanneer ik het leven niet langer draagbaar vind. Ik heb het recht over eigen leven en lijf te beschikken, dus ik houd me ook het recht voor de dood tegen die tijd naar believen een handje te helpen.

Die grens zal voor iedereen anders zijn en dat is prima. Voor mij zal de mate van de door mij beleefde onafhankelijkheid waarschijnlijk bepalend zijn, want dat is nu eenmaal het soort mens dat ik ben. Van eenzaamheid heb ik geen last, ik ben een notoire eenzaat die net zo makkelijk onder vrienden is als geheel alenig. Zonder problemen kan ik dagenlang overgeleverd zijn aan mijn boeken en mijn eigen gedachten. Ik verwacht niet dat mijn aard wat dat betreft nog spectaculair zal veranderen.

Voor u, lieve lezer, zal dat misschien anders zijn. Misschien is deze vraag voor u in het geheel niet aan de orde en vindt u dat u de rit moet uitzitten tot u vanzelf uw laatste adem uitblaast. Misschien bent u het soort mens dat wegkwijnt zonder familie en vrienden, zoals een plant zonder zon. Of misschien bent het soort mens dat afhaakt wanneer het lichaam dat doet; wanneer u de activiteiten niet meer kunt doen waar u van houdt of wanneer de pijn u te veel wordt. Dat zou ik goed kunnen begrijpen. Maar al zou ik dat niet, dan nog bent u alleen het die met uw geweten worstelen moet en niet ik.

We verdienen allemaal de regie over ons eigen levenseinde. Zonder bemoeienis van mensen die denken het beter te weten of die de moraal in pacht menen te hebben, politiek, religieus of anderszins.

Het kabinetsvoorstel van deze week gaat uit van hulp bij zelfdoding, zo ook de commissie Voltooid leven. Ik vraag me af of het daar echt over moet gaan. Als de dag ooit komt dat ik besluit dat mijn leven voltooid is, dat ik niet langer dag na ongelukkige dag het onvermijdelijke wil afwachten, hoop ik echter niemand met die laatste hulpvraag te hoeven belasten. Dan hoop ik met mijn oude, knokige vingers een Pil van Drion uit zijn verpakking te mogen halen en die zelf in te kunnen nemen.

Daar wil ik geen huisarts of hulpverlener mee belasten.

Troonrede en Miljoenennota

Vandaag is de Derde Dinsdag van September. Prinsjesdag. De belangrijkste dag van het politieke werkjaar, waarbij we temperatuur van Nederland meten. Hoe gaat het en wat brengt de toekomst? In zijn troonrede heeft onze koning ons verteld hoe de vlag erbij hangt en, belangrijker, wat onze regering het aankomende jaar met ons van plan is. In de Tweede Kamer beginnen de algemene beschouwingen en wordt ook de Rijksbegroting gepresenteerd en besproken.

In vol ornaat en met het nodige ceremonieel trok de vleesgeworden staatsmacht aan ons voorbij. De koning, de politie, alle onderdelen van de strijdmacht en de nationale politie. In koetsen, te paard en op de voetjes.

Troonrede

Foto: ANP

Onze vorst bracht ons goed nieuws over onze economie. De Nederlandse samenleving staat er in sociaal-economisch opzicht relatief goed voor. De woningmarkt herstelt zich. De overheidsfinanciën zijn aan de beterende hand. De economie groeit weer en dat geeft de burger moed. We durven weer geld uit te geven. We kunnen nog niet gezapig achterover leunen, dat zeker niet, maar het gaat beter.

Daarbij mag u niet vergeten dat het kabinet een meevaller ‘heeft’ van 5 miljard euro. Het kabinet meent dat de economie volgend jaar met 2,4 procent zal groeien.

Daarmee is Nederland terug op het niveau van vóór de crisis en dat is goed nieuws.

Werkeloosheid en koopkracht

Het aantal banen neemt toe, maar nog niet afdoende om de werkloosheid op te lossen. Dat verdient remedie. De regering beoogt die te bewerkstelligen door het belastingstelsel aan te passen (al liggen de beide Kamers nog ongemakkelijk dwars). Ze wil de loonkosten voor werknemers die het minimumloon (of ietsje meer) verdienen verlagen en de inkomstenbelasting verlagen. Voor gepensioneerden en mensen met een uitkering belooft onze regering de koopkracht op peil te houden.

“Nu de economie aantrekt en er voorzichtig ruimte ontstaat voor herstel van koopkracht en werkgelegenheid, kan het vertrouwen terugkeren dat ook toekomstige generaties het beter krijgen.”

Gelukkig! Oog voor de toekomst. In Nederland moeten mensen kunnen rekenen op goede zorg, hoogwaardig en toegankelijk onderwijs, adequate sociale voorzieningen en een solide pensioenstelsel. Dixit de koning. Dat kost wat, maar dan heb je ook wat.

Onderwijs

Het optimisme uit de troonrede, dat de hervormingen van de laatste jaren mensen in staat zouden stellen vorm te geven aan hun toekomst, deel ik nog niet. Ik maak me onverminderd zorgen over de uitgeholde kwaliteit en het aanbod van het onderwijs, bijvoorbeeld. Ik weet niet of 4000 extra docenten in het hoger onderwijs jaren van extreme bezuinigingen kunnen rechttrekken. Dat is linke soep, voor een kenniseconomie als de onze. Zeker als u in aanmerking neemt dat die extra docenten betaald worden van het nieuw ingevoerde studievoorschot voor studenten. Studeren wordt duurder en dat vind ik toch een kwalijke zaak.

Ouderen

Er komt weliswaar structureel 210 miljoen euro beschikbaar om de zorg in de verpleeghuizen te verbeteren en ruimte te maken voor meer persoonlijke aandacht, maar hoeveel van die verpleeghuizen hebben we inmiddels niet al gesloten?

Pensioenen

De koning zei dat het belangrijk is dat alle werkenden een goed pensioen op moeten kunnen bouwen, maar de moeizame onderhandelingen over een goede cao voor leraren, ambulance- en politiemedewerkers zeggen me iets anders. Na vier jaar op de nullijn heeft de regering hen een bruto loonstijging aangeboden van 5,05%. Daarvan betalen zij 2,4% zelf, doordat pensioenopbouw en -premie verlaagd worden. Wie dat doorberekent en daarbij die vier jaar nullijn niet vergeet komt op effectief 0,78% loonsverhoging per jaar uit. De jonge garde krijgt er dus een zakcentje bij, maar levert daarvoor behoorlijk wat pensioen in. Geen wonder dat politiemensen zich die sigaar uit eigen doos niet in de handen laten duwen.

Jonge ouders

Enfin, terug naar de troonrede. Jonge ouders krijgen het beter. Ze zullen meer kinderopvangtoeslag krijgen, betaalbare peuteropvang en jonge vaders krijgen meer bevallingsverlof. Vaders baren weliswaar niet, maar het gebaar is leuk.

Normen en waarden

Gelukkig deelt de koning en de regering mijn zorgen over de verhuftering van ons, Nederlanders. Onze samenleving verruwt en de tolerantie, waar we ooit bekend om stonden, staat onder druk. We wisten ruimte voor ieder individu enerzijds zo goed samen te laten gaan met solidariteit en betrokkenheid. Een smaldeel van ons juicht inmiddels bij nieuwsberichten over verdronken ‘gelukzoekers’ en we zien de vluchtelingenstroom, die onze kant op komt, met achterdocht en vrezen aan. Aan de andere kant horen we mondiaal nog altijd bij de top van goede doelen-gevers. Geweld tegen hulpverleners is in opmars. We zullen zelf, als burgers van dit prachtland, weer aan de bak moeten. Omgangsvormen, respect voor elkaar – dat begint bij onszelf.

Omdat goed leiderschap voor een groot deel bestaat uit een goed voorbeeld geven komt er extra geld beschikbaar om de integriteit van de overheid te bewaken en corruptie te bestrijden.

Dreiging, veiligheid en vrijheid

Koning Willem-Alexander noemde het beestje gelukkig bij de naam: Niet alleen is er de dreiging van radicalisering en terroristische aanslagen in Europa, maar deze zet ook nadrukkelijk onze samenleving onder druk. Angst maakt voor onderling wantrouwen. Conflicten in het buitenland kunnen een polariserend effect hebben in ons eigen land. Er is dus dubbel werk aan de winkel.

“Het kabinet reserveert daarom structureel extra geld om de operationele taak van de veiligheidsdiensten, het verzamelen en analyseren van informatie, en het preventiebeleid te versterken.”

Hé? Niets over de politie? De organisatie bij uitstek die in de frontlinie van onze maatschappij opereert en wier medewerkers al veel te lang moeten vechten om een fatsoenlijke cao? Niets over het fiasco van de reorganisatie naar een nationale politie? Niets over de extra 230 miljoen euro die nodig is om die reorganisatie weer een beetje op de rit te krijgen? Niets over de tekorten aan rechercheurs, waar we al sinds 2006 van weten? Voor de politie komt er geen extra geld.

Duidelijk ontwaar ik hier de regenteske handtekening van de VVD. Ard van der Steur houdt stug vast aan het politieparadepaardje van Ivo Opstelten, al kreupelt het inmiddels op drie benen amechtig voort.

Veiligheid en Justitie moet het met 0,1 miljard minder doen dan dit jaar, daarmee lijkt onze veiligheid niet langer hoog op de VVD-agenda te prijken.

Vluchtelingen

Een waarheid als een koe: De vluchtelingenstroom richting Europa groeit. Gedreven door militaire conflicten, politieke instabiliteit, schendingen van mensenrechten, armoede en gebrek aan kansen en toekomst gaan miljoenen mensen op zoek naar betere en veiligere oorden. We kunnen ons geen afwachtende houding meer veroorloven.

Had de wereld immers niet vier jaar lang werkeloos toegekeken hoe de situatie in Syrië zich ontspon, dan had het natuurlijk ook zo ver niet hoeven komen. We zijn dus ook zelf gebaat bij een adequate internationale conflictbeheersing. Mede daarom wordt structureel extra geld vrijgemaakt voor de krijgsmacht en voor de Nederlandse deelname aan militaire missies.

“Het gaat dan onder meer om internationale conflictbeheersing, opvang in de regio, het tegengaan van mensensmokkel, een strenge maar rechtvaardige asielprocedure in elk land, een effectief terugkeerbeleid en perspectief op integratie voor mensen die niet kunnen terugkeren naar het land van herkomst. Alleen zo kan recht worden gedaan aan het humanitaire aspect en aan het maatschappelijk draagvlak in Nederland en andere Europese landen.”

Amen to that. Daarbij, noblesse oblige. We hebben echt nog altijd een heel menselijke morele verplichting om hulp te verlenen aan onze medemens in nood.

Extra geld voor opvang is niet ingeraamd. Dat zou nog wel een dingetje kunnen worden. Wie dan leeft, die dan zorgt? Hm…

Europa

Een alinea over Europa verlegt onze blik opnieuw naar buiten. Onze economie is gebaat bij een innovatief Europa, een goed functionerende Europese markt en open handelsrelaties. Met zorgenkindje Griekenland en het Britse referendum over het lidmaatschap van de EU wordt dat nog interessant.

Klimaat

Het klimaat is een issue en zeker niet alleen omdat onze koning nog altijd watermanager in hart en nieren is. De gaswinningsproblematiek in Groningen verdient aandacht en laten we wel zijn, we hebben de Groningers wat dat betreft ook wel behoorlijk in de kou laten staan.

In december van dit jaar vindt de VN-klimaattop in Parijs plaats. Minder uitstoot is inmiddels van levensbelang, zeker voor een waterland als het onze. Dijken moeten verstevigd en de Afsluitdijk vernieuwd.

Beetje tam

Al met al vind ik de troonrede een beetje tam. Geen grootse ideeën, geen visie, geen hervormingen waar die broodnodig zijn en de inzet van het kabinet is vooral gericht op de koopkracht en de zeer nabije toekomst. Concreet staat er niets in over hoe de vluchtelingenstroom naar Europa in te dammen en te controleren. Het probleem signaleren is een, het oplossen is nog altijd twee. Er werd met optimisme over de huizenmarkt gesproken, in financiële zin. Maar wat met de lange wachtlijsten en hoge huren?

Onze koning mag ons dan gewaarschuwd hebben dat we niet achterover kunnen leunen, de regering lijkt het langetermijndenken wel alvast op een laag pitje te hebben gezet.

Het bloedgeld van Cees H. en de zondeval van een ministerie

Ik heb van al te nabij moeten aanschouwen wat een verslaving aan verdovende middelen doet met een mens en daarmee met diens naaste omgeving. De fysieke en mentale aftakeling. Liegen, bedriegen, stelen, dreigen en roven om het beest dat verslaving heet te kunnen blijven voeden. De wanhoop waartoe een verslaafde zijn familie drijven kan, de angst die hij hen aanjaagt. Om nog maar niet te spreken van wat hij de maatschappij aan schade berokkent. Verslaafden kosten ons miljarden per jaar.

De dealers en handelaars zien dat ook en ze zien het graag, want zij leven er goed van, van die uitgeteerde junk die zijn eigen oma nog van haar ringen beroofde. Wie drugs verkoopt pleegt eigenlijk een moord, die jarenlang duurt en de moordenaar veel geld oplevert.

Ik heb dus een heel uitgesproken mening over mensen die zich met de handel in verdovende middelen bezighouden. Met drugs verdiend geld is bloedgeld.

Cees H. en zijn drugsmiljoenen

Cees H. is zo’n handelaar. Een drugsbaron. Hij importeerde cocaïne en hasj en niet zulke kleine beetjes ook. Een grote jongen dus, al schijnt hij maar klein van stuk te zijn, en een bekende naam in de Amsterdamse onderwereld. Hij begon als autohandelaar en was bedrijfsleider van een aantal uitgaansgelegenheden. Daar zal hij het grote geld wel geroken hebben, dat onlosmakelijk verbonden is met de handel in drugs.

In 1984 liep hij tegen de lamp. Voor de handel in hasj kreeg hij negen jaren gevangenisstraf opgelegd, maar na een jaar detentie zag hij kans uit de Bijlmerbajes te ontsnappen. Hij week uit naar Spanje en vestigde zich daarna in Antwerpen, waar hij een autoverhuurbedrijf begon en de handel in verdovende middelen weer oppakte.

In 1993 wist men hem weer in de kraag te vatten en hij werd opnieuw veroordeeld, tot vier jaar gevangenisstraf dit keer, voor het organiseren van drugstransporten. De eerder opgelegde straf moest hij uiteraard ook nog uitzitten. Daarnaast becijferde het Openbaar Ministerie dat hij met zijn handel 500 miljoen (!) gulden moet hebben verdiend en vorderde dat bedrag terug. Justitie legde daarom beslag op ’s mans Luxemburgse bankrekeningen en liet deze bevriezen.

So far, so good. Zou je zeggen.

Dodelijke deal

Nee dus. Toenmalig Officier van Justitie Fred Teeven, die zich inmiddels staatssecretaris mag noemen, sloot een deal met Cees H. Kennelijk dreigde het bedrag, dat op die Luxemburgse rekeningen stond, te vervallen aan de staat Luxemburg. Dat vonden zowel Cees H. als het Openbaar Ministerie niet fijn. De mensen van het programma Nieuwsuur onthulden vorig jaar de deal die veertien jaar geleden daarom met Cees H. gemaakt werd.

Wat meneer Teeven met Cees H. precies afsprak blijft grotendeels duister. In elk geval kwam het tot een schikking, waarbij Cees H. 750.000 gulden aan de staat moest betalen. De rest van wat er op zijn Luxemburgse rekeningen stond kreeg hij gewoon terug én justitie beloofde haar jacht op H.’s liggende gelden te staken. Niet alleen dat, toenmalig staatssecretaris beloofde “volstrekte geheimhouding voor nationale en/of internationale belastingdiensten en/of fiscale autoriteiten”.

Wat er precies op die rekeningen stond, daar wordt geheimzinnig over gedaan.

Volgens minister Opstelten stond er twee miljoen gulden op, inde het Openbaar Ministerie ‘slechts’ 750.00 gulden, en kreeg Cees H. daar dus 1,25 miljoen gulden van terug.

Volgens toenmalig advocaat van Cees H. Piet Doedens en huidig advocaat Jan-Hein Kuijpers gaat het echter om vijf miljoen gulden. Volgens deze versie van het verhaal kreeg Cees H. in 2001 dus ruim 4,7 miljoen gulden terug gegireerd.

“Ik heb de overschrijving hier voor me. Op 10 september 2001 heeft het OM bijna 5 miljoen gulden overgemaakt naar de derdengeldrekening van mijn kantoor. Ik heb er vervolgens voor gezorgd dat het op de rekening van mijn cliënt kwam.” 

Oud-topadvocaat Piet Doedens

Cees H. kreeg zijn bloedgeld dus gewoon terug en Justitie waste dat voor hem wit. Men hield, als klap op de vuurpijl, de Belastingdienst daarover in het ongewisse.

Onoorbaar, vind ik dat. Niet-integer.

Zo’n drugsbaron komt daarnaast wel heel makkelijk weg, en dat alleen al staat in schril contrast met de vorderingsjacht waar het Openbaar Ministerie berucht om is wanneer het gaat om het innen van bijvoorbeeld verkeersboetes.

Spoeddebat

De onthullingen van Nieuwsuur leidden vorig jaar tot een spoeddebat. Minister Opstelten kwam gevoeglijk uitleg geven aan de Tweede Kamer: het ging echt maar om 1,25 miljoen gulden, maar de details van de overeenkomst waren niet meer te achterhalen. De bewaartermijnen waren verlopen en de beruchte ICT-systemen veranderd en dus waren de bankafschriften foetsie. Onvindbaar.

Andere documenten met betrekking tot de schikking wilde de minister niet geven. Hij benadrukte meermaals de Tweede Kamer juist geïnformeerd te hebben over de deal met Cees H. en leek daarbij te verwachten dat de leden hem op zijn blauwe ogen zouden vertrouwen.

“U moet het met deze informatie doen. Dat is ook een kwestie van vertrouwen.” 

Minister Opstelten op 13 maart in de Tweede Kamer

De mensen van het programma Nieuwsuur claimen echter het gewraakte bonnetje gevonden te hebben. Wie zoekt zal vinden, zullen we maar zeggen. En op dat bonnetje moet het bedrag van 4.710.627 ouderwetse guldens en 18 centen prijken. Volgens hen wisten minister Opstelten en zijn ambtenaren daarvan, maar zouden ze de Tweede Kamer bewust verkeerd geïnformeerd hebben. Nieuwsuur claimt documenten ingezien te hebben die dat staven.

De huidige advocaat van Cees H., Jan-Hein Kuijpers, zei in het programma Pauw in bezit te zijn van genoemd bonnetje én hij bevestigde het bedrag. Op verzoek van Cees H. maakt hij het afschrift echter niet openbaar.

Daarmee is het vertrouwen in minister Opstelten (opnieuw) in het geding en hetzelfde geldt zijn staatssecretaris. De laatste verschuilt zich achter minister Opstelten en lijkt de kritiek op zijn persoontje af te willen doen als gebrabbel van mensen die toch niet weten waar ze het over hebben.

Gesproken met de arrogantie van een waar plucheplakker.

The plot thickens 

Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft al laten weten dat de beweringen van Nieuwsuur onjuist zijn. Ook laat het weten dat staatssecretaris Teeven, net als andere betrokkenen, “onvoldoende herinneringen heeft om onderbouwde uitspraken te kunnen doen over de financiële afwikkeling van deze schikking”.

Officieren van Justitie die deals sluiten met criminelen, dat klonk altijd zo Amerikaans. Iets uit televisieseries, maar een fenomeen waarvan ik ooit stellig hoopte dat we daar in Nederland wars van zouden zijn. Gewoon, omdat het niet klopt. Inmiddels weet ik natuurlijk ook wel beter. Toch, mijn standpunt is daarbij onveranderd. Uit principiële overwegingen hoort ’t gewoon niet.

Hopelijk debatteert de Tweede Kamer vanavond nog. Over handjeklap met criminelen, geheime deals in een rechtstaat waarin het recht openbaar hoort te zijn en de integriteit én houdbaarheidsdatum van deze bewindslieden.

Power, power, power!

Marga Klompé

Op 13 oktober 1956 werd Marga Klompé de eerste vrouwelijke minister van Nederland, in het kabinet Cals. Morgen dus op de kop af 58 jaar geleden. Ze bekleedde de post van minister van Maatschappelijk Werk. Marga Klompé was daarnaast ook de eerste vrouwelijke Nederlandse afgevaardigde binnen het Europese Parlement. In 1971 werd zij benoemd tot Minister van Staat, opnieuw als eerste vrouw.

Marga Klompé werd op 16 augustus 1912 geboren te Arnhem. Ze was buitengewoon intelligent, energiek, nuchter, plichtsgetrouw. Ze was doortastend, bezat een uitstekend analytisch vermogen en was steevast de slimste van de klas op de HBS-B.

Ze studeerde scheikunde en promoveerde in de wis- en natuurkunde. Daarna begon ze nog aan een studie geneeskunde, die ze na het behalen van haar propedeuse af moest breken omdat de universiteit als gevolg van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gesloten werd. Dat moet haar erg hebben verdroten, Marga Klompé droomde ervan huisarts te worden. Ze viel terug op haar studie scheikunde en van 1932 tot 1949 was ze, naar verluid evengoed met buitengewoon veel plezier, lerares scheikunde.

Klompé, die van huis uit een christelijke apologetische opvoeding genoten had, kwam door al hetgeen zij tijdens haar studie leerde rond haar twintigste levensjaar in een geloofscrisis terecht. Als gevolg daarvan heeft zij een paar jaar buiten de kerk geleefd, maar ze hervond haar geloof in de mystiek van het katholicisme. Ze moet diepgelovig uit haar geloofscrisis zijn gekomen, waarbij ze een blijvend respect voor andere vormen van geloofsbeleving opdeed.

De Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Marga Klompé actief in het verzet. Ze was koerierster en was lid van het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers. In die hoedanigheid is ze, bij de inval van de Duitsers in 1940, bij de gevechten op de Grebbeberg geweest waar ze gewonden verpleegde. In 1943 werd zij vice-presidente van de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers en dat zou ze tot 1953 blijven. Tijdens de evacuatie van Arnhem, die door de Duitse Wehrmacht gegeven op 23 september 1944 werd bevolen heeft Marga Klompé een actieve rol gespeeld.

Daarna moest zij onderduiken, onder de schuilnaam Truus ter Aken verbleef ze eerst in Otterloo en daarna in Apeldoorn. Toen Arnhem eenmaal was bevrijd, ijverde ze met de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers op het weer op gang brengen van het openbare leven. Ze werd meteen in mei 1945 lid van de Nederlandse Volksbeweging en later van de Katholieke Volkspartij (KVP).

Politiek leven

Naast de Tweede Wereldoorlog, die haar gehard heeft, waren ook de verkiezingen van 1946 een keerpunt in het leven van Marga Klompé. Er belandde geen enkele katholieke vrouw in de Tweede Kamer, tot ergernis van Marga Klompé die de stelligste overtuiging had dat vrouwen even geschikt zijn als mannen voor eender welke functie dan ook. Die rotsvaste overtuiging zou haar verdere politieke loopbaan mede bepalen. Samen met studievriendin Wally van Lanschot richtte Klompé derhalve in 1947 het Roomsch Katholiek Vrouwendispuut op.

In 1947 reisde Marga Klompé af naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, als lid van de Nederlandse delegatie. Daarbij liep ze in de kijker van een aantal van haar katholieke collegae, het Tweede-Kamerlid E.M.J.A. Sassen en het Eerste-Kamerlid prof. L.J.C. Beaufort, die haar voortvarend onder druk zetten om zich verkiesbaar te stellen voor de Tweede Kamer.

Ze moet daar niet al te veel animo voor gehad hebben, want ze koos voor een onverkiesbare plaats bij de verkiezingen van 1948. Dat heeft haar niet veel geholpen, op 12 oktober dat jaar werd haar gevraagd het Tweede Kamerlid Sassen te vervangen, omdat die tot minister van Overzeese Gebiedsdelen werd benoemd. Binnen de KVP-fractie kreeg Marga Klompé de verantwoordelijkheid over het buitenlands beleid.

Marga Klompé ontpopte zich als een bevlogen politicus en werd beroemd en berucht om haar soms koppige standvastigheid. Ze schroomde niet rake oordelen uit te spreken. Ze was een van de weinigen binnen de fractie de degens durfde kruisen met voorzitter C.P.M. Romme. Als Tweede Kamerlid hield ze zich voornamelijk bezig met Europese zaken, maar later ook met maatschappelijk werk en hoger onderwijs.

Rechtsgelijkheid voor vrouwen

In 1955 diende Corry Tendeloo een motie in tegen het Koninklijk Besluit, dat gehuwde vrouwen verbood bij de overheid werkzaam te zijn. Tot die tijd was het de normaalste zaak van de wereld dat een vrouw simpelweg verplicht was ontslag te nemen op het moment dat zij huwde. Met het aangaan van een huwelijk verloren vrouwen ook nog eens hun handelingsbekwaamheid – in wettelijke zin.

“De Kamer, gehoord de besprekingen over het KB van 13 september 1955, van oordeel, dat het hier niet op de weg van de Staat ligt de arbeid van de gehuwde vrouw te verbieden, nodigt de Regering uit de hiermee strijdende voorschriften te herzien.” 

Marga Klompé steunde de motie-Tendeloo, in tegenstelling tot de meerderheid van haar fractie. Een jaar later, tijdens het kabinet-Drees III, zou de handelingsonbekwaamheid voor vrouwen afgeschaft worden.

Eveneens in 1955 stemde Marga Klompé tegen een (uiteindelijk met een krappe meerderheid verworpen) amendement-Stokman, dat de gemeenteraad de bevoegdheid moest geven kleuterleidsters te ontslaan wanneer ze in het huwelijk traden. De meerderheid van haar fractie stemde voor, maar mevrouw Klompé hield opnieuw voet bij stuk.

Ministerschap

Op 13 oktober 1956 werd Marga Klompé dus minister van Maatschappelijk Werk, een relatief klein departement dat net vier jaar oud was. Zowel de minister als haar departement ondervonden geregeld aanzienlijke weerstand van zowel de Tweede Kamer als het kabinet.

Klompé geloofde ten stelligste in particuliere initiatieven maar vond ook dat een overheid rigoureus ingrijpen moest wanneer die faalden. Haar Wet op de bejaardenoorden uit 1963 en de Algemene Bijstandswet uit datzelfde jaar zijn daar schoolvoorbeelden van. Daarmee is zij een van de grondlegsters van de verzorgingsstaat.

Een voortzetting van het ministerschap zag mevrouw Klompé niet zitten en op 24 juli 1963 droeg zij haar portefeuille over, om terug te keren in de Tweede Kamer. In 1966, tijdens de ‘Nacht van Schmelzer’ deed ze mee met de stemming die het kabinet Cals deed sneuvelen. Ze stemde met pijn in het hart tegen J.M.L.Th. Cals, waarmee zij in de loop van de jaren innig bevriend was. Het belang van haart partij liet ze daarbij prevaleren.

De opvolger van meneer Cals, J. Zijlstra, vroeg Marga Klompé haar oude departement nog eenmaal op zich te nemen, voor de duur van een paar maanden. Het was inmiddels omgevormd tot het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). Marga Klompé zwichtte en werd opnieuw minister.

Ze werd in 1967 door haar fractie naar voren geschoven als mogelijke minister-president, maar daar vond ze zichzelf niet geschikt voor. Tijdens het kabinet-De Jong werd zij opnieuw gevraagd aan te blijven als minister en dat deed ze.

In 1971 staakte Marga Klompé haar politieke activiteiten. Datzelfde jaar, en wel op 17 juli, werd ze geëerd met de eretitel van minister van Staat. Ze was de eerste vrouw die deze eer te beurt viel.

Ze mocht dan niet meer actief zijn in de politiek, stilzitten deed Marga Klompé niet. Ze wijdde zich aan kerkelijk werk, als adviseur en bestuurslid van verschillende commissies en organisaties.

Halverwege de jaren tachtig werd Marga Klompé ziek, maar ze bleef doorwerken. Ze overleed op 28 oktober 1986, in Den Haag. Ze werd gecremeerd en haar as werd uitgestrooid over de wateren van de Noordzee.

Marga Klompé was een politiek zwaargewicht, bevlogen en welbespraakt. Zij wordt herinnerd om haar inzet ter bevordering van de mensenrechten en vrede, sociaal welzijn en de internationale sociale verantwoordelijkheid. Daar wil ik emancipatie graag nog aan toevoegen.

Zij is een van mijn Grote Vrouwen. Morgen is de verjaardag van haar aantreden als eerste vrouwelijke minister van Nederland.

Nationale Ombudsman

Wanneer burgers zoals u en ik een onverkwikkelijke ervaring opdoen met een overheidsinstantie kunnen we daar in eerste instantie over klagen bij die overheidsinstantie zelf, die daarvoor doorgaans een hele klachtenregeling heeft ingericht. Komen we er dan nog niet uit, dan kunnen we nog een beroep doen op de Nationale Ombudsman, die onafhankelijk en onpartijdig tussen ons en de overheid moet staan.

Die Nationale Ombudsman onderzoekt onze klacht over de gedraging van de overheidsinstantie waarmee we overhoop kwamen te liggen – en een mooie bijkomstigheid is dat iedere betrokkene verplicht is om aan zo’n onderzoek mee te werken.

De Nationale Ombudsman wordt aangesteld door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Er is een heuse wet Nationale Ombudsman waarin vastgelegd is wat de bevoegdheden en verplichtingen van zo’n Nationale Ombudsman zijn. Uitspraken van de Nationale Ombudsman zijn niet bindend, zoals die van een rechter.

Guido van Woerkom

Het heeft de Tweede Kamer behaagd meneer Guido van Woerkom aan te stellen als Nationaal Ombudsman. Dat is niet zonder slag of stoot gegaan, want meneer Van Woerkom maakte een paar jaar geleden een erg onaardige, niet te zeggen discriminerende, opmerking over Marokkaanse taxichauffeurs. Hij zei in 2010 namelijk dat hij “zijn vrouw niet alleen met de taxi liet gaan omdat er nog weleens een Marokkaan achter het stuur zou kunnen zitten”. Achteraf maakte hij daar excuses voor en de affaire verdween al gauw in de vergetelheid.

Tot hij werd voorgedragen als Nationale Ombudsman, that is.

Politici van onder meer de PvdA, SP en GroenLinks, het Landelijk Beraad Marokkanen en het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders maakten daar dus gevoeglijk bezwaar tegen. Ook de waarnemend Nationale Ombudsman Frank van Dooren gaf geluid over deze heikele kwestie en verklaarde het volgende in Nieuwsuur:

“De Nationale ombudsman is een Hoog College van Staat. De ombudsman is een onafhankelijke instelling die burgers helpt met klachten over de overheid. Voor het gezag van het instituut van de Nationale ombudsman is het van het grootste belang dat iedereen in Nederland vertrouwen heeft dat de ombudsman zonder vooringenomenheid zijn ambt uitoefent. Ik ga ervan uit dat de Tweede Kamer zich bewust is dat vertrouwen essentieel is voor het functioneren van de Nationale ombudsman.”


Oepsie.

De Tweede Kamer stemde op 5 juni 2014 toch in met de benoeming van Van Woerkom tot Nationale ombudsman, 91 Kamerleden stemden voor zijn benoeming en 53 tegen.

Tot tranen geroerd nam meneer Van Woerkom opnieuw afstand van zijn opmerking, met een mooie anekdote over de Marokkaanse taxichauffeur van zijn vader. Ook heeft meneer van Woerkom inmiddels een gesprekje gehad met zijn waarnemer over diens uitspraken. Aangezien meneer Van Woerkom in Buitenhof al zei dat hij dat anders gedaan zou hebben laat de inhoud van dat gesprek zich raden.

Vertrekpremie ANWB

Guido van Woerkom is sinds augustus 1999 hoofddirecteur van de ANWB en hij legt per 1 augustus die functie neer. De ANWB wil een aantal bestuurlijke veranderingen door gaan voeren en meneer Van Woerkom vond “het niet voor de hand liggen daarbij een hoofdrol te spelen”. De goede man wilde, na vijftien jaar de baas van de ANWB te zijn geweest, bovendien “graag nog een keer elders aan de slag gaan”.

Nochtans blijkt nu dat meneer Van Woerkom mag rekenen op een vertrekpremie van een slordige 310.000 euro. Ik hoor u denken. Dat is toch niet nodig wanneer je van baan naar baan verhuist?  Daarnaast, vertrekpremies werden toch alleen bij een gedwongen vertrek uitgekeerd?

Een woordvoerder van de ANWB heeft inmiddels gepoogd daar wat nuance in te brengen. Daarbij maakt hij de zaken wel heel ingewikkeld: Hij stelde dat geen sprake is van ontslag én ook niet van vrijwillig opstappen.

“Daar zit nog iets tussen. Er zijn gesprekken geweest tussen Van Woerkom en de raad van commissarissen waarin gesproken werd over vragen als: wordt het niet eens tijd en zijn we op elkaar uitgekeken? Zo is dat ergens een keer gegaan.” 


Wat zonderling dan, dat in het jaarverslag van de ANWB nochtans de eerste lezing staat opgetekend: 

“In 2014 zal in het kader van periodieke evaluatie tevens worden bezien of het meerjarenplan van de organisatie, de Ambitie 20/20, en de concrete invulling daarvan op onderdelen moeten worden aangepast. In het verlengde hiervan zal ook worden gekeken naar de besturingsstructuur, inclusief de topstructuur, van de ANWB. 

Guido van Woerkom heeft aangekondigd de ANWB per 1 augustus 2014 te zullen verlaten. Hij heeft de organisatie op dat moment 15 jaar geleid als hoofddirecteur en vindt de heroriëntatie op de besturingsstructuur een goed moment om het stokje door te geven. Vanwege zijn aankomend vertrek zal dit proces dan ook niet onder zijn leiding plaatsvinden.”

Soit, ’s mans vertrek lijkt dus zeker wel op vrijwillige basis en in goede harmonie plaats te vinden. Leuk geprobeerd, maar volgens de regels van goed bestuur wordt in dat geval dus geen vertrekpremie uitgekeerd. 

Wie overigens het jaarverslag van de ANWB leest komt ook nog tot de ontdekking dat de variabele beloning van de hoofddirectie werd verlaagd omdat de doelen niet werden gehaald. De totale beloning van de hoofddirectie vorig jaar steeg echter toch, door de vertrekpremie voor meneer Van Woerkom.

Meneer Van Woerkom schrijft het volgende in het voorwoord van het ANWB Maatschappelijk Jaarverslag 2013:

“De effecten van de economische crisis waren in 2013 ook bij de ANWB nog steeds voelbaar. Dit heeft ons genoodzaakt bij een aantal onderdelen van de ANWB reorganisaties door te voeren met een verlies van in totaal enkele honderden banen. Middels een sociaal plan proberen we de gevolgen voor de betreffende medewerkers zoveel mogelijk te beperken, idealiter door hen naar een nieuwe baan te begeleiden.”

Kom zeg. Daar heb ik iets tegen. Bonussen en torenhoge vertrekpremies voor bobo’s terwijl er aan de onderkant van de bedrijfsvoedselketen ontslagen vallen zijn gewoon niet te verteren. De werknemers die onder het bezielend beleid van meneer Van Woerkom ontslagen werden konden ook niet rekenen op zo’n royale vertrekpremie die moet dienen hen “tijd te geven voor het vinden van een nieuwe job”.

Meneer Ton Heerts, voorzitter van de FNV, vindt dat meneer Van Woerkom die vertrekpremie terug moet geven, “anders kan hij geen Nationale Ombudsman worden”. Omdat meneer Van Woerkom van baan naar baan vertrekt is een (hoge) vertrekpremie onnodig en daarbij wijst meneer Heerts fijntjes en geheel terecht op de nieuwe ontslagregels, die volgend jaar ingaan. Dan wordt het makkelijker én goedkoper voor werkgevers om werknemers te ontslaan.

De leden van de ANWB zijn er ook al niet blij mee. Het regent opzeggingen.

Hoog tijd voor opnieuw wat emo-televisie, waarbij een snikkende Guido van Woerkom netjes al die centjes teruggeeft en met een vol gemoed zijn account zeggen laat: 

“Van Woerkom ís niet zo”

"Sharia in Nederland"

Gisteren heb ik met stijgende interesse naar Rondom 10 gekeken. Een gespreksonderwerp als “Sharia in Nederland” staat daar dan ook wel garant voor.

De Tweede Kamer vroeg in de zomer van vorig jaar al opheldering over berichten van illegale shariatribunalen in moskeeën hier te lande. Het ministerie van Justitie heeft het onderzoek daarnaar uitbesteed aan de Nijmeegse Radboud Universiteit. Van echte shariarechtbanken is hier volgens de onderzoekers geen sprake, al wordt er wel aan de hand van de sharia aan geschilbemiddeling gedaan.

Wat mij allereerst verbaasde is dat er zonder enige nuance over “de sharia” gesproken werd, terwijl er feitelijk geen sprake is van één sharia. Zoveel islamitische stromingen, zoveel interpretaties, zoveel vormen van sharia en die verschillen behoorlijk van elkaar. Het simpele feit dat de sharia nooit is gecodificeerd, nooit vorm gekregen heeft in wetsartikelen zoals bijvoorbeeld ons wetboek van strafrecht, ligt daar mede aan ten grondslag. Dat gegeven maakt rechtsongelijkheid en eigen invullingen mogelijk en het legaliteitsbeginsel feitelijk ónmogelijk.

Wat ik over de sharia gelezen heb is lang zo erg niet als men soms doet voorkomen en deels komt dergelijke wetgeving zelfs overeen met de onze. Dat is niet zo’n verrassing; een gevoel voor recht, of voor goed en kwaad zo u wilt, is redelijk universeel. Zo denken we overal ter wereld zo’n beetje hetzelfde over mijn en dijn en diefstal wordt nergens gewaardeerd. Ook hecht men mondiaal zonder uitzondering aan het menselijk leven en dus worden moord en doodslag dan ook niet geapprecieerd. De sharia is daar in grote lijnen geen uitzondering op.

Wel vind ik de mate van interpretatie die de sharia laat zorgwekkend. Dat daargelaten sta ik sowieso wantrouwig tegenover een wettenstelsel dat zoveel ruimte laat voor excessieve (lijf-) straffen en vind ik de bemoeienis in het privédomein wel erg verregaand. Overspel is daar een voorbeeld van, dat vind ik weliswaar moreel gezien niet door de beugel kunnen, maar het is niet iets waar een rechterlijke macht zich over te buigen heeft.

Dan is er de kwestie van gelijkheid tussen burgers. Onze democratie is gestoeld op het menselijk gelijkheidsideaal. Het gelijkheidsbeginsel, dat zegt dat iedere burger gelijke rechten heeft en recht heeft op een gelijke behandeling in gelijke gevallen, is ons grootste goed. Voorwaarde voor een gedegen en eerlijke wetsgang is dat iedere burger gelijk is voor de wet en zonder onderscheid aanspraak kan maken op bescherming door die wet. In een samenleving moet de wet een bindmiddel zijn voor álle bevolkingsgroepen. Een onderscheid tussen een gelovige en een ongelovige, hetero- en homoseksueel of tussen man en vrouw druist daar volledig tegenin.

Gelijke rechten en gelijkheid voor de wet overigens, zijn geheel iets anders dan een verschil in sportprestaties, dit in weerwil van wat Mohammed Akkouh ons wilde doen geloven. Dat de gemiddelde sportvrouw een seconde langer doet over de honderd meter dan de gemiddelde sportman zegt niets over haar recht op een evengroot kindsdeel als haar broer of de waarde van haar woord wanneer zij getuigt. Een dergelijke drogredenatie is deerniswekkend.

Het euvel met religieuze wetten en regels is ook nog eens dat ze van nul en generlei waarde zijn voor iedereen die niet in de religie gelooft die eraan ten grondslag ligt. Zo is er voor een niet-moslim niets dat hem weerhoudt een portret of zelfs een spotprent van een islamitische profeet te maken. Uiteraard kan een moslim in zo’n geval vragen rekening te houden met zijn gevoelens, maar met het aan een ander op willen leggen van een verbod op religieuze gronden is de grens bereikt, zo niet gepasseerd.

Echter, wanneer moslims onder elkaar een geschil middels mediation op willen lossen zie ik weinig bezwaren, zo lang beide partijen er maar uit vrije wil aan deelnemen en men binnen de kaders van onze wetgeving blijft. De mate van vrijwilligheid verdient denkelijk ook een vorm van waarborging, achteraf in een kantoortje lijkt me dat een moeizame kwestie. Dat daargelaten moet ook alle partijen duidelijk voor ogen staan dat een mediator geen enkele juridische bevoegdheid heeft en geen dus bindende uitspraken kan doen. Bij geen consensus staat beide partijen de gang naar de rechter altijd nog vrij, ook dat moet buiten kijf staan.

Ruimte voor een tweede wettenstelsel is er niet en kan er ook niet zijn -al helemaal niet wanneer het op religieuze leest geschoeid gaat.