Van een kitten aan zijn moeder

Ozymandias

Hai Mam!

Hoe gaat het met je? Ik hoop dat je me niet al te erg gemist hebt! Met mij gaat het reuze goed!

Het bevalt me wel, hier in Rotterdam. Ik deel mijn benedenwoning met Oom Jack, Oom Rook en Tante Raaf. Dat is zo gezellig! We hebben zelfs een tuin!

Samen hebben we (net als jij!) een groot soort mensaap in dienst genomen, voor het poetsen en het koken. Dat was een idee van Tante Raaf, zij is de huisoudste. Die mensapen zijn natuurlijk niet zo ver ontwikkeld als katten, ze hebben nog een opponeerbare duim bijvoorbeeld, maar dat maakt ze juist heel geschikt voor de klusjes in en rond het huis en het aaien.

Deze bevalt prima, maar ze lijkt soms te denken dat ze de dienst uitmaakt. Dat is natuurlijk niet zo, maar voor de lieve vrede houden we haar in de waan. Ze bedoelt het goed en ze brengt regelmatig rosbief voor ons mee.

We hebben haar naar haar naam gevraagd, maar ze spreekt geen kats. Die mensapen luisteren alleen maar met hun oren, wat je ook met je lijf en je staart vertelt, ze snappen er duidelijk niets van. Het enige waar ze naar luistert is ‘Mauw’. Dat zal haar naam dan wel zijn!

Oom Jack

We hebben Mauw een eigen kamer gegeven en daar mogen wij nu niet meer in, dat is wel balen. Ze houdt de deur dicht! Ik ben het daar niet mee eens, dus ga ik elke ochtend voor de deur liggen en zodra ze die deur opendoet probeer ik erdoor te piepen. Soms lukt dat en dan loop ik een rondje door haar kamer en ga ik pontificaal op haar bed zitten.

Weet je, Mam, ik bedoel het niet onaardig, maar Mauw lijkt wel een beetje simpel. De eerste week heb ik haar moeten redden van de verdrinkingsdood, ze ging zonder na te denken onder een stroom water staan! Ik heb net zo lang gemiauwd tot ze weer onder dat water vandaan stapte en ik was zo opgelucht dat ik haar blote kuit stevig omhelsd heb. Ze gilde het uit, dus ik was er echt maar net op het nippertje bij.

Ze dacht ook dat niet door het kattenluik naar de tuin zou kunnen, omdat ik nog maar zo klein ben. Nou, mam, ik neem gewoon een aanloopje en dan stort ik me door het deurtje. Soms lukt het niet helemaal en dan blijft mijn kontje steken, maar als ik flink wiebel dan lukt het best.

Oom Rook

Het is zo spannend in de tuin, daar moet ik bij zijn. Oom Rook patrouilleert er elke dag, want voorbij de schutting zijn De Anderen. Oom Rook zegt dat elke, zichzelf respecterende, kater op zijn eigen tuin past en ervoor zorgt dat er geen Anderen binnen komen.

Er is één Andere die wel zou willen en als hij aan de andere kant van de schutting zit dan zingen hij en Oom Rook oorlogsliederen naar elkaar. Oom Rook wint altijd! Ik word later net zo stoer als hij.

Ik help wel netjes mee met de klusjes hoor! Ik help Mauw met het schoonmaken van onze kattenbakken en dan kijk ik meteen of ze dat wel goed doet. Als ik echt heel tevreden over haar ben dan geef ik haar een kusje. Soms houd ik opeens zo veel van haar dat ik haar even moet bijten. Ik hang regelmatig de gordijnen recht en dan kauw ik er meteen even op.

Tante Raven

Tante Raaf moppert soms wel een beetje op me, maar ik bijt haar dan ook wel geregeld in haar oor of achterpoot. Dat is misschien niet zo netjes, maar zij begon. Ze heeft me op de eerste dag dat ik introk een enorme pestklap (‘scuse my French) op mijn hoofd gegeven. Zij is de baas en niemand anders, zei ze!

Nou, dat zullen we nog wel eens zien.

Met Oom Rook kan ik het uitstekend vinden, we doen samen veel aan sport. Worstelen en boksen, want dat vind ik leuk. Oom Jack wil eigenlijk ook wel meedoen, maar hij is een bangebroek. Soms maak ik me groot en dan spring ik zijn kant op en dan zet hij het toch op een lopen!

’s Avonds kijken we met zijn allen televisie, lekker languit op de bank. Mauw mag van ons ook op de bank, zo zijn we wel. Soms denkt Oom Jack dat ze er lui van wordt en dan gaat hij voor het beeldscherm zitten. Ik denk dat hij gelijk heeft, want na vijf minuten staat ze altijd op.

Je ziet Mam, ik ben goed terechtgekomen! Een dikke kus van mij!

Je Ozzy

Dierendag, waarop we de Nederlandse samenleving de maat nemen

“The greatness of a nation and its moral progress can be judged by the way its animals are treated.”  

Mahatma Gandhi (1869-1948)


Vandaag is het Werelddierendag. Natuurlijk, mijn kattentrio heb ik vandaag extra verwend want zo sentimenteel ben ik wel. Dierendag gaat echter helemaal niet om hen en al helemaal niet om een extra lekkere snack. Ik ben beginnend gek kattenvrouwtje en voor mijn drietal is elke dag Dierendag. Ze leiden een leven als een luis op een zeer hoofd. 
Mijn twee meest recente aanwinsten komen uit een asiel. Daar kwamen ze als kittens al terecht, omdat ze bij een of andere druiloor in beslag genomen werden. Verwaarloosd en bang. Wat die druiloor met ze heeft gedaan weet ik niet, dat wil ik ook niet weten, maar het was in elk geval van zo’n aard dat ze hun angst voor mensen nooit helemaal kwijt zijn geraakt. 
Werelddierendag gaat om de dieren die het niet goed hebben. En dus gaat Dierendag eigenlijk om ons, mensen. Volgens Gandhi is er een direct verband tussen respect in een samenleving en de manier waarop er in die samenleving met dieren wordt omgegaan. Dieren zijn, naast kinderen, de meest kwetsbaren op deez’ aardkloot en wie daar met mededogen omgaat zal ook (meer) mededogen hebben voor zijn medemens. Daarmee zou zelfs de kans op een geweldloze samenleving toenemen.
Ik ben ervan overtuigd dat Gandhi gelijk had. De wreedheid waarmee mensen met dieren omgaan is een maatstaf voor hoe ze met elkaar omgaan. Erger, uit onderzoek bleek al dat mensen die dieren willen en kunnen mishandelen eerder geneigd zijn dat ook met mensen te doen. Dierenkwelling is een indicator voor psychosociale afwijkingen. 
Goed. Terug naar the bigger picture. Hoe zit het met de Nederlandse samenleving? 

Huisdieren

Dat asiel waar ik die twee katten vandaan heb was tot de nok gevuld met dieren die door mensen om een of andere reden in huis gehaald werden, maar al snel boventallig verklaard werden. Katten, kittens en vooral veel blaffende honden in stalen kooien. Honden van voornamelijk het stoere type, ook dat nog. Zo’n ogenschijnlijke vechtjas op pootjes. Mateloos populair, maar kennelijk wel met een erg beperkte houdbaarheidsdatum. Wanneer dat o zo stoere baasje dan op zijn o zo stoere hond is uitgekeken, of hem niet meer aankan bij gebrek aan opvoeding, dan mogen de mensen van het asiel ervoor gaan zorgen.
Het is ironisch, maar ondanks het gegeven dat de asielen in Nederland overvol zitten worden er nog altijd in ruime mate huisdieren gefokt. Daar is veel geld mee gemoeid, er is zelfs een wijdverbreide malafide hondenhandel, en veel dierenleed. Het uiterlijk van onze huisdieren is aan onze modegrillen onderhevig en een beetje broodfokker gaat daar tot in het extreme in mee. Daarom lopen er hondjes rond met te kleine schedeltjes, waardoor ze van die grappige uitpuilende ogen én permanent hoofdpijn hebben. Het andere uiterste kennen we ook, waarbij de schedels van pups standaard te groot zijn om door het geboortekanaal van de moeder te passen. We fokken honden en katten met zulke korte, platte neuzen dat ze nauwelijks adem kunnen halen en moeite hebben met eten en drinken. 
Als ze maar leuk bij je handtasje passen, nietwaar. 
Hobbypaarden, kuddedieren bij uitstek, staan in hun eentje op stal te verpieteren. Ook konijnen leven vaak een eenzaam bestaan in een te klein hok. Gewoon omdat mensen in een impuls een dier aanschaffen en eigenlijk geen idee hebben wat daar allemaal bij komt kijken. 
De Dierenpolitie heeft het er maar druk mee. 

Dierproeven

U heeft vast de ophef over die schattige Labradors niet gemist, waar de Universiteit van Maastricht erg pijnlijke dierproeven op zal gaan doen. Ze “mogen” pacemakers testen en er zal zes weken lang opzettelijk hartfalen bij de dieren opgewekt worden. Negenendertig van die schattige hondjes, waarvan 30% naar verwachting al tijdens het experiment zal bezwijken. 
Nu zijn die Labradors erg aaibaar en dat zal ook deels verklaren waarom er zo veel te doen is om hun lot. In Nederland worden jaarlijks zo’n half miljoen dieren als proefdier gebruikt. Niet alleen voor medisch of anderszins wetenschappelijk onderzoek, maar ook om huishoudelijke producten en voedseladditieven op veiligheid te testen.  

In Nederland worden jaarlijks tussen de 500.000 en 600.000 dieren gebruikt in wetenschappelijk onderzoek en wettelijk voorgeschreven tests. De meeste experimenten worden gedaan op muizen en ratten, maar ook andere diersoorten, zoals cavia’s, konijnen, kippen, honden, katten, paarden, schapen, geiten, varkens, runderen, apen, vogels, vissen, en amfibieën worden ingezet. 

Om en nabij een half miljoen per jaar. Ontstellend hè?  

Productiedieren

Onze dekbedden zijn nog vaak van dons dat nog altijd van levende ganzen wordt geplukt. Onze angora truitjes, petjes en sjaaltjes bleken niet zelden gemaakt van de wol van konijnen die ook levend geplukt worden. Kunt u zich dat filmpje nog herinneren met dat krijsende angorakonijn? Er worden ook nog altijd kwasten en penselen van echt dierenhaar verkocht en gebruikt, ook al zijn er prima synthetische alternatieven. 
Sinds het ingaan van de Wet verbod pelsdierhouderij op 15 januari vorig jaar mogen er geen nieuwe pelsdierhouderijen bijkomen. In Nederland gaat het dan om nertsen. Die wet lijkt positief, maar er zit een addertje onder het gras: Bestaande nertsenhouderijen mogen, onder halfslachtige voorwaarden, toch nog tot 1 januari 2024 blijven voortbestaan. 
Nederland is befaamd om haar kaas. Er zijn 2,8 miljoen melkkoeien in Nederland. Van deze dieren staat 30% altijd op stal. De kalveren worden direct na de geboorte bij het moederdier weggehaald. 
We eten graag te veel en vooral goedkoop vlees en dat levert dieronterende toestanden op in de bio-industrie en bij het vervoeren van levend slachtvee. Nederland heeft dan ook enorme aantallen vee, alleen al twaalf miljoen varkens. De huisvesting van zo veel dieren is problematisch, op zijn zachtst gezegd. De legbatterij is dan wel verboden, maar de megastallen worden de grond uit gestampt. 
We hebben, alleen op televisie al, uitgebreid kunnen zien hoe het bloed uit vee vervoerende vrachtwagens liep, hoe de “plofkip” aan haar naam komt, hoe kippen de snavel en biggen de staart wordt afgeknipt, hoe koeien onverdoofd onthoornd worden en te lijden hebben van ontstekingen aan hoeven en uiers. We hebben de dierenlijken in grote grijpers zien hangen nadat er weer eens op grote schaal een dierziekte uitbrak, omdat we ons vee op grote schaal en dicht op elkaar willen houden en omwille van de export weigeren ze in te enten. 
Het slachtvee dat dubbel pech heeft wordt dan ook nog eens ritueel en dus liefst onbedwelmd geslacht. De voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde wees er al eens op dat schapen en runderen “soms pas tot vier minuten na de halssnede sterven”. Dat zijn vier hele lange minuten om onbedwelmd en dus bij bewustzijn mee te maken en dat terwijl onverdoofd slachten in dit land feitelijk bij wet verboden is. 
Behalve wanneer religie extra dierenleed voorschrijft, dan wordt er netjes een uitzondering op die wet gemaakt. De ironie wil dat deze Werelddierendag samenvalt met het islamitisch Offerfeest
Dierenbeschermers hebben wel gevraagd om geen dieren te slachten vandaag, maar het Contactorgaan Moslims en Overheid was niet van zins om op die oproep in te gaan: “Geld schenken aan arme mensen is een belangrijk ritueel tijdens het offerfeest, maar een dier offeren ook. Dat blijven we dus stimuleren”, aldus woordvoerder en imam Yassin Elforkani. “Met het geld dat moslims doneren tijdens het offerfeest, worden bovendien in arme landen dieren gekocht om te offeren. Wat dat betreft slaan de dierenrechtenorganisaties de plank dus mis. Qua dierenleed kunnen we elkaar echter vinden. Als een dier heeft geleden, mag je zijn dood geen offer noemen”.
O, ironie.

Dierentuindieren, circusdieren en dieren in dolfinaria

Dierentuinen zijn wettelijk verplicht de door hen gehouden dieren afdoende ruimte te bieden zodat deze hun natuurlijk gedrag kunnen vertonen en hun natuurlijk leefstijl kunnen uitoefenen. De gravers moeten kunnen graven, de klimmers moeten kunnen klimmen en de zwemmers moeten kunnen zwemmen. Kuddedieren mogen dus niet alleen staan.  
Zo veel geluk hebben circusdieren niet. Vooral aan het welzijn van wilde dieren in reizende circussen schort het nodige. Te kleine verblijven waarin de dieren veel te lang moeten verblijven, olifanten die het overgrote deel van de dag aan de ketting staan en giraffen die liggen vervoerd worden omdat ze anders niet onder viaducten passen. Van de zotte natuurlijk en dat voor wat “amusement”. Ons kabinet wil circussen wel verbieden om nog langer wilde dieren te gebruiken, maar die plannen zijn alles behalve concreet.
Een dolfinarium is maar een pierenbadje voor een zeezoogdier dat geboren is voor het open water. Orka’s en dolfijnen leggen in het wild enorme afstanden af. Vooral dolfijnen zijn intelligent, sociaal en zelfbewust. Juist dit intelligente wezen sluiten we op in een zwembadje, waar het ons met kunstjes vermaken moet. Ons “eigen” dolfinarium Harderwijk, het grootste zeezoogdierenpark van Europa, kocht in het verleden dolfijnen, die in de beruchte bloedbaai van Taiji gevangen werden. Een aantal van hun dolfijnen, inmiddels hoogbejaard, zwom ooit in de oceaan. 

Wilde dieren

Met wilde dieren hebben we in Nederland een bijzondere verhouding. We steggelen wat af over waar dat wild nog wonen mag, over bijvoeren in schrale winters en afschot van overschot. Er zijn zelfs mensen die er louter voor het plezier op jagen en daar word ik altijd een beetje ongerust van. Dieren doden voor de lol, nogmaals, dat zegt wat over iemands psychische gezondheid. 
Dat jagen, dat mag op sommige dieren wel en op sommige dieren niet. Voor de dieren die bejaagd mogen worden geldt een jachtseizoen. Jagen mag niet ’s nachts en niet op reeds uitgeputte dieren, want dat is niet “sportief”. 
Ook op zondag, nieuwjaarsdag, tweede paas- en pinksterdag, beide kerstdagen en Hemelvaartsdag mag er net gejaagd worden, het wild is kennelijk op haar zondagsrust gesteld. 
Dat is al met al niet zo’n fraaie stand van zaken, nietwaar? Daar staan we dan, op het oog een van de beschaafdste landen ter wereld, met ons goeie fatsoen. 
Nog een fijne Dierendag hoor. 

Rotmens

Hij kijkt vanaf de kast met grote, groen oplichtende ogen op me me neer en is als de dood van me. Wanneer ik op een stoel klim en dichterbij kom drukt hij zich tegen de muur achter hem. Hij laat zijn tanden zien en blaast en als ik mijn hand dichterbij beweeg haalt hij uit. Hij slaat een gat in de lucht, gelukkig is hij nog niet zo ver dat hij zijn nagels daadwerkelijk in mijn vlees bedoelt te slaan.

We zijn twee dramatische bezoeken aan de dierenarts verder en zijn vertrouwen in mij, waar ik twee jaar lang mijn stinkende best voor heb gedaan om dat op te bouwen, is daarmee als sneeuw voor de zon verdwenen. We zijn bijna terug bij af.

Ik heb hem en zijn broer uit het asiel. Ze waren tien weken oud en zaten daar toch alweer even. In beslag genomen bij iemand, die hen voorgoed voor de mensheid verziekt heeft. Hun rare al te korte en broze vacht sprak van ondervoeding, hun angstige gedrag van erger. Ik zat ziek thuis, met “mentale problemen” zoals ze dat zo netjes plegen te zeggen, en ik had meer dan genoeg tijd omhanden om een waar project van die twee kleine grijze bangeriken te maken. Ik heb ze wekenlang uit de hand gevoerd. Van de twee was hij mijn grootste succes, zijn broer is zijn gereserveerdheid jegens mensen nooit kwijt geraakt.

Dat hij nu weer gealarmeerd bijna keffend miauwt als hij mij aan ziet komen breekt mijn hart. Relaxt in zijn mandje liggen is er niet meer bij, als hij slaapt dan is dat op die hoge kast – ver buiten mijn bereik. Ik ben het rotmens dat hem tot twee keer toe heeft gevangen en hem in een transportkooi heeft gestopt. Hem daarin heeft afgeleverd bij de dierenarts en hem daar heeft achtergelaten.

Het kleine pilletje in mijn broekzak blijft dus nog even zitten waar het zit. Dit is geen doen. Ik heb die kleine pilletjes al verstopt in alles wat hij maar lekker vindt, ze vermalen in exquise lekkernijen, maar hij laat zich niet foppen. Hij is twee en een half jaar oud en in zijn kleine lijf woekert een lymfoom. Het ding is al twee centimeter groot, ik heb het zelf op de echo gezien. Net als de sterk verdikte darmwand, die buikpijn verraadt. Dat kleine pilletje in mijn broekzak is zijn enige kans op remissie.

Ondertussen is hij onzindelijk en poept en plast overal in huis. Twee weken lang was hij aan de dunne en de pijn in zijn buik heeft hem waarschijnlijk van zijn kattenbak verjaagd. Hij is gewoon op zoek geweest naar een plekje waar het poepen hem geen zeer deed en ik kan er dan ook niet boos om worden. Moedeloos, dat wel. Je staat ook wel even raar te kijken wanneer je zo’n plakkaat in de trommel van je wasmachine vindt. Om nog maar niet te spreken van de plasjes op mijn bed. Er staat nu een nieuw bed. De slaapkamer is nu dan ook verboden terrein voor katten.

Ik vis het pilletje uit mijn broekzak en stop het terug in het doosje. Ik voel me een rotmens en grien er een potje om. Het lucht niet op.

Klein leed

De Rode Duivelin was al tijden niet zo duivels meer. Het rode katje, voorheen berucht vanwege haar luide protesten bij alles wat haar maar niet aanstond en haar rancuneuze wraakzucht, is binnen een tijdbestek van een paar weken gemetamorfoseerd in een bejaard en fragiel schepseltje. Dementerend plaste ze op de verkeerde plekken. Falende niertjes maakten dorstig en dus stonden er werkelijk overal glaasjes water voor de poes. In de keuken, de badkamer en zelfs op de eettafel. Het Beest was inmiddels graatmager, wankel op de pootjes en leek pijn te hebben.

Voorzichtig opperde ik euthanasie. Mijn mams had er moeite mee. Zo’n definitief besluit over zo’n klein leventje. Misschien wordt het nog wel weer wat beter. Misschien slaapt ze vanzelf wel in, dat is toch de mooiste dood. Mag ze dat ook niet op haar eigen tijd doen?

Ik begrijp wat mijn moeder eigenlijk bedoelt. Ze houdt van het monster en het afscheid valt haar zo zwaar. Mijn moeder is ook de enige mens waaraan de Rode Duivelin het kleine kattenhart ooit aan heeft verpand. Dat schept een bijzondere band. Het is een gewetenskwestie, zeker, maar ook een van het hart.

Toch staan we nu samen in de behandelruimte van de plaatselijke dierenarts. Op de tafel zit de Rode Duivelin. Stijf en stram, maar door de vreemde omgeving en het blaffen van een hond is ze wel alert. We doen het relaas aan zichtbare klachten, maar de dierenarts heeft met een blik op het poezenbeest al gezien hoe laat het is. De moeizame buikademhaling, die benauwdheid verraadt. Staar. Het fragiele ruggengraatje, door de magerte zichtbaar onder het mottige vachtje. Voor ouderdom bestaat geen medicijn.

De eerste injectie, die het katje in de zalige onwetendheid van Morpheus’ armen zal doen wegzakken, wordt onder luidkeels gemopper toegediend. De dierenarts laat ons alleen, terwijl het slaapmiddel langzaamaan zijn werk begint te doen. Mijn moeder aait, stilletjes huilend, de Rode Duivelin over het knikkebollende kopje. Ik kan haar verdriet slecht aanzien en sta al gauw ook te snikken. Een injectie in het hartje en het is direct over, het is een zachte dood. Er was ook niet veel meer voor nodig.

Eenmaal weer thuis help ik het grafje te graven, in de tuin. Ik zorg voor een wijntje en troost-toastjes en samen komen we even bij. Het geweten van mijn moeder knaagt nog steeds. Was het niet te vroeg? Was het niet te laat? Is ze zeker weten echt wel dood, daar in de koude grond?

Mams zet de televisie aan, ze wil het er niet meer over hebben. Mijn gedachten dwalen af. Naar de huisarts uit Tuitjenhorn en diens terminale kankerpatiënt. Naar de man die zijn 99-jarige moeder bij zelfdoding hielp, omdat ze zo klaar was met het leven. Ze deed drie keer een beroep op haar huisarts, die haar drie keer ‘nee’ verkocht. De relativiteit van autonomie, zelfbeschikking, als het om de dood gaat. De gewetensvraag over kwaliteit van leven en kwaliteit van sterven.

Het kleine zwartje

Ik ben de gelukkige bezitster van drie katten. De jongste telgen zijn twee potige grijze broers, een jaar oud inmiddels, en de oudste is een zwart dametje. Althans, bijna-zwart want er prijken wat witte haren op haar buik. Ook heeft ze welgeteld één enkele witte snorhaar. Die heeft ze sinds kort, een wonderlijk gegeven dat ik aan de stress wijt; de broers plagen haar graag. Het zal het kattenequivalent zijn van grijze haren.

Vandaag werd mijn trio, geen van alle van het heldhaftige soort, ernstig opgeschrikt door de komst van twee verwarmingsmonteurs. Twee heren, een wat oudere blanke man en een grote donkere. De eerste brak zijn nek zo wat over een voorbijflitsende zwarte schicht, de tweede werd lelijk toegeblazen door een grijze onverlaat, die zijn heil vervolgens schielijk onder de bank zocht. Ik heb beide heerschappen uiteraard netjes excuus gemaakt voor het wangedrag van mijn kattenkroost.

Wanneer er vreemden in huis zijn blijft mijn kattenspul graag onzichtbaar. Je weet immers maar nooit wanneer zo’n mens het onzalig idee opvat je aan te willen halen.

Omdat de heren monteurs zo af en toe in en uit liepen om gereedschapjes en onderdelen uit hun auto te halen heb ik hen netjes gevraagd de voordeur achter hun derrière te sluiten; ik heb namelijk liever niet dat mijn kattentrio een kattenduo wordt.

Nu staan mannen er notoir om bekend dat ze niet luisteren. Vooral niet naar vrouwen. Dat neem ik ze niet kwalijk, dat is een biologisch gegeven. Een man moet namelijk zijn gehele brein aan het werk zetten om het complexere geluid van een vrouwenstem te duiden en daar wordt ‘ie moe van. Mannen onder elkaar hebben maar een enkele hersenkwab nodig, want mannengeluid is lang zo complex niet.

Goed, het mannenbrein filtert vervolgens ook nog eens naar believen het hogere, schellere geluid van die vrouwenstem weg. Dat is wel zo efficiënt, zeg maar. Opvallend genoeg kunnen mannen ’t dan weer wel aan een vrouwenstem horen wanneer zij menstrueert. De evolutie steekt wat dat betreft toch maar mooi in elkaar, want wanneer de dames op hun humeurigst zijn praten ze ook met een stemgeluid dat een fractie ruwer en lager is.

Mannen luisteren dus negen van de tien keer écht niet.

Dit tweetal was geen uitzondering en in de paar seconden die ik nodig had om de wasmachine aan te zetten was het gepiept. Met de poort wijd open zag ik de bui al hangen. Snel heb ik de deur dicht gedaan en ben ik mijn feliene vrienden gaan tellen. Een grijs smoelwerk met grote angstogen op de linnenkast. Eén. Nog een grijs gezichtje dat me van onder de bank paniekerig aanstaarde. Twee. Alle bekende verstopplekjes heb ik afgezocht, maar al wat ik verder vond, het was niet het zwarte kattensmoeltje met de witte snorhaar.

De donkere meneer stond al weer aan te bellen toen ik de andere meneer vroeg of “hij dat kleine zwartje niet had gezien?” Zul je zien, werkte dat mannenbrein opeens toch op volle toeren. Een booskijkende monteur stapte weer binnen; “Ik ben helemaal niet klein!”

Het kleine zwartje? Dat kwam met het vertrek van beide meneren weer tevoorschijn. Waar ze nou zat, ik weet het nog steeds niet.