Schijnheilig III

Vandaag verklaarde paus Franciscus Agnes Gonxha Bojaxhiu, u waarschijnlijk beter bekend als Moeder Teresa, heilig. De kleine, fragiel ogende vrouw met het zuinige mondje en de diepliggende ogen, altijd gehuld in de haar zo kenmerkende witte sari met de blauwe biezen.

Agnes Gonxha Bojaxhiu (Skopje, 26 augustus 1910) was een telg van een Albanees-katholiek gezin in wat nu Macedonië heet. Toen zij 17 jaar was besloot ze in te treden in de orde van Onze lieve vrouw van Loreto in Rathforman, in Ierland.

Calcutta

Op haar achttiende vertrok ze naar een missiepost in het Indiase Calcutta, waar ze lerares aardrijkskunde en geschiedenis werd aan een nonnenschool, St. Mary’s school voor arme meisjes uit de sloppenwijken van Calcutta. Het was in Calcutta dat ze de naam aannam waaronder wij haar nu kennen: Teresa, naar Theresia van Lisieux.

In Calcutta werd Moeder Teresa geconfronteerd met het lot en lijden van de armsten onder de armen, de daklozen, paria’s, zieken en stervenden en zwervende kinderen in de vele sloppenwijken. Met toestemming van paus Pius XII verliet zij in 1946 haar klooster om zich over de armen, de verschoppelingen en de zieken te bekommeren. Ze gaf op straat les aan kinderen, begon een huisapotheek en ving stervende mensen op in een oud gebouw, dat ze van de stad voor dat doel gebruiken mocht.

Imperium

In 1950 stichtte ze haar Congregatie van de Missionarissen van Naastenliefde. Deze orde voor zusters begon haar werk in Calcutta: liefdewerk in de christelijke traditie van naastenliefde, soberheid en zelfopoffering en diep verankerd in de katholieke leer. Binnen een halve eeuw groeide Moeder Teresa’s eenvrouwsmissie uit tot een waar imperium, met bijna vijfduizend zusters en broeders in 133 verschillende landen. De orde stichtte adoptiecentra, weeshuizen, sterfhuizen, mobiele doktersposten en opvang voor leprozen en aidspatiënten.

Ziek

Al snel bleek Moeder Teresa er ook bepaald vreemde denkbeelden op na te houden. Ze hechtte niet alleen ontzettend aan de katholieke opvattingen over zaken als scheiding, abortus en geboortebeperking, maar ze hield er ook ziekelijke noties op na over het lijden van de mensen, wiens zorg zij op zich genomen had: Door te lijden komen mensen dichter bij Christus, pijn is de wil van god en veel bidden is het beste medicijn. Haar orde werd een lijdenscultus.

Dankzij die ideologie was onder andere in de sterfhuizen zijn de omstandigheden ronduit erbarmelijk. De stervenden kregen niet de zorg die zij nodig hadden, meer pijnmedicatie dan paracetamol werd er niet uitgedeeld, er was niet voldoende eten en het was er vies. Naalden werden zonder ze te steriliseren hergebruikt. Moeder Teresa instrueerde haar ordezusters de stervenden stiekem te dopen, ongeacht hun geloof.

Dat terwijl de orde geen gebrek aan geld had, de donaties stroomden binnen. Toen Moeder Teresa daarmee geconfronteerd werd, onder anderen door ex-novices en voormalig vrijwilligers, zei ze: “Er is iets moois in het zien van de armen die hun lot accepteren, om te lijden zoals de Passie van Christus. De wereld verkrijgt veel van hun leed.” 

Nobelprijs voor de Vrede

In 1979 ontving Moeder Teresa de Nobelprijs voor de Vrede voor al haar werk. Ze had inmiddels zo’n heldenstatus en was zo’n iconisch figuur dat de op haar geuite kritiek kennelijk geen beletsel was, die moet van haar afgegleden zijn als water van een eend.

In haar ontvangstspeech dankte en loofde ze god en ze vertelde de wereld over hoe liefde geen liefde kan zijn als hij geen pijn doet.

How can you love God whom you do not see, if you do not love your neighbour whom you see, whom you touch, with whom you live. And so this is very important for us to realise that love, to be true, has to hurt. It hurt Jesus to love us, it hurt him. 

Ze sprak haar ontsteltenis uit over de eenzaamheid van verdrietige ouderen in luxe tehuizen. Ach, en dat terwijl in haar Calcutta zelfs de stervenden glimlachten!  En dan de westerse verslaafde jongens en meisjes, verslaafd en eenzaam omdat hun ouders geen tijd voor ze hadden. Ze greep dat aan om de wereld te wijzen op het grootste gevaar voor de vrede: abortus. Enorme aantallen kinderen mogen dan wel omkomen door honger, in India, in Afrika, maar hun aantallen van in het niet bij de miljoenen kinderen die door hun eigen moeders om het leven gebracht worden. En weet u wat, wereld? Zij en de haren vechten tegen abortus door adoptie mogelijk te maken.

These are things that break peace, but I feel the greatest destroyer of peace today is abortion, because it is a direct war, a direct killing – direct murder by the mother herself.

Terug naar het sterfhuis

Als Robin Fox, editor van The Lancet, in 1991 het sterfhuis in Calcutta bezoekt schrikt hij van de omstandigheden en het gebrek aan zorg. Zijn verslag is ontluisterend. Er zijn te weinig artsen en dus beslissen nonnen en vrijwilligers, niet zelden volledig gespeend van enige medische kennis, over de te verlenen medische zorg. Hij ontdekt dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen patiënten die ten dode opgeschreven zijn en patiënten met behandelbare aandoeningen. Mensen met een kans van overleven, op genezing krijgen die niet, doordat hen medische zorg onthouden wordt.

Nogmaals; het was niet zo dat de Congregatie van de Missionarissen van Naastenliefde geen geld had voor goede zorg. Zij kreeg en krijgt enorme sommen gelds gedoneerd. Moeder Teresa schroomde zelfs niet (gestolen) geld aan te nemen van buitengewoon dubieuze lieden zoals de Haïtiaanse dictator Jean-Claude Duvalier en de Amerikaanse bankier en fraudeur Charles Keating. Die middeleeuwse omstandigheden waren onnodig, maar lijden brengt de mensen dichter bij god
Zelf werd Moeder Teresa zodra ze wat mankeerde in een privékliniek verzorgd, kreeg een pacemaker om haar leven te verlengen, en aan het eind van haar leven kreeg ze zorg in een modern Amerikaans ziekenhuis. Ze stierf in 1997 aan een hartaanval. 
Over Moeder Teresa zei paus Franciscus vanochtend op het Sint-Pietersplein: “Zij was toegewijd aan de verdediging van het leven.” Dat was ze dan uiterst selectief. 

De zalige Pillenpaus

In  Rome is de Bisschoppensynode over ´De pastorale uitdagingen voor het gezin in het kader van de evangelisatie’, die op 5 oktober begon, beëindigd. De 250 belegen deelnemers mochten zich, op verzoek de paus en zonder diens verdere bemoeienis, beraden over heikele onderwerpen als het gezin, seksualiteit, abortus, contraceptie, homoseksualiteit en echtscheiding. ‘Revolutionair’ zeiden de optimisten roemend én voorbarig.

Ikzelf ben helaas zo optimistisch niet ingesteld. In beginsel had ik er mijn twijfels al bij, omdat vrouwen en homoseksuelen natuurlijk niet uitgenodigd werden bij deze ‘raadgevende vergadering’, maar soit, wat weten die nou helemaal van gezinnen, seksualiteit en de liefde? Geheel in lijn met de aard van het instituut wordt er wel over de mensen gesproken en geoordeeld, maar worden ze zelf niet gehoord.

De agendapunten betreffen daarnaast zaken waar deze mannen zelf part noch deel aan hebben, als het goed is zijn de heren bisschoppen immers allemaal netjes celibatair en leven ze volledig losgezongen van de realiteit in hun ivoren klokkentorens.

Namens de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerk schoof kardinaal Wim Eijk, de aartsbisschop van Utrecht, aan. Dat is de man die in het verleden aan priesterstudenten gedoceerd moet hebben dat homoseksualiteit een ‘neurotische ontwikkelingsstoornis’ is en homo’s elkaar niet kunnen liefhebben. Hij wilde zijn achterban ook niet vertellen welk standpunt hij van zins was om in te nemen. Van deze man verwachtte ik dus ook al weinig, ook al is hij afgezant van een van de meest progressieve landen ter wereld.

De aardverschuiving, waar de optimisten al met ingehouden adem op zaten te wachten, kwam er uiteraard niet. De Katholieke Kerk blijft mordicus tegen homoseksualiteit, ongehuwd samenwonen en mensen die willen hertrouwen na een scheiding.

Vandaag wordt Paus Paulus VI zalig verklaard, op de laatste dag van de Bisschoppensynode. Dat is de paus die de Bisschoppensynode instelde en met de encycliek Humanae Vitae (1968) het gebruik van anticonceptie verbood. De uitkomst van die synode is dan ook geheel in zijn geest.

Hij was het ook die aartsconservatieven Ad Simonis en Jo Gijsen tot bisschop wijdde, want wat het Vaticaan betreft was Nederland in die tijd een zieke kerkprovincie waar nodig orde op zaken gesteld moest worden. Een lastige luis in de roomse pels, waar men openlijk de rigide regels van Rome over zaken als geboorteregeling en het celibaat aan de kaak stelde. Een klein landje dat bol stond van een vervelende vernieuwingsdrang en waar vrouwen het gore lef hadden baas in eigen buik te willen zijn.

Bisschop Gijsen, die kent u vast nog wel, was uitgesproken tegen abortus en voor het celibaat. Hij had ook aparte ideeën over naastenliefde: “Anders komen we tot valse naastenliefde. Zoals ouders die hun kinderen te veel verwennen. Of een dokter die zegt dat hij een vrouw helpt door een ongewenste zwangerschap te beëindigen. Dat kan nooit uit echte naastenliefde gebeuren. Het doden van ongeboren leven is immers gruwelijk intolerant.” Zijn bisdom, Roermond, heeft inmiddels schoorvoetend moeten erkennen dat wijlen monseigneur Gijsen met al zijn naastenliefde twee kinderen misbruikt heeft.

De bisschoppen in Rome lieten gisteren de volgende boodschap (vertaald door het Katholiek Nieuwsblad) uitgaan:

“Wij, synodevaders, die verzameld zijn in Rome rondom paus Franciscus voor de buitengewone bisschoppensynode, wenden ons tot alle gezinnen op de verschillende continenten, en in het bijzonder tot hen die Christus volgen, die de weg de waarheid en het leven is. Wij spreken onze bewondering en dankbaarheid uit voor het dagelijkse getuigenis dat u aan ons en de wereld schenkt met uw geloof, uw hoop en uw liefde.

Ook wij, herders van de kerk, zijn geboren in een gezin en opgegroeid met de meest uiteenlopende verhalen en gebeurtenissen. Als priesters en bisschoppen hebben we gezinnen ontmoet en leefden we aan hun zijde. Met hun eigen woorden en door hun daden hebben ze ons veel mooie dingen laten weten, maar ook problemen.

De voorbereiding van deze synodale vergadering heeft ons, uitgaand van de antwoorden op de naar alle kerken in de wereld gestuurde vragenlijsten, in staat gesteld te luisteren naar de stemmen van de vele ervaringen in de familie. Het gesprek gedurende de dagen van de synode heeft ons wederzijds verrijkt en hielp ons om te kijken naar de hele levendige en complexe werkelijkheid, waarin de gezinnen leven.

Wij bieden u de woorden van Christus aan: “Ik sta aan de deur en ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.” (Openbaringen 3:20). Zoals Jezus gewoonlijk tijdens zijn tocht over de wegen van het Heilige Land de huizen van de dorpen binnenging, zo gaat hij ook vandaag nog over de straten van onze steden. In uw huizen zijn er licht en schaduw, enthousiasmerende uitdagingen, en soms dramatische beproevingen. De duisternis wordt nog sterker, tot zwartheid toe, als het kwaad en de zonde het hart van het gezin binnendringen.

Er is allereerst de grote uitdaging van de huwelijkstrouw. Het leven van het gezin wordt gekenmerkt door een verzwakking van het geloof en van waarden, door individualisme, een verschraling van relaties en een hectische stress, die niet tot bezinning laat komen.

Zo ontstaan er niet weinig echtelijke problemen, die vaak haastig worden aangepakt, zonder de moed tot geduld, tot rustige beoordeling, tot wederzijdse vergeving, tot verzoening en zelfopoffering. Mislukking leidt op die manier tot nieuwe verhoudingen, nieuwe paarvorming, nieuwe verenigingen en nieuwe huwelijken. Dit brengt gezinssituaties voort die complex zijn en christenen voor problematisch beslissingen plaatsen.

Onder deze uitdagingen moeten we de problemen van het leven zelf vermelden. Denken we aan het lijden, dat een kind met een handicap, een ernstige ziekte, de geestelijke achteruitgang op oudere leeftijd, of de dood van een geliefde kunnen betekenen De grootmoedige trouw van veel gezinnen is bewonderenswaardig, die door deze beproevingen met moed, geloof en liefde heen leven, doordat zij die niet als een last opvatten die hun wordt opgelegd, maar als iets dat hun gegeven aan wordt, en waarbij ze zichzelf geven, door de lijdende Christus in dat zieke lichaam te zien.

Laten we denken over de economische moeilijkheden, veroorzaakt door perverse systemen, door het “fetisjisme van het geld en in de dictatuur van een economie zonder gezicht en zonder een echt menselijk doel (Evangelii gaudium, 55), die de waardigheid van de mens schendt. Denken we aan de vader en moeder die werkeloos zijn, machteloos tegenover de basisbehoeften van hun gezin en aan de jongeren die voor een lege en perspectiefloze toekomst staan en slachtoffers kunnen worden van de aberraties van drugs en geweld.

Denk ook aan de talloze arme gezinnen, aan degenen die zich vasthouden aan een scheepsplank om een doel tot overleving te bereiken, aan de gevluchte gezinnen die zonder hoop in de woestijnen dwalen, aan hen die enkel om hun geloof en hun geestelijke en menselijke waarden worden vervolgd, aan wie door de wreedheid van oorlogen en door onderdrukking getroffen worden. Denk aan de vrouwen die geweld ervaren en aan uitbuiting worden onderworpen, aan de mensenhandel, aan de kinderen en jongeren die het slachtoffer worden van misbruik, en ten slotte aan degenen die hen daadwerkelijk zouden moeten beschermen en opvoeden in het geloof, en aan de leden van veel gezinnen die worden vernederd of in de problemen zitten. “De cultuur van welvaart verdooft ons (…), terwijl al deze wegens gebrek aan mogelijkheden onderdrukte levens zich als een louter schouwspel aan ons voordoen, dat ons op geen enkele manier schokt.” (Evangelii gaudium, 54). Wij roepen de regeringen en internationale organisaties op om de rechten van het gezin ten behoeve van het algemeen welzijn te bevorderen.

Christus heeft gewild dat de Kerk een huis is met een altijd open, gastvrije deur, zonder iemand uit te sluiten. Wij zijn dan ook de herders, de gelovigen en de gemeenschappen dankbaar, die hulp geven om te zorgen voor de innerlijke en sociale wonden van echtparen en gezinnen.

Er is echter ook licht, dat ’s nachts oplicht achter de ramen van de huizen in de steden, in de eenvoudige woningen van buitenwijken of in de dorpen, en zelfs in de hutten: Het schijnt en verwarmt het lichaam en de ziel. Dit licht, in het huwelijksleven van het echtpaar, wordt ontstoken in de ontmoeting: Het is een gave, een genade, die wordt uitgedrukt – zoals Genesis zegt (2,18) – wanneer zij elkaar in de ogen kijken, en een “hulpe” vinden , “die passend is”, dat wil zeggen, op gelijke basis en wederzijds. De liefde tussen man en vrouw leert ons dat elk van beiden de ander nodig heeft om zichzelf te zijn, zelfs als hij in zijn identiteit van de andere verschilt. Deze liefde opent en openbaart zich in de wederzijdse zelfgave. Dit brengt het Hooglied der Liefde op indrukwekkende wijze tot uitdrukking. “De Geliefde is van mij en ik ben van hem.” (Hooglied 2:16).

De weg om deze ontmoeting authentiek te laten zijn, begint met de verloving, een tijd van verwachting en voorbereiding. Die verwerkelijkt zich in de volheid van het sacrament, waar God zijn zegel opdrukt, zijn aanwezigheid en zijn genade. Deze weg kent ook de seksualiteit, de tederheid, de schoonheid die ook verder gaan dan de energie en jeugdige frisheid. De liefde heeft vanuit haar aard de neiging voor altijd te zijn, zelfs tot het geven van je leven voor de persoon die je liefhebt (vgl. Joh 15:13). In dit licht blijft de echtelijke liefde één en onverbrekelijk, ondanks alle moeilijkheden van menselijke beperkingen; het is een van de mooiste geheimen, ook al is het het meest voorkomende.

Bij deze weg, dat soms een bergpad is met moeilijkheden en valkuilen, heeft men altijd de tegenwoordigheid en de leiding van God. Het gezin ervaart dit in de genegenheid en de dialoog tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, tussen broers en zussen. Dan leven ze in het gemeenschappelijke luisteren naar Gods Woord en in het gebed; een kleine spirituele oase, die je dagelijks voor even moet scheppen. Ten slotte is er de dagelijkse plicht van het onderwijs in het geloof en het goede en mooie leven van het Evangelie, in heiligheid. Deze taak wordt vaak met veel liefde en toewijding uitgeoefend en gedeeld door de grootmoeder en grootvader. Zo blijkt het gezin een authentieke huiskerk, die de gemeenschap van de Kerk groter maakt. De christelijke echtelieden zijn ten slotte geroepen leraren in het geloof te zijn en in de liefde ook voor andere jonge koppels.

Er is eindelijk een andere uitdrukking van de broederlijke gemeenschap en dat is die van de naastenliefde, het geschenk, de nabijheid tot de laatsten, de verschoppelingen, de armen, de alleenstaanden, de zieken, de vreemdelingen, de gezinnen in crisis, in het bewustzijn van de woorden van de Heer: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen” (Handelingen 20:35). Het is het schenken van goederen, van kameraadschap, liefde en barmhartigheid, en ook van het getuigenis van de waarheid, van het licht en van de zin van het leven.

Het hoogtepunt, dat al Gods kinderen verzamelt en verenigt in gemeenschap met God en de naaste is de zondagse eucharistie, wanneer het gezin zich met heel de Kerk aan de tafel des Heren zet. Hij geeft zich aan ons allen, wij die in de geschiedenis op pelgrimstocht naar de laatste ontmoeting zijn, “Christus is alles en in allen.” (Kolossenzen 3:11). Daarom hebben we op de eerste etappe van onze synodale weg nagedacht over de pastorale begeleiding en het toelaten tot de sacramenten van hertrouwd gescheidenen.

Wij, synodevaders, vragen u gemeenschappelijk met ons naar de volgende synode toe te leven. Moge over jullie de aanwezigheid waken van het gezin Jezus, Maria en Jozef in hun eenvoudige woning. Ook wij sluiten ons aan hij het gezin uit Nazaret, en bidden tot de Vader van allen voor de gezinnen op aarde.

Vader, schenk alle gezinnen de aanwezigheid van sterke en wijze echtelieden, zodat zij een bron worden van vrije en hechte gezinnen.

Vader, geeft aan ouders een huis waar ze in vrede met hun gezin kunnen leven.

Vader, laat zonen en dochters teken van vertrouwen en hoop zijn, en schenk aan jongeren de moed voor een hechte en trouwe relatie. Vader, geef allen dat zij hun brood met hun eigen handen kunnen verdienen, dat ze innerlijke vrede genieten en de fakkel van het geloof levend houden in de duisternis van de tijd.” 

Wat ik al zei: losgezongen van de realiteit. Ik heb me vaak afgevraagd hoeveel aidsdoden en aidswezen er minder hadden kunnen zijn, wanneer dat zotte verbod condooms te gebruiken van de tafel zou zijn geveegd toen HIV en aids om zich heen begonnen te grijpen.

Gezinnen die al in armoede leven zijn in veel gevallen juist gebaat bij geboortebeperking. Mensen moeten ook nadenken over hoeveel monden ze kunnen voeden en verdienen de volledige vrijheid daar een weloverwogen keuze in te maken.

Huwelijkse trouw is een prachtig principe, daar dromen we allemaal vast wel van, maar het blijkt in de praktijk voor veel mensen onmogelijk vol te houden. Een nieuwe liefde is natuurlijk ook niet de enige reden om een huwelijk te beëindigen, er zijn er zo veel. Waarom zou bijvoorbeeld een slachtoffer van huiselijk geweld geen ander, geweldloos huwelijk zijn gegeven?

Marga Klompé

Op 13 oktober 1956 werd Marga Klompé de eerste vrouwelijke minister van Nederland, in het kabinet Cals. Morgen dus op de kop af 58 jaar geleden. Ze bekleedde de post van minister van Maatschappelijk Werk. Marga Klompé was daarnaast ook de eerste vrouwelijke Nederlandse afgevaardigde binnen het Europese Parlement. In 1971 werd zij benoemd tot Minister van Staat, opnieuw als eerste vrouw.

Marga Klompé werd op 16 augustus 1912 geboren te Arnhem. Ze was buitengewoon intelligent, energiek, nuchter, plichtsgetrouw. Ze was doortastend, bezat een uitstekend analytisch vermogen en was steevast de slimste van de klas op de HBS-B.

Ze studeerde scheikunde en promoveerde in de wis- en natuurkunde. Daarna begon ze nog aan een studie geneeskunde, die ze na het behalen van haar propedeuse af moest breken omdat de universiteit als gevolg van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gesloten werd. Dat moet haar erg hebben verdroten, Marga Klompé droomde ervan huisarts te worden. Ze viel terug op haar studie scheikunde en van 1932 tot 1949 was ze, naar verluid evengoed met buitengewoon veel plezier, lerares scheikunde.

Klompé, die van huis uit een christelijke apologetische opvoeding genoten had, kwam door al hetgeen zij tijdens haar studie leerde rond haar twintigste levensjaar in een geloofscrisis terecht. Als gevolg daarvan heeft zij een paar jaar buiten de kerk geleefd, maar ze hervond haar geloof in de mystiek van het katholicisme. Ze moet diepgelovig uit haar geloofscrisis zijn gekomen, waarbij ze een blijvend respect voor andere vormen van geloofsbeleving opdeed.

De Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Marga Klompé actief in het verzet. Ze was koerierster en was lid van het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers. In die hoedanigheid is ze, bij de inval van de Duitsers in 1940, bij de gevechten op de Grebbeberg geweest waar ze gewonden verpleegde. In 1943 werd zij vice-presidente van de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers en dat zou ze tot 1953 blijven. Tijdens de evacuatie van Arnhem, die door de Duitse Wehrmacht gegeven op 23 september 1944 werd bevolen heeft Marga Klompé een actieve rol gespeeld.

Daarna moest zij onderduiken, onder de schuilnaam Truus ter Aken verbleef ze eerst in Otterloo en daarna in Apeldoorn. Toen Arnhem eenmaal was bevrijd, ijverde ze met de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers op het weer op gang brengen van het openbare leven. Ze werd meteen in mei 1945 lid van de Nederlandse Volksbeweging en later van de Katholieke Volkspartij (KVP).

Politiek leven

Naast de Tweede Wereldoorlog, die haar gehard heeft, waren ook de verkiezingen van 1946 een keerpunt in het leven van Marga Klompé. Er belandde geen enkele katholieke vrouw in de Tweede Kamer, tot ergernis van Marga Klompé die de stelligste overtuiging had dat vrouwen even geschikt zijn als mannen voor eender welke functie dan ook. Die rotsvaste overtuiging zou haar verdere politieke loopbaan mede bepalen. Samen met studievriendin Wally van Lanschot richtte Klompé derhalve in 1947 het Roomsch Katholiek Vrouwendispuut op.

In 1947 reisde Marga Klompé af naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, als lid van de Nederlandse delegatie. Daarbij liep ze in de kijker van een aantal van haar katholieke collegae, het Tweede-Kamerlid E.M.J.A. Sassen en het Eerste-Kamerlid prof. L.J.C. Beaufort, die haar voortvarend onder druk zetten om zich verkiesbaar te stellen voor de Tweede Kamer.

Ze moet daar niet al te veel animo voor gehad hebben, want ze koos voor een onverkiesbare plaats bij de verkiezingen van 1948. Dat heeft haar niet veel geholpen, op 12 oktober dat jaar werd haar gevraagd het Tweede Kamerlid Sassen te vervangen, omdat die tot minister van Overzeese Gebiedsdelen werd benoemd. Binnen de KVP-fractie kreeg Marga Klompé de verantwoordelijkheid over het buitenlands beleid.

Marga Klompé ontpopte zich als een bevlogen politicus en werd beroemd en berucht om haar soms koppige standvastigheid. Ze schroomde niet rake oordelen uit te spreken. Ze was een van de weinigen binnen de fractie de degens durfde kruisen met voorzitter C.P.M. Romme. Als Tweede Kamerlid hield ze zich voornamelijk bezig met Europese zaken, maar later ook met maatschappelijk werk en hoger onderwijs.

Rechtsgelijkheid voor vrouwen

In 1955 diende Corry Tendeloo een motie in tegen het Koninklijk Besluit, dat gehuwde vrouwen verbood bij de overheid werkzaam te zijn. Tot die tijd was het de normaalste zaak van de wereld dat een vrouw simpelweg verplicht was ontslag te nemen op het moment dat zij huwde. Met het aangaan van een huwelijk verloren vrouwen ook nog eens hun handelingsbekwaamheid – in wettelijke zin.

“De Kamer, gehoord de besprekingen over het KB van 13 september 1955, van oordeel, dat het hier niet op de weg van de Staat ligt de arbeid van de gehuwde vrouw te verbieden, nodigt de Regering uit de hiermee strijdende voorschriften te herzien.” 

Marga Klompé steunde de motie-Tendeloo, in tegenstelling tot de meerderheid van haar fractie. Een jaar later, tijdens het kabinet-Drees III, zou de handelingsonbekwaamheid voor vrouwen afgeschaft worden.

Eveneens in 1955 stemde Marga Klompé tegen een (uiteindelijk met een krappe meerderheid verworpen) amendement-Stokman, dat de gemeenteraad de bevoegdheid moest geven kleuterleidsters te ontslaan wanneer ze in het huwelijk traden. De meerderheid van haar fractie stemde voor, maar mevrouw Klompé hield opnieuw voet bij stuk.

Ministerschap

Op 13 oktober 1956 werd Marga Klompé dus minister van Maatschappelijk Werk, een relatief klein departement dat net vier jaar oud was. Zowel de minister als haar departement ondervonden geregeld aanzienlijke weerstand van zowel de Tweede Kamer als het kabinet.

Klompé geloofde ten stelligste in particuliere initiatieven maar vond ook dat een overheid rigoureus ingrijpen moest wanneer die faalden. Haar Wet op de bejaardenoorden uit 1963 en de Algemene Bijstandswet uit datzelfde jaar zijn daar schoolvoorbeelden van. Daarmee is zij een van de grondlegsters van de verzorgingsstaat.

Een voortzetting van het ministerschap zag mevrouw Klompé niet zitten en op 24 juli 1963 droeg zij haar portefeuille over, om terug te keren in de Tweede Kamer. In 1966, tijdens de ‘Nacht van Schmelzer’ deed ze mee met de stemming die het kabinet Cals deed sneuvelen. Ze stemde met pijn in het hart tegen J.M.L.Th. Cals, waarmee zij in de loop van de jaren innig bevriend was. Het belang van haart partij liet ze daarbij prevaleren.

De opvolger van meneer Cals, J. Zijlstra, vroeg Marga Klompé haar oude departement nog eenmaal op zich te nemen, voor de duur van een paar maanden. Het was inmiddels omgevormd tot het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). Marga Klompé zwichtte en werd opnieuw minister.

Ze werd in 1967 door haar fractie naar voren geschoven als mogelijke minister-president, maar daar vond ze zichzelf niet geschikt voor. Tijdens het kabinet-De Jong werd zij opnieuw gevraagd aan te blijven als minister en dat deed ze.

In 1971 staakte Marga Klompé haar politieke activiteiten. Datzelfde jaar, en wel op 17 juli, werd ze geëerd met de eretitel van minister van Staat. Ze was de eerste vrouw die deze eer te beurt viel.

Ze mocht dan niet meer actief zijn in de politiek, stilzitten deed Marga Klompé niet. Ze wijdde zich aan kerkelijk werk, als adviseur en bestuurslid van verschillende commissies en organisaties.

Halverwege de jaren tachtig werd Marga Klompé ziek, maar ze bleef doorwerken. Ze overleed op 28 oktober 1986, in Den Haag. Ze werd gecremeerd en haar as werd uitgestrooid over de wateren van de Noordzee.

Marga Klompé was een politiek zwaargewicht, bevlogen en welbespraakt. Zij wordt herinnerd om haar inzet ter bevordering van de mensenrechten en vrede, sociaal welzijn en de internationale sociale verantwoordelijkheid. Daar wil ik emancipatie graag nog aan toevoegen.

Zij is een van mijn Grote Vrouwen. Morgen is de verjaardag van haar aantreden als eerste vrouwelijke minister van Nederland.

Godsdienstwaanzin

Aan gekken geen gebrek. Of, zoals mijn oma zaliger al placht te zeggen: Er lopen er meer buiten dan er binnen zitten. Oma kon het weten, die maakte twee wereldoorlogen mee én ze heeft daarna jarenlang in het centrum van Rotterdam gewoond. Heerlijk op een terras, in het zonnetje gezeten, liet ze de parade van rare mensen aan zich voorbij gaan. Mensen kijken was haar hobby.

Het ligt waarschijnlijk aan mij, de media en het weer of het water – maar ik denk een aanmerkelijke stijging in de aantallen religieuze gekken te bespeuren. Ik wil u even lastigvallen met de oogst van een paar dagen.

Meest opvallend zijn natuurlijk de fanatici van de Islamitische Staat. Die lopen natuurlijk ook erg in de kijker, zo met hun gruwelijke onthoofdingsfilmpjes en de moord op Samira Saleh Al-Naimi.

Dichter bij huis is er onze eigen jeugd, waarvan een aantal zich geroepen voelt voor de jihad af te reizen naar Syrië, de Paradijsbestormers uit de polder.

Meneer Wilders, met zijn op bijna op religieuze wijze beleden afkeer van de islam, meen ik overigens ook wel in dit rijtje te kunnen plaatsen.

Ook in eigen land: Vandaag gaf mevrouw Lilian Janse van Vlissingse SGP een gek geluid.

VI Gij zult niet doodslaan
“Abortus is moord. Onder alle omstandigheden, behalve als het leven van de moeder in gevaar is. Ik begrijp de gemengde gevoelens wel – want wat nou als je bent verkracht, bijvoorbeeld? Ik geloof dat je dan alleen het kind in liefde kunt opvoeden. Dat kind is ook een deel van jou. Ik vind het, hoe dan ook, onvoorstelbaar dat je tegen God zou zeggen: ik hoef dit leven niet. Dat geldt dus ook voor euthanasie. Je sterft pas als God zegt dat het tijd is. Je mag genezing zoeken – in de Bijbel komen ook dokters voor – en als je ’s winters extra vitamine C neemt, zie ik niet in waarom je een baby niet tegen polio mag inenten, maar je mag niet zomaar zelf beslissen dat je leven wel lang genoeg heeft geduurd.
 

We mogen, volgens de Bijbel, wel besluiten om een einde te maken aan het leven van een moordenaar of een verkrachter. Van mij mag de doodstraf weer worden ingevoerd. Snel en niet extra pijnlijk of zo – het hoeft geen show op de markt te worden zoals in de Arabische wereld gebeurt. Ja, ook zíjn leven is van God gegeven, maar iemand die zulke gruwelijke dingen doet, heeft al zijn rechten verspeeld. Nu is het nog zo dat een zedendelinquent na een paar jaar al weer op straat staat, terwijl, bijvoorbeeld, de ouders van het verkrachte en gewurgde meisje in feite tot levenslang veroordeeld zijn. Dat druist in tegen elk gevoel van rechtvaardigheid. 

Het klinkt misschien hard, maar ik geloof dat ik – zolang ik het vreselijke lot van zijn slachtoffers maar in gedachten houd – zelf de beul zou kunnen zijn.”


Dat blijft een speciaal soort religieuze gekte, op je gods rechtersstoel klimmen. De doodstraf moet kunnen en mevrouw wil zelfs het beulszwaard ook nog zelf ter hand nemen, maar voor een verkrachtingsslachtoffer mag abortus geen optie zijn en voor een terminaal zieke, die alleen nog lijden te wachten staat, is euthanasie verboten. Je mag eigenlijk niet doodslaan maar soms toch wel, want mevrouws god zegt ‘t.

“Een vrouw kan volgens de Bijbel nu eenmaal geen dominee, ouderling of diaken worden. We mogen ook niet aanzitten bij vergaderingen van de kerk.”

Wat is dat toch met religieuzen en de discriminatie van vrouwen? Als vrouwen inmiddels toch al iets bewezen hebben, dan is het wel dat ze in het geheel niet onderdoen voor mannen. Ook niet op het intellectuele vlak.

In dezelfde categorie: In  Rome buigt sinds vandaag een commissie van 250 belegen mannen zich over onderwerpen als het gezin, seksualiteit, abortus, contraceptie, homoseksualiteit en echtscheiding. Zaken waar ze part noch deel aan hebben, als het goed is zijn de heren bisschoppen allemaal netjes celibatair. Namens de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerk schuift kardinaal Wim Eijk, de aartsbisschop van Utrecht, aan. Dat is de man die in het verleden aan priesterstudenten gedoceerd moet hebben dat homoseksualiteit een “neurotische ontwikkelingsstoornis” is en homo’s elkaar niet kunnen liefhebben.

Vrouwen zijn natuurlijk niet uitgenodigd bij deze “raadgevende vergadering”, maar soit, wat weten die nou helemaal van gezinnen, seksualiteit en de liefde?

Afgelopen week maakte ook een groep ultra-orthodoxe joden stennis, vlak voor en tijdens een vlucht van New York naar Tel Aviv. Dit herrenvolk, een van Israëls minderheden, wil pertinent niet naast ‘vreemde vrouwen’ zitten. In Israël zijn er daarom “mehadrin” bussen en buslijnen. Vrouwen dienen achterin de bus in te stappen en mannen voorin. Busmaatschappij Egged, die voorziet in openbaar busvervoer, drijft een aantal van die sekse gesegregeerde buslijnen in de Charedische buurten van Jeruzalem. Deze vorm van openbare en geïnstitutionaliseerde discriminatie mag, zelfs van het Israëlisch Hoge Gerechtshof. Tenminste, zo lang de dames zich maar zonder geweld en zonder dwang naar de achterzijde van de bus laten bonjouren.

Eenmaal in het vliegtuig bleven de heren narrig in het gangpad staan. Ze probeerden van stoelen te ruilen en ze boden daarbij hun medepassagiers zelfs geld aan. Toen ze hun zin niet kregen zijn ze alsnog op de hen toegewezen plaatsen gaan zitten. Tot het vliegtuig was opgestegen, that is, toen begon het zeloot gezeur opnieuw.

Moet u zich eens voorstellen dat blanke passagiers zich zo gedragen hadden ten opzichte van gekleurde passagiers. Dat we gekleurde buspassagiers weer achterin de bus zouden laten plaatsnemen met als argument dat het prima is hen te discrimineren omdat god het zegt of omdat ze zich die discriminatie “vrijwillig” aan laten leunen.

Is het niet gewoon hoog tijd dat we religieus fanatisme definitief opnemen in de DSM-5?

Schijnheilig II

Joannes Gijsen werd op 13 februari 1972 door paus Paulus VI in eigen persoon tot bisschop gewijd. De paus sommeerde kardinaal Bernardus Alfrink voor die gelegenheid naar Rome af te reizen en dwong de kardinaal Joannes Gijsen de handen op te leggen. 

Wat het Vaticaan betreft was Nederland in die tijd een zieke kerkprovincie. Een lastige luis in de roomse pels, waar men openlijk de rigide regels van Rome over zaken als geboorteregeling en het celibaat aan de kaak stelde. Een klein landje dat bol stond van een vervelende vernieuwingsdrang en waar vrouwen het gore lef hadden baas in eigen buik te willen zijn. De paus benoemde twee “rechtzinnige” mannen, Joannes Gijsen en Ad Simonis, tot bisschop om orde op zaken te stellen in dat opstandige kikkerlandje. 

Joannes Gijsen was aartsconservatief. In zijn bisdom leerde men hem daarnaast kennen als een onverzettelijk en kil man. Homoseksualiteit vond hij tegennatuurlijk en hij was strikt voor het celibaat. In lijn met Rome nam hij stelling tegen abortus en euthanasie. Kort na zijn aanstelling in Roermond haalde hij uit naar de politiek: 

Een katholiek politicus die meewerkt aan de legalisering van abortus moet op zijn minst eens nagaan of zijn geweten nog wel goed gevormd is.” 

Tijdens een interview in 2000, zeven jaar nadat hij plotseling zijn werk als bisschop van Roermond neerlegde en hij sinds vijf jaar het bisdom IJsland bestierde, bleek hij niets milder te zijn geworden.  

“Anders komen we tot valse naastenliefde. Zoals ouders die hun kinderen te veel verwennen. Of een dokter die zegt dat hij een vrouw helpt door een ongewenste zwangerschap te beëindigen. Dat kan nooit uit echte naastenliefde gebeuren. Het doden van ongeboren leven is immers gruwelijk intolerant.”

Kort voor het vertrek van de bisschop in 1993 bleek de conrector van het seminarie Rolduc, waar Joannes Gijsen in zijn hoedanigheid als bisschop verantwoordelijk voor was, seks te hebben met zijn studenten. Bisschop Gijsen wist daarvan, maar handelde niet.

Op 2 september 2011 werd tegen de bisschop een klacht neergelegd. In 1958, toen hij kapelaan was, zou hij een toen negen- of tienjarige jongen hebben misbruikt. De bisschop weigerde alle medewerking aan het onderzoek van de klachtencommissie voor seksueel misbruik binnen de rooms-katholieke kerk en toog zelfs naar de politie om daar aangifte wegens smaad te doen. De klacht werd in 2012 na rijp beraad ongegrond verklaard, maar de commissie deed daarbij wel een wonderlijke uitspraak: ze liet weten dat daarmee “bepaald niet gezegd wil zijn dat de door de klager gestelde feiten niet waar zouden zijn”.

Het slachtoffer liet het er niet bij zitten en er werd een herzieningsverzoek ingediend. Bisschop Gijsen stierf op 24 juni 2013. Op 28 juni 2013 werd het herzieningsverzoek gegrond verklaard en op 15 januari 2014 vond er opnieuw een zitting plaats van de klachtencommissie. Ditmaal overtuigde “de authentieke wijze waarop en de details waarmee klager zijn verhaal in het klaagschrift heeft bewezen en ter zitting heeft verteld” de leden van de klachtencommissie wél. Alleen echter voor wat betreft de lichtste handtastelijkheden. Voor het meer verregaande misbruik, tot verkrachting aan toe, zag men geen “steunbewijs”. 

In 2011 werd overigens ook een tweede klacht tegen bisschop Gijsen ingediend. In 1958 zou hij gesurveilleerd hebben op de slaapzaal van het seminarie Rolduc, waarbij een masturberende pupil begluurde. Omdat gluren per definitie nog geen kindermisbruik is werd de klacht onontvankelijk geacht.

Tijdens de uitoefening van zijn ambt in Reykjavik kreeg bisschop Gijsen een brief in handen van een man die daarin schreef dat hij als kind door een IJslandse priester misbruikt werd. De bisschop vernietigde de brief, ongeopend.

Op 29 april 2013 werd opnieuw een klacht ingediend tegen bisschop Gijsen. De klacht in kwestie behelst het betasten van een jongen in 1961. Pas op 15 januari 2014 beraadt de klachtencommissie zich over deze zaak tijdens een zitting en ze adviseert het bisdom Roermond de klacht gegrond te verklaren.

Het bisdom Roermond heeft inmiddels erkend dat bisschop Gijsen twee kinderen heeft misbruik. Schoorvoetend weliswaar, want het bisdom weet al sinds februari dit jaar van het oordeel van de klachtencommissie, maar hulde zich twee maanden lang toch in stilzwijgen. Met zulke informatie wil het bisdom niet “te koop lopen”.

Luidruchtig je afkeer laten horen over wat volwassen mensen van hetzelfde geslacht met elkaars wederzijdse toestemming in hun slaapkamer uitspoken, maar misbruik van kinderen stilletjes onder de mijter houden.

Geheel in de geest van wijlen de monseigneur. Wel ja.

Vrijheid van (on-) geloof

Wat is de plaats van religie nog in onze maatschappij? Aantallen gelovigen en het kerk- en moskeebezoek lopen al jaren terug. De grootste groep mensen in Nederland is inmiddels die geen geloof aanhangt. Nochtans kent de bestaande wetgeving juist gelovigen buitengewoon veel privileges toe, zoals Thijs Kleinpaste (D66) en Marcel Duyvestijn (PvdA) eerder in de Volkskrant al concludeerden, en zijn zij à la Animal Farm net wat gelijker voor de wet.

Dat alles vindt zijn grondslag in het grondwettelijk artikel 6 uit onze Grondwet.

Artikel 6 Grondwet
1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet;
2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 6 levert voor gelovigen een verruiming op van de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting. Het proces tegen imam Khalil El Moumni maakte al duidelijk dat een gelovige wegkomt met beledigingen, waar een ongelovige voor veroordeeld zou worden, simpelweg door die te doen met een hand op een heilig boek.

Discriminatie van vrouwen en homoseksuelen is bij wet verboden, maar als het op religieuze gronden gebeurd is het sentiment veeleer dat “het moet kunnen”. Dat is eender of het nu het Vrouwenstandpunt van de SGP betreft of een islamitische vrouwenhandenweigerende docent aan de Amsterdamse Hogeschool. Of, erger nog, ambtenaren die in functie de gelegenheid krijgen te discrimineren en mogen weigeren een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht te sluiten. Als het maar op religieuze gronden is, welteverstaan – dan mag je mensen kennelijk een recht ontzeggen dat hen volgens onze wetgeving zondermeer toekomt.

Dat grondwettelijk artikel klinkt zelfs door in de Zondagswet, Winkeltijdenwet en de zondagssluiting. Daarnaast is er het gegeven dat de onbedwelmde slacht bij wet verboden is, maar die wet tegelijkertijd een (onnodige!) uitzondering maakt voor het koosjer en halal slachten. Dit op grond van diezelfde vrijheid een godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden.

Gelovige Nederlanders genieten zelfs meer bescherming door de wet dan ongelovige Nederlanders. Voor ons allemaal is er artikel 137c, voor gelovigen is er daarnaast nog het wetsartikel tegen smalende godslastering. Voor wie meent dat dit artikel een dode letter is, simpelweg vanwege lange tijd ongebruikt; Nog niet zo lang geleden liet een kabinet zelfs nog onderzoeken of de strafbaarstelling van godslastering niet zelfs verruimd kon worden, al was het maar als middel mensen als een Theo van Gogh de mond te snoeren. Zo lang dat artikel deel uitmaakt van onze wetgeving is en blijft het een knap staaltje rechtsongelijkheid, dat ieder moment nieuw leven in kan worden geblazen.

Het op zo’n wijze bevoorrechten van gelovigen is niet meer van deze tijd. Nederland kent weliswaar een scheiding van kerk en staat, maar deze is vooralsnog onvolledig. Het is hoog tijd daar eens verandering in te brengen. Een neutrale overheid is van groot belang, zeker in een pluriforme maatschappij als de onze. Van wie die overheid vertegenwoordigt mag dan ook zeker een neutraal voorkomen vereist worden en in die zin is er al helemaal geen plaats voor ambtenaren die hun persoonlijke religieuze opvattingen denken voor te kunnen laten gaan op het recht van burgers op een gelijke behandeling in gelijke gevallen.

Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) pleit vandaag (in een interview met De Pers) dan ook geheel terecht voor een “meer beschouwend debat over de scheiding van kerk en staat”. Wat haar betreft kan artikel 6 geschrapt worden uit onze Grondwet en dragen ambtenaren niet langer religieuze symbolen.

In het laatste geval vind ik het jammer dat die discussie zich voornamelijk toespitst op het islamitische hoofddoekje. Dat is bijna onfris, maar de discussie is in haar algemeenheid de moeite meer dan waard. Het niet langer toestaan van een hoofddoek, keppel of een kruisje aan een ketting bij een ambtenaar aan een gemeenteloket heeft wat mij betreft ook geen prioriteit, eerst en vooral heeft die ambtenaar het homohuwelijk zonder morren te sluiten en een uitgestoken vrouwenhand zondermeer aan te nemen.

Haar naam is Haas

De rel, die de anti-abortusbrief van hulpbisschop Everard de Jong aan de dames en heren kamerleden een maand geleden opleverde, is me natuurlijk niet ontgaan. Dat hij bij zijn brief een plastic poppetje meende te moeten voegen dat een foetus van tien weken oud voorstelt, vond ik smakeloos en deed ik af als “goor lef”.

De zoveelste onhandige actie van een geestelijke, dacht ik, en ik zag de rel een snelle dood sterven. Veel aandacht achtte ik de affaire ook niet waardig, want ’s mans actie was ook nog eens weinig origineel. Die poppetjes zagen we immers eerder al eens de revue passeren toen organisatie Schreeuw om Leven liet weten voornemens te zijn dergelijke poppetjes landelijk via de post te verspreiden. Schreeuw om Leven, streng christelijk, hoopte zo vrouwen te doen afzien van abortus.

Wel vroeg ik me af of zo’n organisatie er niet beter aan had gedaan bijvoorbeeld rooms-katholieke geestelijken, of voor mijn part het hele ledenbestand van de kerk, een brandbrief te doen toekomen over de vele gevallen van kindermisbruik waar we de laatste tijd van hoorden. Liefst vergezeld door een roodbesmeurd kinderonderbroekje.

Of wellicht liever nog een brief over het al sinds jaar en dag ingenomen standpunt tegen condoomgebruik in weerwil van onder andere de enorme HIV-epidemie die de wereld teistert. Daar had een plastic doodskistje wellicht een aardig gebaar bij geweest.

Ik hoor u brommen. Natuurlijk is niet iedere priester een kindermisbruiker en buiten de kerk komt kindermisbruik zelfs nog op grotere schaal voor. En natuurlijk zijn paus en consorten niet direct schuldig aan de vele aidsdoden, maar zo lang het Vaticaan haar gelovigen op het Afrikaanse continent nog het gebruik van condooms durft te verbieden terwijl HIV en AIDS daar om zich heen grijpen draagt zij wel moreel verantwoordelijkheid, ook voor de vele aidswezen en de kindjes die in de baarmoeder reeds met die dodelijke ziekte besmet raken.

Nochtans doen de stichting Schreeuw om Leven en hulpbisschop De Jong hun mailinglist ook niet de beleefdheid van dergelijke nuanceringen.

Toch, ik snap Jeanine Hennis-Plasschaerts eerste reactie bij het openen van de brief van de hulpbisschop goed; “Walgelijk!”. Denkelijk zou de hulpbisschop dezelfde reactie zijn toegedaan wanneer hij bij het openen van een van mijn fictieve brandbrieven tegen het kindermisbruik door zijn confraters zo’n roodbesmeurd onderbroekje uit de envelop had zien vallen. Wellicht was het onhandig van haar zulks de virtuele wereld in te twitteren en misschien was het nog onhandiger dat het kamerlid die eerste sentimenten meende nader te moeten uitleggen; Hennis-Plasschaert had meerdere miskramen en dus raakten brief en poppetje een gevoelige snaar, niet te zeggen een open wond. Wie zich blootgeeft loopt in deze maatschappij echter wel een risico daarop gepakt te worden.

We hoefden dan ook niet lang te wachten eer de eerste aasgier boven het slachtveld van de abortusdiscussie cirkelzweefde. Hoofdredactrice van het Katholiek Nieuwsblad Mariska Orbán -de Haas achtte het opportuun het leed van het kamerlid in een open brief uit te melken. Onder het mom van “wij vrouwen onder elkaar” en met een “lieve Jeanine” wrijft moeders het kamerlid nog even in hoe mooi het moederschap, dat Hennis-Plasschaert ontzegd bleef, werkelijk is. Als moeder van twee kinderen, een gegeven dat Orbán aan het eind van haar brief nog even benadrukt (ja, zij wèl!) weet ze er alles van.

Alles is kennelijk geoorloofd in de strijd om het ongeboren kinderleven.

Nochtans is het juist Mariska Orbán-de Haas die zich gisteren in de Volkskrant afvroeg “waarom kritiek op abortus zoveel agressie losmaakt?” Aan de hand van haar open brief viel Mariska kennelijk veel onwelgevalligs ten deel. Veel daarvan gaat zo te lezen inderdaad alle perken te buiten en ook daarvoor heb ik geen goed woord over. Wat me echter opvalt is dat waar Orbán zich beroept op het feit dat Hennis een publiek persoon is en zij in haar hoedanigheid van parlementariër twittert en dus publiek aanspreekbaar is, ontgaat het haar dat zijzelf op haar beurt zich uit eigener beweging in dat publieke debat heeft gemengd. De zelfverklaarde journaliste geeft zich in haar open brief evengoed persoonlijk bloot, maakt het persoonlijke politiek. Derhalve is dus ook zij publiek aanspreekbaar.

Orbán-de Haas uit haar zorgen over het nieuwe “reaguren” en zoekt naar oorzaken voor dat verschijnsel; “Het zou mij niet verbazen als deze agressie 2.0 wordt versterkt door hufterjournalistiek…”

Die open brief was inderdaad precies dat; hufterjournalistiek.

Terug naar de abortusdiscussie. In Nederland is abortus weliswaar toegestaan, maar onder strikte voorwaarden; er moet sprake zijn van een noodtoestand die een vrouw kenbaar moet maken aan haar arts. Vervolgens geldt die arts de verplichting mevrouw uitgebreid voor te lichten, met name juist over alternatieven, en volgt voor beide partijen een wettelijk bepaalde bedenktijd. Wanneer die alternatieven geen oplossing blijken te bieden aan genoemde noodtoestand zal de arts zich beraden of hij in het onderhavige, specifieke geval een abortus provocatus medisch en ethisch voor zichzelf verantwoorden kan. Dit alles is overigens netjes vastgelegd in de Wet afbreking zwangerschap.

Abortus wordt dus in geen geval gezien als een al te makkelijk post-coïtus voorbehoedsmiddel en er wordt ook allerminst nonchalant mee omgegaan.

Nu is een vrouw natuurlijk baas over eigen buik en eigen toekomst. Het zelfbeschikkingsrecht is ook wat mij betreft een groot goed, al wil dat nog niet zeggen dat ik geheel en al positief sta tegenover abortus provocatus. Het is een noodzakelijk kwaad, ik kan legio scenario’s bedenken waarbij ik de keuze voor een abortus een goede vind en waarvan ik vind dat de anti-abortuslobby er te makkelijk aan voorbijgaat.

Het belangrijkste in deze discussie echter, is dit: Het moet eerst en vooral zo zijn dat mensen ervoor zorgdragen in eerste instantie al niet ongewenst zwanger te geraken. Een goede voorlichting en kunnen beschikken over anticonceptiemiddelen zijn daar cruciaal in. Dat lijken we in Nederland nog aardig onder de knie te hebben, het aantal abortussen is hier in vergelijking met andere landen relatief laag.

Zo lang vanuit religieuze groeperingen over anticonceptie moeilijk gedaan wordt, de rooms-katholieke kerk voorop, plaatsen zij zich wat mij betreft geheel buiten de abortusdiscussie.

Gott mit uns

Het staatsbezoek van paus Benedictus XVI aan Engeland is in volle gang. Het is een bijzonder bezoek en dat niet alleen omdat het de eerste keer is dat een paus een dergelijk bezoek brengt aan het seculiere Engeland.

Er ging aanzienlijk wat aan protesten en kritiek aan dit bezoek vooraf. Zo verscheen er in de Guardian een open brief waarin betoogd werd dat paus Benedictus niet de eer te beurt zou mogen vallen Engeland een staatsbezoek te brengen, omdat hij staatshoofd en religieus leider is van Vaticaanstad en respectievelijk de rooms-katholieke kerk. Die kerk nu, is volgens de ondertekenaars van die brief direct verantwoordelijk voor het ontmoedigen van condoomgebruik, met als direct gevolg een toename van grote gezinnen in arme landen én de verdere verspreiding van AIDS. Ook het promoten van gescheiden onderwijs, het kerkelijk anti-abortusbeleid, het tegenwerken van gelijke rechten voor mensen met een andere seksuele aard dan het hetereseksuele en de lakse houding tegenover de vele zaken van kindermisbruik binnen de eigen gelederen is die katholieke kerk te verwijten en daarom is de voorman van die kerk niet welkom in het Verenigd Koninkrijk. Was getekend, onder anderen, Stephen Fry, Richard Dawkins, Phillip Pullman en Ken Follet.

Daarmee heeft een hele plank van mijn boekenkast die brief mede ondertekend.

Dawkins ging nog een stapje verder en hij liet, samen met Christopher Hitchens, onderzoeken of de paus bij aankomst in Engeland aangehouden en vervolgd zou kunnen worden voor zijn aandeel in het onder de mijter houden van de vele misbruikschandalen in zijn kerk. Op een punt hebben beide heren absoluut gelijk; wanneer geestelijken van misdrijven of medeplichtigheid daaraan verdacht worden horen zij berecht te worden als ieder ander – en wel door het wereldlijk gerecht. Nochtans maakte hare majesteit koningin Elizabeth II gisteren haar opwachting en niet de plaatselijke Hermandad. Jammer, de affaire Pinochet indachtig had ik de Britten er best toe in staat gezien.

Ook binnen de gelederen van de katholieke kerk was men kennelijk niet onverdeeld positief. Zo deed kardinaal Kasper een duit in het zakje tijdens een interview met het Duitse blad Focus; “England today is a secularised, pluralistic country. When you land at Heathrow Airport, you sometimes think you’d landed in a Third World country.”

Enfin, de toon was gezet. Een opportune aanval van jicht stond Kasper daags na zijn uitspraak de reis naar Engeland in de weg, waardoor hem een bezoek aan zo’n Derde Wereldland bespaard blijft.

Paus Benedictus XVI begon zijn staatsbezoek op gelijke toon, tijdens een toespraak aan de koningin. Met een verwijzing naar het optrekje van koningin Elizabeth in Schotland, Holyroodhouse, neem zijne heiligheid een aanloopje om even later te claimen dat Engelands christelijke wortels ten grondslag liggen aan alle goeds in de hedendaagse Engelse maatschappij. “Your forefathers’ respect for truth and justice, for mercy and charity come to you from a faith that remains a mighty force for good in your kingdom, to the great benefit of Christians and non-Christians alike.”

Dankzij mensen als William Wilberforce en David Livingstone had Engeland actief hand in de afschaffing van de slavernij en zij waren daartoe geïnspireerd door het christelijk geloof, aldus de paus. Dat die afschaffing gedaan werd met een beroep op de religies overstijgende “moral rights” is kennelijk aan Benedictus voorbij gegaan. Dat Engeland kort daarvoor goed verdiende aan de slavernij in haar kolonies zonder dat Rome daartegen in het geweer kwam evengoed. Evenmin deed de kerk iets aan de eeuwenlange praktijk van lijfeigenschap. Dat men pas in de zeventiende eeuw tot de conclusie kwam dat slavernij “onchristelijk” was en de Verlichting van de achttiende eeuw pas het besef bracht dat slavernij indruist tegen “the rights of man” zegt beduidend meer over de denkers van die tijd dan over het christendom.

Sterker nog, de afschaffing van de slavernij begon met één enkele rechtzaak en wel over de weggelopen slaaf James Somerset. De rechter besloot dat slavernij op “gespannen voet stond met het Engelse recht” en baseerde zich daarbij op de Magna Carta en de zogeheten Habeas Corpus Act. Beide zijn direct gevolg van de strijd die burgers door de eeuwen heen voerden zich te emanciperen, individuele vrijheden te verwerven en zich te ontworstelen aan machtsmisbruikende vorsten.

Die Magna Carta werd in 1215 aan Jan zonder Land afgedwongen door diens baronnen. Zij deden dat omdat zij vonden dat de koning zijn macht misbruikte. Datzelfde jaar nog zou paus Innocentius III verklaren dat de Magna Carta geen rechtskracht bezat. Desondanks zou de Magna Carta blijven bestaan en ze werd in de loop van de tijd meermaals aangepast, almaar meer rechten toekennend aan steeds grotere aantallen burgers.

De Habeas Corpus Act vrijwaart burgers van gevangenneming zonder grond en stelt vandaag de dag dat een beschuldigde door de overheid voor het gerecht dient te worden gebracht om de rechtmatigheid van die gevangenneming te toetsen. Paus Innocentius IV zou nog veel verder gaan dan zijn voorganger; hij stond in 1243 marteling toe als verhoormethode.

Daarmee is Benedictus er echter nog niet. Met een pracht van een Godwin brengt hij de nazi’s in stelling. Waar hij Engeland prijst om haar moedig verzet tegen de de nazi’s, “wier tirannie tot doel had god uit de samenleving te bannen en die aan velen onze gemeenschappelijke menselijkheid ontzegden, in het bijzonder de Joden, die ongeschikt werden geacht te leven” neemt hij meteen de mogelijkheid te baat het atheïsme de mantel uit te vegen; “As we reflect on the sobering lessons of the atheist extremism of the twentieth century, let us never forget how the exclusion of God, religion and virtue from public life leads ultimately to a truncated vision of man and of society and thus to a “reductive vision of the person and his destiny”.”

Daarbij linkt hij het atheïsme op slinkse én onterechte wijze aan het nazisme. Niet alleen werd de leus “Gott mit uns” door wehrmachtsoldaten op hun uitrusting gevoerd, ook schreef Hitler in zijn Mein Kampf; “Daarom is het mijn overtuiging, dat ik werk in de geest van de almachtige Schepper: want door mij te verweren tegen de Jood strijd ik voor het werk van de Heer.” Ook de hang naar het occulte onder het naziregime kun je nauwelijks atheïstisch noemen, denk maar aan Hess en zijn Thule-Gesellschaft of Himmler en zijn Wewelsburg.

Dat daargelaten is het natuurlijk om te beginnen al dubieus van een voormalig prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, voorheen ook wel bekend als de Congregatio Romanae et Universalis Inquisitionis, een ander verwijten te maken – of dat nu vervolgingen van andersdenkenden betreft of eenvoudigweg kortzichtigheid. Met eenzelfde superioriteitswaan als de paus tijdens zijn speech aan de dag legt werden tijdens de hoogtijdagen van de Inquisitie andersdenkenden opgejaagd, gevangen genomen, gefolterd en ter dood gebracht. De Inquisitie werd een onaantastbare macht, inquisiteurs stonden boven de wet en waren niemand dan god verantwoording verschuldigd.

Waar de paus mensen als William Wilberforce, David Livingstone en Florence Nightingale portretteert als door het christelijk geloof geïnspireerd vergeet hij dat diezelfde religie ook een Simon de Montfort, Jacob Sprenger en de Reyes Católicos inspireerde en daarmee de vervolgingen van Katharen, Joden, “heksen“, homoseksuelen en al wat dies meer zij. Ook dat is de erfenis van de katholieke kerk.

Wanneer uitgerekend de paus waarschuwt tegen “agressieve vormen van secularisatie” vraag ik me ten zeerste af hoe hij dat dan voor zich ziet. In het vrije Westen is er vooralsnog niemand die zijn organisatie ook maar een strobreed in de weg legt (uitgezonderd vijf Algerijnse straatvegers kennelijk, maar die zijn de maat niet waar het om de secularisatie in het Westen gaat). Priesters worden niet vervolgd, ironisch genoeg ook niet wanneer zij wel vervolgd zouden móeten worden. Van een damnatio ad bestias heeft geen christen nog wat te vrezen en niet alleen bij gratie van een tekort aan leeuwen.

De enige dreiging die ik hier zie is die van een verouderd instituut van verzuurde, wereldvreemde oude mannen, dat de wereld haar krijgsregels nog altijd denkt op te kunnen leggen. Een beter pleit voor laïcisme is er niet.

Onaf

Terwijl Amerika zich opmaakt voor de herdenking van 9/11 en Geert Wilders zich in New York warmloopt voor zijn speech komt de commissie Adriaenssens met haar eindrapport van haar onderzoek naar kindermisbruik door leden van de clerus in België. Het is een “onaf” rapport, zo zei kinderpsychiater Peter Adriaenssens tijdens de persconferentie. Halverwege het onderzoek stapte onderzoeksrechter Wim de Troy immers binnen zonder kloppen bij zowel de commissie als bij kardinaal Danneels en er werden honderden dossiers in beslag genomen. Van de vijfhonderd stukken die de commissie op de plank had liggen had ze er op dat moment zo’n tweehonderd doorwrocht.

De conclusies van dat onaffe onderzoek zijn ontluisterend. Tenminste dertien slachtoffers van seksueel misbruik door geestelijken hebben zichzelf daardoor uiteindelijk van het leven beroofd. Zes deden een poging daartoe. De schaal waarop het misbruik binnen de katholieke kerk is nog veel groter dan gedacht; “in alle bisdommen, in elk katholiek internaat en bij alle congregaties” konden mannen en vrouwen van god hun handen niet van kleine kinderen afhouden.

Adriaenssens waarschuwde ook dat “de realiteit erger is dan wat wij presenteren” omdat lang niet alle slachtoffers zich gemeld hebben. Tijdens gesprekken met daders wisten die soms meer namen van kinderen op te noemen, die zij seksueel misbruikt hebben, dan er zich bij de commissie gemeld hebben.

Het rapport zelf bestaat uit meer dan honderd anonieme getuigenissen, alle van mensen die na jaren de moed wisten te vatten hun verhaal te doen. Het beschreven leed is ten hemelschreiend, van fysiek geweld tot seksueel misbruik.

De verhalen vertellen veel over de modus operandi van dergelijke pedoseksuelen; hoe zij azen op de meer kwetsbare kinderen, kinderen die slecht op een thuisfront terug kunnen vallen, hoe zij hun slachtoffers verder isoleren en afhankelijk maken en hoe zij hun slachtoffertjes tot geheimhouding dwingen. Het zijn verhalen van priesters die wekelijks als huisvriend bij gezinnen over de vloer komen, hun vertrouwen weten te winnen en ondertussen van dat vertrouwen misbruik maken. Het zijn ook verhalen van geestelijken die zich in een machtspositie wurmen op scholen, kinderkampen en internaten, alwaar zij misbruik maakten van het gezag dat zij over hun pupillen hadden. Het priesterschap als alibi.

Het is schrijnend te lezen over hoe lang slachtoffers geworsteld hebben met gevoelens van schuld en machteloosheid, de fysieke en mentale beschadigingen die zij al die tijd meegetorst hebben. Hun eenzaamheid.

Ook te lezen is hoe ouders en zelfs artsen melding maakten van misbruikgevallen, om vervolgens simpelweg nooit meer iets over hun melding te vernemen. Maar er was ook ongeloof; het woord van een kind tegenover dat van een man gods, die in de maatschappij op een voetstuk stond. Voor “systematische doofpotoperaties” heeft de commissie geen bewijzen gevonden, al vond zij wel aanwijzingen voor “het incestueuze niets doen in de kerk”.

Verder wordt gesteld dat “zwijgen overigens een ziekte in de samenleving in het algemeen is”.

Dat is een waarheid als een koe, ook waar het de Nederlandse samenleving betreft. Zo is de meldingbereidheid onder Nederlanders die weet of een vermoeden hebben van een geval van kindermishandeling schrikbarend laag en dat weten we al sinds 1997. Na diverse campagnes om kindermishandeling in al haar vormen onder de aandacht te brengen is die meldingbereidheid wel gegroeid, maar helaas nog altijd onder de maat. Desondanks is er nog altijd geen plicht tot het melden van zulks, terwijl er nochtans per jaar meer dan honderdduizend slachtoffertjes van kindermishandeling zijn. Wel is er voor een aantal beroepsgroepen een verplicht te gebruiken meldcode.

Het rapport vervolgt met cijfers en statistieken. Veel van het misbruik vond plaats in de zestiger jaren. De helft van de gekende daders is inmiddels overleden. Het gros van de zaken is verjaard, veel van de nog in leven zijnde daders komen dus feitelijk ongestraft met het door hen gepleegde misbruik weg. Dat is iets dat bij menig slachtoffer leeft; “Een ruime meerderheid van de brieven aan de Commissie maken melding van spijt dat er een verjaringstermijn bestaat”.

Hopelijk wordt die verjaringstermijn opnieuw eens onder de loep genomen, ook hier in Nederland.

Voormalig bisschop Roger Vangheluwe, met wiens aangekondigde ontslag de beerput pas goed werd opengetrokken, heeft ondertussen besloten zijn heil buiten het bisdom Brugge te zoeken. Hij zal zich elders vestigen om zich “in het verborgene te bezinnen” en stelt in een verklaring dat “zijn spijt de afgelopen maanden is toegenomen over het vele kwaad dat mede door zijn toedoen is aangericht”. Helaas spijt ’t hem echter nog altijd niet genoeg om zijn priesterschap eindelijk neer te leggen.

"Zeg ne keer"

Roger Joseph Vangheluwe was bisschop van Brugge tot 23 april 2010, toen paus Benedictus XVI zijn de dag daarvoor aangevraagde ontslag honoreerde. Directe aanleiding daarvoor was een e-mail die in de nacht van 19 op 20 april aan de Belgische bisschoppen werd gestuurd en waarin kond werd gedaan van jarenlang misbruik van een minderjarige neef – door diezelfde bisschop van Brugge die op 19 april nog het gebleken misbruik in de kerk “ambetant” en “schandalig” noemde. Dit deed hij tijdens een gastcollege aan de universiteit van Leuven, hetgeen zijn laatste publieke optreden als bisschop zou worden. Opvallend is zijn roep om objectiviteit tijdens dat college, samen met zijn opmerking dat pedofilie volgens sommige artikelen “nergens zo weinig gebeurt als in de katholieke kerk”.

Vangheluwes slachtoffer hoorde tijdens een paasmis de toen nieuwbakken aartsbisschop André Léonard verwijzen naar de recente golf van misbruikschandalen binnen de katholieke kerk. Léonard is tijdens het homilie luid en duidelijk; die mogen niet in de doofpot. De neef, inmiddels een volwassen man, besluit de meerderen van zijn belager met het door hem gepleegde misbruik confronteren, iets dat hij nog niet eerder gedurfd heeft. In maart pakt hij de telefoon en vraagt zijn oom te spreken in het bijzijn van diens “overste” en er wordt daartoe op 8 april afgesproken in de abdij van Steenbrugge. In plaats van de aartsbisschop troont Vangheluwe kardinaal Godfried Danneels mee naar dat gesprek. Dat valt bij de neef, die de aartsbisschop en niet de gepensioneerde Danneels verwachtte, niet in goede aarde. Heimelijk neemt hij het gesprek met beide geestelijken op.

Vangheluwe misbruikte zijn neefje tussen diens vijfde en achttiende levensjaar. Het misbruik hield pas op toen de vader van het slachtoffer zijn broer de bisschop confronteerde. Bisschop Vangheluwe is inmiddels op leeftijd, zijn emeritaat is nakende en het slachtoffer geeft tijdens het gesprek aan niet te kunnen verteren dat Vangheluwe volgend jaar de gelegenheid krijgt “in glorie afscheid te nemen“. Hij verwacht dat de kerk Vangheluwe voordien tot ontslag zal dwingen. Sowieso is hij “het beu dat Vangheluwe naar buiten toe de deugdzame bisschop blijft spelen” terwijl hij zelf nog altijd de psychische en fysieke gevolgen van het dertien jaar durende misbruik draagt. Hij heeft daarin natuurlijk gelijk, dat rijmt niet, maar hij krijgt toch nul op het rekest.

Wanneer de familie even later bij het gesprek aanschuift geeft Vangheluwe het misbruik aan hen toe, voor het eerst. Behalve dat minimale stukje rehabilitatie levert het gesprek niets op en het slachtoffer gaat onverrichter zake huiswaarts. Vangheluwes slachtoffer raakt verder in gewetensnood wanneer hij op 15 april een rapportage van televisieprogramma Koppen ziet; in de negentiger jaren wijdde bisschop Vangheluwe een man tot diaken van wie hij wist dat deze een jongen misbruikt had. De jongen pleegde daarop zelfmoord.

Op 19 april raapt de neef van Vangheluwe dus nogmaals zijn moed bij elkaar en pleegt een telefoontje naar de commissie-Adriaenssens, die zaken van kindermisbruik door geestelijken onderzoekt. Diezelfde avond laat besluit een familielid, dat zich het leed van het slachtoffer aantrekt, de Belgische bisschoppen het relaas te mailen, met daarbij een ultimatum; ze krijgen tot Pinksteren de tijd om stappen tegen de grijpgrage bisschop te ondernemen.

Op 22 april beseft Vangheluwe dat hij onherstelbaar in het nauw zit en biedt dan eindelijk bij de paus zijn ontslag aan, die dat daags erna onmiddelijk honoreert.

Een geëmotioneerde aartsbisschop Léonard lichtte op 23 april het ontslag van Vangheluwe tijdens een persconferentie nader toe. Tijdens die conferentie zei hij ondermeer dat de Belgische kerk “resoluut een bladzijde wil omdraaien uit een niet eens zo ver verleden, waar stilte en doofpot verkozen werden”. Krokodillentranen, zo bleek reeds op 29 april. De aartsbisschop werd al eens aangeklampt door een slachtoffer van seksueel misbruik door een priester, met slechts overplaatsing naar een andere parochie tot gevolg waar de priester in kwestie gewoon door kon gaan met het lastigvallen van zijn slachtoffer.

Ook Danneels doet die dag een duit in het zakje wanneer hij gevraagd wordt naar het gesprek dat hij met de bisschop en diens slachtoffer voerde; “Er is van mijnentwege nooit maar een schijn van een poging ondernomen om de zaak in de doofpot te stoppen of er de mantel van de geheimhouding over te gooien.”

Het parket van Brugge kondigde kort daarna aan een onderzoek te openen naar de kindermisbruikende bisschop. De kerkelijke autoriteiten gaven op hun beurt aan het dossier aan de Congregatie voor de Geloofsleer te zullen doen toekomen. Dat instituut behapt sinds anno domini 2000 zaken van seksueel misbruik door geestelijken. Eric de Beukelaar, op dat moment woordvoerder van de bisschoppenconferentie, legde uit dat de Congregatie de bisschop “gezien de ernst van de feiten” geestelijke-af kan maken of hem kan verbieden nog langer missen op te dragen.

Dat deed me meewarig glimlachen; niet alleen is dat bijzonder mild ten aanzien van iemand die jarenlang een minderjarige misbruikte, het staat ook nog eens in schril contrast met hetgeen deze Congregatie aan straffen wist uit te delen in haar hoogtijdagen – toen ze nog Congregatio Romanae et Universalis Inquisitionis heette.

Op 27 april volgt ontluisterend nieuws; Roger Vangheluwe mag zichzelf gewoon bisschop blijven noemen. Begin juni is er nog altijd geen bericht van de Congregatie voor de Geloofsleer en mag Vangheluwe tot nader order de priesterlijke taken gewoon blijven uitoefenen.

Het Belgische gerecht lijkt vervolgens op 24 juni in te grijpen en ze neemt geen halve maatregelen. Aan de hand van verklaringen van Godelieve Halsberghe, de voorgangster van Peter Adriaenssens (de kinderpsycholoog naar wie de commissie-Adriaenssens genoemd is), besluit onderzoeksrechter Wim De Troy met “operatie Kelk” van start te gaan. Volgens Halsberghe heeft kardinaal Danneels een aantal dossiers die betrekking hebben op kindermisbruikzaken verborgen in een crypte in de Sint-Romboutskathedraal. De Troy wil erg graag weten of en hoeveel misbruikzaken de kerk (en Danneels) in de doofpot heeft laten verdwijnen. Er volgt dus een reeks invallen en huiszoekingen; in de kathedraal, de woning van Danneels en bij de commissie-Adriaenssens. De laatste heft zichzelf uit protest op.

Tussen de honderden dossiers die in beslag genomen worden zit ook dat van Vangheluwe.

De spierballentaal van het gerecht baart opzien en Rome reageert als door een wesp gestoken. Waar ze tijdens de gehele affaire radiostilte in acht leek te nemen veroordeelt Rome de invallen nu luidkeels. Op verzoek van het parket-generaal stelt de Kamer van Inbeschuldigingstelling een onderzoek naar de handelswijze van De Troy in. De resultaten daarvan blijven in eerste instantie geheim en De Troy mag het onderzoek verder voortzetten. In augustus blijkt dat hij toch onrechtmatig gehandeld heeft door de inval bij de commissie en het wegnemen van haar dossiers. Die dossier nu, dienen aan de commissie te worden teruggegeven. De overige invallen waren rechtmatig, aldus de Kamer van Inbeschuldigingstelling.

Rest ons Godfried Danneels. Volgens de lezing van kardinaal Danneels nam deze pas in april dit jaar kennis van het kindermisbruik door Vangheluwe, kort voor het gewraakte gesprek. Een priester, Rik Devillé, beweert echter anders. Devillé zou het genoemde misbruik al in de negentiger jaren bij de kardinaal gemeld hebben, maar daar verder niets meer van vernomen hebben.

Roger Vangheluwe werd in 1985 door kardinaal Godfried Danneels tot bisschop gewijd, de heren kennen elkaar dus langer dan vandaag. In die tijd al maakt hij zich schuldig aan het seksueel misbruik van zijn neefje en dat misbruik ging na zijn bisschopswijding gewoon door.

Wanneer het gerucht gaat dat Vangheluwe zijn slachtoffer jarenlang zwijggeld zou hebben betaald is de maat wat de neef betreft vol en hij stapt met de opnamen naar de Standaard. Met de publicatie van die opnamen op 28 augustus valt kardinaal Danneels door mand. Hij redeneert iedere optie die het slachtoffer heeft van tafel; omdat Danneels gepensioneerd is kan hijzelf niets doen, de handen van de aartsbisschop zijn hem op de rug gebonden omdat iedere bisschop “eigen baas is” en de paus heeft toch geen tijd voor een (onbeduidende?) zaak als deze. Danneels vraagt Vangheluwes neef meermaals te wachten met in de openbaarheid treden tot na het aftreden van de bisschop, dat ergens volgend jaar toch op de planning staat. Vangheluwe laat zich hoe dan ook niet tot het nemen van ontslag vermurwen.

Kardinaal Danneels reageert vandaag bij monde van zijn advocaat op deze “karaktermoord” door de Standaard. Hem valt juridisch niets te verwijten en hij heeft moreel juist gehandeld, aldus de advocaat. Of het herhaaldelijk gedane verzoek maar te wachten met een in de openbaarheid treden om de bisschop uit de wind te houden werkelijk zo “moreel correct” is -ik vind van niet.

Vandaag bericht men dat de katholieke kerk Roger Vangheluwe in het geheel niet zal gaan vervolgen. De zaak is volgens canonniek recht verjaard, hetgeen ik een al te makkelijke manier vind voor de katholieke kerk om haar geestelijken met dergelijke misdrijven weg te laten komen. Vangheluwe heeft zich tot bisschop laten wijden terwijl hij zich bezondigde aan een van de ernstigste misdaden die een mens een ander mens aan kan doen. Alleen daarom al zou Rome alle registers tegen de man open moeten trekken, maar niets van dat al.

Het ziet er voorlopig naar uit dat de man die een vijfjarige bepotelde en jarenlang niet met zijn tengels van dat arme kind af kon blijven in de gelegenheid gesteld wordt zijn dagen ongestraft en met behoud van pensioen (sic!) te slijten in de abdij van Westvleteren.

’t Is godgeklaagd.