GeenStijl: Grote muilen, tere zielen?

Honderd vrouwen vroegen adverteerders nog eens goed na te denken waar zij adverteren. Zij deden, heel beschaafd, een moreel appèl;

Maar bedenk u ook dat uw logo, uw zorgvuldig opgebouwde imago, naast dit soort teksten verschijnt: ‘Ze loenst een beetje, geil bij het pijpen als mij aankijkt, terwijl ik zeg dat ze echt een lekkere hoer is.’ U kiest er ook voor om niet te adverteren op sites met porno of extreem geweld. Waarom dan wel hierop? U betaalt mee aan de salarissen van de meest invloedrijke internettrollen. Een site waar vrouwenvernedering en racisme de norm is, niet de uitzondering. Donderdag besloot defensie om zich voorlopig terug te trekken als adverteerder. Wij hopen dat meer bedrijven kritisch gaan nadenken over sites met een groot bereik, maar een beperkt moreel besef.

Roderick Veelo betichtte de dames bij Pauw van ‘naming and shaming’, dat vindt hij als journalist slecht en hij vindt het een gotspe dat journalisten daar voor ‘op de tafel gaan staan’. Ik vind dat lollig van meneer Veelo, want als er iemand grootmeester in het naming and shaming is, dan is dat GeenStijl.

Laten we daarbij ook vooral niet vergeten dat GeenStijl zelf ook graag tot boycots op placht te roepen. Zo moest HEMA het al eens ontgelden, want ‘zo rolt‘ GeenStijl. Jaren geleden verklaarde GeenStijl het NRC de oorlog en riep op tot een boycot van die krant. En laten we wel zijn, wie wil uitdelen zal op zijn tijd ook moeten incasseren.

Vrouwen die het aandurven een onwelgevallige mening te uiten krijgen standaard een stortvloed aan virulent seksistische vullis over zich uitgestort. Vrouwelijke journalisten zijn mikpunt van seksistische intimidatie en bedreiging op internet. Seksuele intimidatie is, zo bevestigt de NVJ, een vorm van intimidatie die “vooral vrouwelijke journalisten voor hun kiezen krijgen, als ze het lef hebben kritisch te zijn”. Dat is precies ook de aanleiding voor het verschijnen van dit manifest.

#wiebetaaltDumpertReeten 

NRC-journaliste Rosanne Hertzberger is daar een schoolvoorbeeld van. Zij had de euvele moed een column te wijden aan het beroemde en beruchte roze weblog GeenStijl, haar zusje Dumpert en het fenomeen ‘dumpertreeten’. Daarbij worden video’s beoordeeld aan de hand van blote vrouwenbillen, ‘reeten’. Mevrouw Hertzberger kaartte het seksisme daarachter aan en stelde zich de vraag wie dat vrouwonvriendelijke dumpertreeten toch betaalt.

Dat zijn de adverteerders op die sites, uiteraard, en dus besloot Hertzberger die adverteerders eens te wijzen op al dat vrouwonvriendelijke gedoe. Grolsch, WNF, Persgroep HAK, IKEA, KWF, Stichting Vluchteling en het Ministerie van Defensie haakten geschrokken af. Terecht natuurlijk, al was het maar in het kader van verantwoord ondernemen.

Haar journalistieke werk werd Hertzberger niet in dank genomen en kwam haar, zoals dat vaker met vrouwelijke journalisten gaat, op een stortvloed aan misogyne bagger te staan. De roze horde vond haar een ‘kuthoer’, een ‘droogsloot’ en een ‘teerhartig viswijf’, waarvan men hoopte dat ze zo zwaar verkracht zou worden, dat ze er een half jaar herstel van nodig zou hebben.

Let wel: Dat moet je dan, als vrouw, ook nog sportief opvatten wil je niet voor zeikwijf versleten worden.

Collega-journaliste Loes Reijmer schreef op haar beurt een artikel over de reacties die Rosanne Hertzberger op haar schrijven kreeg. Daar lustten de honden inderdaad geen brood van. Mevrouw Reijmer werd onmiddellijk de volgende op de heksenjachtlijst van GeenStijl. Er werd een foto van haar op de site geplaatst en GeenStijl stelde haar reaguurdersvolk de prangende vraag: “Zou u haar doen?” De Daar-Moet-Een-Piemol-Brigade liet zich gewillig mennen.

Vrijheid van meningsuiting

Dikke boehoe op de roze panelen, want oproepen tot een boycot door adverteerders is een heuse persbreidel en een aanslag het recht op vrije meningsuiting van de reaguurder.

Nu houd ik ontzettend van het recht op de vrije meningsuiting en ik ben een van haar grootste voorvechters. Toch haak ik hier af. Teksten als “Ik zou haar overdwars in alle gaatjes nemen. Lekker langzaam volpompen. Om daarna keihard haar mond over mijn keiharde lid te trekken. Hard duwen op dat hoofd. Kokhalzend krijgt ze mijn warme zaad. Hmm” hebben HELEMAAL niets te maken met die vrije meningsuiting. Net zo min als: “Met haar armen op haar rug gebonden en een stevig stuk grijze tape over haar mond geplakt zou ik haar zeker doen!” 

Zulke gewelddadige verkrachtingsfantasieën zouden reden moeten zijn je eens grondig na te laten kijken, maar in de wereld van GeenStijl heet dat ‘vrije meningsuiting’. Welnu, de vrijheid van meningsuiting is in Nederland niet absoluut en is dat ook nooit geweest. Die vrijheid geniet eenieder, dus ook de reaguurder, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Die wet nu, stelt dat belediging, belediging van groepen mensen, laster, smaad en al wat dies meer zij niet mogen. Daar liggen dus de strafrechtelijke grenzen van de vrijheid van meningsuiting.

Een ‘artikel’ dat bestaat uit het plaatsen van een foto van een journaliste onder de kop “Zou u haar doen?” heeft NIETS te maken met journalistiek. Het is daarbij ook nog eens hypocriet om je te verschuilen achter persvrijheid, terwijl je zelf lak hebt aan kleinigheden zoals hoor en wederhoor, een eerlijke berichtgeving en het het journalistieke streven naar objectiviteit.

Persbreidel

Oud-ombudsman Alex Brenninkmeijer en criminoloog Marjolein Odekerken deden overigens een onderzoek naar de toenemende mate waarmee Nederlandse journalisten te maken krijgen met bedreigingen en intimidatie tijdens hun werk. Dat onderzoek (PDF Factsheet) werd in opdracht van de NVJ, Het Genootschap van Hoofdredacteuren en het Persvrijheidsfonds gedaan. Het verschijnt volgende maand.

Als u wil weten wie werkelijk de pers tracht te breidelen, dan vindt u daarin uw antwoord. Bijna een kwart van de journalisten ontvangt dreigementen via sociale media. Een groot deel ziet zich, door bedreigingen en intimidaties, genoodzaakt zijn berichtgeving te staken of aan te passen.

Dat, dus.

Turks worstelen met de vrijheid van meningsuiting

Wat mag je zeggen van een regime dat kranten en tv-zenders, die kritische geluiden over genoemd regime publiceren, met veel machtsvertoon overneemt en onder curatele stelt – om hen vervolgens als platform te gebruiken voor haar eigen propaganda?

In Turkije trof de kranten Bugün, Millet en Zaman en de televisiezender Kanaltürk dit lot. De politie viel met veel vertoon en geweld hun redacties binnen. Sinds die overname berichten deze media pro-regime. Honderden journalisten, columnisten en (hoofd-) redacteuren werden ontslagen onder politieke druk van het regime van president Recep Tayyip Erdoğan en zijn partij AKP.

Wat mag je zeggen van een regime dat journalisten in gevangenissen opsluit omdat ze hun werk deden? De hoofdredacteur van de krant Cumhuriyet, Can Dundar, staat in Turkije terecht omdat hij de euvele moed had te berichten over wapenleveringen vanuit Turkije aan Syrische rebellen en omdat hij een artikel publiceerde over een corruptieschandaal uit 2013. Met de berichtgeving over dat corruptieschandaal ‘beledigde’ hij Recep Tayyip Erdogan en diens aanhangers, waarvoor hij afgelopen maandag veroordeeld werd tot een boete van  € 9.000. Twee jaar geleden publiceerde Dundar een video waarop te zien zou zijn hoe Turkse inlichtingendiensten vrachtwagens met wapens naar Syrië smokkelen. Daarom staat hij nu terecht wegens ‘hoogverraad’ en loopt hij het risico levenslang te worden opgesloten. 
Twee andere Turkse journalisten werden afgelopen donderdag veroordeeld tot gevangenisstraffen van twee jaar, omdat ze in januari 2015 bij een redactioneel commentaar een cartoon van de profeet Mohammed van Charlie Hebdo publiceerden. Die cartoon prijkte op de voorpagina van Charlie Hebdo, na de aanslag op het hoofdkantoor van het Franse satirische weekblad. Met de publicatie van die cover ‘beledigden’ de twee Turkse journalisten de religieuze goegemeente en maakten zich schuldig aan godslastering.
Wat mag je van een regime zeggen dat buitenlandse journalisten de toegang tot het land ontzegt? Het gebeurde onder anderen de Amerikaanse journalist David Lepeska, de Duitse journalist Volker Schwenck, Griekse persfotograaf Giorgos Moutafis, de Noorse Silje Ronning Kampesaeter, de Deense Claus Blok Thomsen en natuurlijk de Nederlandse Fréderike Geerdink. 
Wat mag je zeggen van een regime dat de zowel de inhoud als de programmering van haar onwelgevallige documentaires probeert te beïnvloeden door druk uit te oefenen vanuit haar ambassade?
Wat mag je zeggen van een regime dat ervoor ijvert onwelgevallige buitenlandse komieken te laten vervolgen? De Duitse tv-komiek Jan Böhmermann weet er inmiddels alles van. Met zijn optreden zette hij een politieke hamvraag op scherp: “Hoe gaan we om met verschrikkelijke regimes waarmee we ook moeten samenwerken?” Dat is een goede vraag, maar wel een die hem inmiddels op dreiging van vervolging, bedreigingen, honderden aangiftes en de noodzaak tot onderduiken is komen te staan. 

Intimidatie in Nederland

Wat mag je zeggen van een regime dat een klopjacht houdt op haar critici, tot in het buitenland aan toe? De lange arm van het regime-Erdoğan reikt tot in Nederland, waar Nederlandse burgers bezocht worden door mensen van het Turkse consulaat, telefonisch lastiggevallen worden, belasterd en bedreigd worden. Gewoon, omdat ze zich kritisch durven uit te laten over het regime-Erdoğan.

”Ik kreeg mensen van het consulaat over de vloer. Ze hebben op een subtiele manier kenbaar gemaakt dat ik mijn mening over Erdoğan moet herzien en dat ik geen zaken moet doen met Gülen-sympathisanten omdat dat gevolgen kan hebben voor mijn handel met Turkije”

Het Turkse consulaat in, nota bene, mijn eigen Rotterdam stuurde een mail rond waarin zij opriep ‘beledigingen’ aan het adres van president Erdoğan te melden bij het consulaat. Met namen en rugnummers, alstublieft. 
Gelukkig was dat een vergissing van een medewerker van dat consulaat, een misverstandje, anders had ik nu moeten beginnen over NSB’ers, judaskussen en adders aan de borst. 
En dit stuk is al zo lang. 

Wat te zeggen

Goed. Van zo’n regime en haar voorman mag je alles zeggen. Het zou zelfs kwalijk zijn dat niet te doen. ‘Tiranniek’ zou ik hen bijvoorbeeld willen noemen. ‘Dictatoriaal.’ ‘Ondemocratisch.’ ‘Verraderlijk.’ Er is sprake van verregaand machtsmisbruik, een persbreidel en mensenrechtenschendingen. Recep Tayyip Erdoğan smoort elke kritiek op zijn persoon in de kiem, en wel met bijzonder onfrisse middelen. 
Moet Europa daar zaken mee willen doen? En als het dat dan doet, mag Europa nog verbaasd opkijken als blijkt dat afspraken niet nagekomen worden? Zo lang onze politici zich daar tam over op de vlakte houden zouden we juist dankbaar moeten zijn dat satirici en columnisten wél de moeite nemen om aan die onwelriekende pot te rammelen. 
Nee, wij moeten het doen met een politica zoals Frau Merkel, die meneer Böhmermann voor de leeuwen gooide door zijn hekeldicht als “opzettelijk kwetsend” af te doen. Dat was voorbarig en dom. 

Ebru Umar

Onze minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders bezocht Turkije in januari 2015. Prompt werd, tijdens zijn verblijf aldaar, de Nederlandse journaliste Frederike Geerdink in hechtenis genomen. Geerdink werd door een acht man sterk team van de Turkse Anti-Terrorisme Eenheid aangehouden en overgebracht naar een politiebureau. Haar huis werd doorzocht en ze werd beschuldigd van “het verkondigen van ‘propaganda voor een terroristische organisatie”. Tijdens datzelfde verblijf van Koenders in Turkije werd de Turks-Nederlandse journalist Mehmet Ülger opgepakt op het vliegveld van Istanboel.
Was het toeval dat columniste Ebru Umar werd aangehouden kort nadat minister Koenders Turkije weer met een bezoekje verblijdde? Op 10 april prees hij zijn Turkse ambtgenoot voor het feit dat Turkije “met toewijding en energie” zo veel vluchtelingen opvangt én sprak hij met vertegenwoordigers van Amnesty International en de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. 
Amnesty International en UNHCR berichtten de minister over misstanden bij de terugkeer van vluchtelingen in Turkije. Turkije heeft enkele duizenden Syrische vluchtelingen illegaal teruggestuurd naar Syrië, terug de oorlog aldaar in. Die informatie brengt de vluchtelingendeal tussen de Europese Unie en Turkije in gevaar. De Tweede Kamer vroeg minister Koenders daar navraag naar te doen.
Op 23 april werd Ebru Umar door de Turkse politie in haar vakantiehuis in Kusadasi gearresteerd. Inmiddels in ze weer vrijgelaten, maar ze mag het land niet verlaten. Of dat toeval is, dat waag ik te betwijfelen. 

Vrijheid van meningsuiting in Nederland

Onze vrijheid van meningsuiting is niet in het geding. Zeker, dat durf ik met droge ogen neer te pennen. Er is geen overheidsorgaan, commissie van wijzen of censor die ons van tevoren de maat neemt en besluit of hetgeen wij wilden gaan zeggen, schrijven of uitzenden wel toelaatbaar is. 
Achteraf kan een uitlating door een rechter getoetst worden, dat dan weer wel. De vrijheid van meningsuiting is in Nederland namelijk niet absoluut en is dat ook nooit geweest, maar ze wordt begrensd door eenieders “verantwoordelijkheid volgens de wet”. Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het allerminst. In onze Grondwet kunt u het volgende lezen: 

Artikel 7 Grondwet
1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.            
2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending.
3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

De wet is dus enige restrictie aan onze vrijheid van meningsuiting. Niet het goede fatsoen, whatever that may be. We hebben zelfs niet de plicht goed na te denken voor we wat zeggen, laat staan een plicht om het debat met steekhoudende en beschaafde argumenten te voeren. 
Die wet nu, stelt dat opruien, aanzetten tot haat, bedreiging, belediging, belediging van groepen mensen, aanzetten tot geweld, laster en smaad en al wat dies meer zij niet mogen. Daar liggen dus de strafrechtelijke grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Om de zaak nog wat ingewikkelder te maken kent ons rechtssysteem ook nog een aantal “Get out of Jail Free Cards”.

Opzet en context

De context waarbinnen een uitlating gedaan wordt telt namelijk ook nog mee, net als de intentie van de spreker. Dat is deels subjectief en dus is dat ook meteen waar de haarkloverij begint. Ik mag zeggen en vinden wat ik wil, ook als u dat onwelgevallig is, maar ik mag niet beledigen, discrimineren, lasteren of smaden. Het onderscheid daartussen ligt hem in de intentie waarmee ik spreek, niet toevallig gaat het in zulke gevallen bijna altijd om zogeheten opzetdelicten, en ik moet dus wel de bedoeling gehad hebben u te beledigen of te smaden.
De intentie waarmee ik gebruik maak van mijn vrijheid van meningsuiting telt dus ook. Ik ben vrij me uit te laten over uw allerheiligste huisjes, ook wanneer gaat over hete hangijzers als de zondagsrust, abortus, euthanasie, kinderbesnijdenis of de onverdoofde slacht, maar ik mag u daarbij niet opzettelijk beledigen. Dat u aanstoot neemt aan mijn opinies is uw probleem, wanneer ik u opzettelijk beledig dan is dat mijn probleem. Het al dan niet aanwezig zijn van de opzet te beledigen is het verschil tussen een mening en een belediging in een notendop.

Maatschappelijk debat

Wanneer iemand uitlatingen doet die in principe onder het strafrecht vallen, maar hij hij die uitlatingen doet om een maatschappelijk probleem aan te kaarten, is hij in beginsel niet strafbaar. 
Een piepjonge journaliste van Spunk! probeerde dat jaren geleden eens uit. De op een na laatste veroordeling wegens majesteitsschennis stamt uit 2007, toen in de zomer van dat jaar een meneer Regillio A. “De koningin van Nederland is een hoer” riep en daarnaast een politieagent beledigde. Meneer A. werd veroordeeld vanwege de majesteitsschennis en de belediging van een politieambtenaar in functie. De boete bedroeg vierhonderd euronen.
De journaliste van Spunk! vond daar het hare van en besloot de veroordeling vanwege majesteitsschennis aan de kaak te stellen. Dat deed zij door zo’n zelfde tekst op een t-shirt te schrijven en met dat t-shirt aan op de Dam te gaan staan. Op een tweede T-shirt schreef ze “Alle moslims zijn geitenneukers” en ze vroeg voor haar reportage voorbijgangers welke van de twee teksten zij kwetsender vonden. Ze werd aangehouden, maar werd niet vervolgd vanwege haar intentie het publieke debat over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting aan te zwengelen.
Die afweging pakt overigens niet altijd zo positief uit. Misschien kunt u zich de onverkwikkelijke affaire Gregorius Nekschot nog herinneren?  Deze cartoonist bekritiseerde de islam en links Nederland met zijn tekeningen. Op grove wijze, dat moet ik daar wel bij zeggen. Hij werd op 13 mei 2008 aangehouden op grond van een aangifte die in 2005 tegen hem was gedaan door de Nederlandse imam Abdul-Jabbar van de Ven. Op 21 september 2010 besloot het Openbaar Ministerie de cartoonist niet te vervolgen, alhoewel het de cartoons wel strafbaar achtte. Anderhalve dag in voorlopige hechtenis was wel afdoende voor jarenoude tekeningen, zo vond men.
De ironie wil dat dezelfde imam Abdul-Jabbar van de Ven, die de drijvende kracht was achter de aangiften tegen cartoonist Gregorius Nekschot, op zijn beurt wel meende Geert Wilders een dodelijke ziekte toe te kunnen wensen en verheugd reageerde op de dood van Theo van Gogh, wiens ideeën hem niet aanstonden. 
Dat is iets dat ik wel heel vaak opmerk in discussies over het vrije woord; juist degenen die graag uitdelen hebben moeite met op hun beurt incasseren. Datzelfde geldt ook de heer Wilders, die de koran met Mein Kampf vergeleek, maar zelf met civiele zaken dreigt wanneer mensen hem op zijn beurt met Adolf Hitler vergelijken.

Vrijheid van religie

Het wordt echter nog veel ingewikkelder. Het begint een beetje op Animal Farm te lijken, maar het is in Nederland daarnaast zo dat some animals are more equal than others.
Artikel 6 van onze Grondwet bijvoorbeeld, levert voor gelovigen een verruiming op van de evenzeer grondwettelijke vrijheid van meningsuiting. Neem nu het Vrouwenstandpunt van de SGP. Of het proces (LJN AE1154, hoger beroep AF0667) tegen imam Khalil El Moumni. Dat maakte al duidelijk dat een gelovige wegkomt met beledigingen, waar een ongelovige voor veroordeeld zou worden, simpelweg door die te doen met een hand op een heilig boek. Imam El-Moumni zei op televisie dat “als de ziekte van de homoseksualiteit zich verspreidt, iedereen besmet kan raken. Daar zijn wij bang voor. Wie maken nog kinderen als mannen onderling trouwen en vrouwen ook?” 
Die uitlatingen zijn, aldus de rechter, op zich zelf genomen zodanig kwetsend voor personen met een homoseksuele gerichtheid dat die uitlatingen binnen het bereik van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht vallen. Omdat de man met die uitlatingen van zijn godsdienstige overtuiging kond deed werd hij echter vrijgesproken, want dan mag ‘t. 
Overigens zie ik ook hier diezelfde trend van mensen die niet willen incasseren terwijl ze zelf wel uitdelen. In diverse ‘heilige’ geschriften staat heel wat aan onverkwikkelijke zaken over geweld, moordpartijen, verkrachting, slavernij, incest, roof, steniging, onderdrukking, gruwelijke straffen en volkomen zotte verboden. Niet zelden zijn ze kwetsend, beledigend of ronduit gevaarlijk waar het om ongelovigen gaat, om afvalligen, vrouwen en homoseksuelen bijvoorbeeld. 
Zouden die teksten op hun eigen merites beoordeeld worden, buiten de vrijheid van religie, dan zou een aanzienlijk aantal ervan zonder meer strafbare feiten opleveren.
Daar heeft tot aan 1 februari 2014 het verbod op smadelijke godslastering tegenover gestaan, waarmee de gelovige medemens ook nog eens op meer bescherming door de wet mocht rekenen dan de niet-gelovige. Met het uit het Wetboek van Strafrecht schrappen daarvan kwam er gelukkig een einde aan die rechtsongelijkheid.

Extra bescherming

Zo’n wetsartikel dat de ene mens meer bescherming door de wet biedt dan de andere mens, past dat wel in een democratie, die per definitie gestoeld is op het menselijk gelijkheidsideaal? Is het gewone wetsartikel dat belediging verbiedt niet goed genoeg voor de religieuze medemens, de koning en de ambtenaar in functie? 
De belediging van bevriende staatshoofden en regeringslieden (zo lang ze onze vrindjes niet zijn beledigt u maar een end weg) is ook bij wet verboden, vermits zij ten tijde van de belediging ambtelijk in Nederland verpoosden. 
De affaire Jan Böhmermann bewijst het gevaar van zo’n wetsartikel. Daar maakt een langetenenpotentaat zoals de Turkse president handig misbruik van, door Duitslands eigen wetgeving in stelling te brengen tegen een van haar eigen komieken. 
Het is Turks olieworstelen met de vrije meningsuiting, een glibberige bedoening die het risico met zich meebrengt dat een van de lange armen van Erdogan zo maar opeens je broek in glipt en hij je bij de spreekwoordelijke ballen heeft. 
Moet je niet willen. 

Luisteren naar een ongemakkelijke boodschap

Eerlijk is eerlijk, van het NRC-artikel ‘Witte mensen moeten eens luisteren’, een serie interviews met respectievelijk Anousha N’Zume, Mariam el Maslouhi, Arzu Aslan en Seada Nourhussen, werd ik een beetje pissig. Om niet al te primair te reageren schoof ik het terzijde. De neiging boos te reageren was te groot.

Dat lag hem meteen al in dat ‘moeten’. Ik ben ‘wit’ dus voelde ik me aangesproken. En ik ben erg allergisch voor dat woord ‘moeten’ wanneer het komt van mensen die mij wel even komen vertellen wat ik ‘moet’ denken, doen of laten. Al dat ik ‘moet’ is ademhalen. Krantenkoppen worden echter doorgaans gemaakt door redacties, niet door interviewers of geïnterviewden.

Ik mot helemaal niks

Die allergie heb ik met de jaren opgebouwd. Door de leraren die vonden dat ik geen pakket vol exacte vakken ‘moest’ kiezen want dat kunnen meisjes toch niet. Door de decaan van de universiteit in Leiden, die vond dat ik me zorgen ‘moest’ maken omdat er weinig jongeheren van mijn leeftijd in mijn jaargroep zaten (ik stroomde twee jaar later dan gebruikelijk in) en kennelijk vond dat ik niet zo zeer naar Leiden ‘moest’ komen om te studeren maar om een leuke vent aan de haak te slaan. Omdat ik ‘moest’ werken om die studie überhaupt te kunnen betalen schreef ze me bij voorbaat af. Het kon daardoor niet anders of het ‘moest’ zo zijn dat ik door mijn werk die studie toch niet zou halen. ‘Bindend studieadvies’ noemde ze dat. Door de vrouw die me tijdens een verjaardag vroeg of ik mijn moeder nou eens geen kleinkinderen ‘moest’ gunnen? Door de leidinggevende die vond dat ik een technisch verhaal ‘moest’ doen voor een clubje hoge omes omdat zij er zelf niets van snapte en me bedankte door me tijdens dat overleg voor de wolven te gooien. Door die andere leidinggevende, die vond dat ik niet zulke lange woorden ‘moest’ gebruiken en of ik daar nou wat mee te compenseren had?

En het is waar. Ik ben een vrouw. Toevalligerwijs met meer talent voor de alfavakken dan voor de bètavakken. Ik ben een kind uit de arbeidersklasse, mijn ouders hadden het geld niet om me even een studie cadeau te kunnen doen. Dus heb ik me, op zijn Rotterdams, de tering gewerkt om al die rare kwasten te laten zien dat ik het wél kon. Stond ik nieuwe kliko’s van een vrachtwagen te lossen om wat bij te verdienen, belde ik Jan en alleman vanuit callcentra met de meest vervelende enquêtes en aanbiedingen (sorrie nog hoor!) en ging ik niet zelden na een nachtdienst nog even door naar een tentamen.

Daar ben ik trots op. Voor mij geen old boys network of kruiwagen, maar alles op eigen stoom. Ik heb leren sappelen en buffelen. Ik heb plat op mijn bek leren gaan, maar ik heb ook geleerd weer op te staan. Ik ben er zelfredzaam en stronteigenwijs van geworden en ik heb die eigenschappen in anderen leren waarderen. Net als de mensen in mijn omgeving die me wél hielpen, me een kans gunden, in me wilden investeren. Soms komen ze uit onverwachte hoek, maar ze zijn er en ik koester ze.

Waar zit nou de pijn? 

Goed, terug naar die interviews met Anousha N’Zume, Mariam el Maslouhi, Arzu Aslan en Seada Nourhussen. Vier prachtige vrouwen maken een vuist. Daar houd ik van. Vier prachtige vrouwen gaan de confrontatie aan met de gevestigde orde. Daar houd ik ook van. Ze zijn welbespraakt, hebben goede argumenten, pakken stevig uit en benoemen een heel wezenlijk probleem: Racisme en discriminatie.

More power to them. Ik heb een uitgesproken feministische inborst. Sterke bevlogen vrouwen met een sterk uitgesproken mening die hun platform gebruiken om een heikel punt op onze agenda’s te zetten, hoera, halleluja, hoezee, hosanna!

Maar wat maakte me dan zo pissig? Ik herlas het artikel. Meermaals. Op zoek naar het pijnpunt.

Natuurlijk, daar heb je dat white privilege weer waar ik zo slecht mee uit de voeten kan. De herinvoering van een nieuwe erfzonde, die van mijn witte huid. Die notie waarmee men mij met regelmaat wijs lijkt te willen maken dat ik niet ‘moet’ denken dat ik niet alles eenvoudigweg cadeau gekregen heb vanwege mijn roomblanke huidje. Ik schreef het eerder al: Rot op met je erfzonde. Ik ben niet in die nonsens van de eerste erfzonde getuind en wie denkt me met de tweede wel te kunnen vangen, die komt van een koude kermis thuis. Ik laat me niet uitsluiten, niet omdat ik een vrouw ben en ook niet omdat ik ‘wit’ ben.

Ik ben er zelf niet vies van om mannen op plagerige wijze de maat te nemen. Wanneer mevrouw Aslan tijdens het interview met NRC “Witte mannen, je moet ze bréken. Je moet laten zien dat je niet van ze onder de indruk bent” zegt (en interviewer Bas Blokker lijkt haar bij voortduring netjes te citeren) moet ik om het laatste glimlachen.

Mannen bréken, even ongeacht hun huidskleur, zo ver heb ik echter zelfs nog niet willen gaan. Dat deden stoere cowboys vroeger met paarden, bréken. Dan beten ze een paard in zijn oor om het dier te dwingen stil te blijven staan terwijl ze er een zadel oplegden en de singel aansjorden. Ik associeer de term met dwingende overmacht, pijn en stress om de wil van een levend wezen te breken en het tot willoze volgzaamheid te dwingen. Soit, misschien werd mevrouw ongelukkig geciteerd of was het een grapje.

Medestanders buitenspel

Toch, dat is niet waar ik de hik van krijg. Dat is het streng buitenspel zetten van medestanders. In een paar interviews tijd lijken drie van de geïnterviewde vrouwen de vierde al buitenspel te zetten vanwege niet ‘zwart’ genoeg. Erger, die vierde vraagt ’t ook zichzelf af: Heb ik wel recht van spreken en hoor ik hier wel bij? Juist omdat ‘zwarte’ mensen racisme het meest ervaren, aldus de dames volgens hun interviewer, ‘moeten’ zij in de discussie erover de meest vooraanstaande positie innemen.

Of dat werkelijk zo is, dat ‘zwarte’ mensen meer dan wie dan ook lijden onder racisme in het bijzonder of discriminatie in het algemeen, dat weet ik niet. Ik vermoed echter dat vrouwen met een hoofddoek er bepaald ook over kunnen meepraten, de schandalige en extreem discriminatoire ‘kopvoddentaks’ staat mij bijvoorbeeld nog helder voor de geest. Op de arbeidsmarkt bleken sollicitanten met een Marokkaans-Nederlandse achtergrond minder kans om voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd te worden dan hun Hindoestaans-Nederlandse evenknieën.

“Dat is het lastige voor niet-zwarte deelnemers aan de discussie over racisme – ze hebben hierin het minste recht van spreken”, zegt mevrouw Aslan, “ze hebben geen agency.” Vraag ik me toch weer af of die vrouw met een hoofddoekje geen agency heeft, het is een buitengewoon wonderlijke manier om te balloteren. Want dat is wat de dames lijken te doen: Ze vormen een zelfbenoemde ballotagecommissie.

Het wordt nog erger: Veel anderen ‘moeten’ er hun mond over houden. Het is niet genoeg om je bewust te zijn van racisme en niet racistisch te willen zijn en van goede bedoelingen willen de dames al helemaal niets weten. De ‘witte’ filmmaker Sunny Bergman hoort een film zoals ‘Zo zwart als roet’ niet maken, want zij is geen slachtoffer in dit verhaal, aldus mevrouw Mariam el Maslouhi.

Voor zulke ‘witten’ is een nieuwe term uit Amerika geïmporteerd: de helper whitey. Het helpende witje.

Al gauw volgt een ingezonden stuk “Luisteren naar een ongemakkelijke boodschap” van de vier dames op Joop.nl, in antwoord op de ophef die het interview in het NRC opleverde. Het is voornamelijk de schuld van witte man Bas Blokker. De dames zijn door NRC ‘negatief geframed’.

Waar is zo’n helper whitey wanneer je hem nodig hebt?

Parallel met het feminisme

Want nodig heb je ‘m en dat is de werkelijk ongemakkelijke boodschap. Zonder op hem neer te kijken en hem af te schepen met een pejoratief klinkende titel. Zo zijn vrouwenrechten zijn echt niet door louter en alleen vrouwen bevochten. Mannelijke medestanders hebben juist ontzettend veel voor die goede zaak betekent. Friedrich Engels, Parker Pillsbury, John Stuart Mill, Denis Diderot – de lijst met mannen die zich met de strijd tegen seksisme en voor gelijke rechten bemoeid hebben is lang. Ik zou hen niet durven weg zetten als ‘helpende mannetjes’. Daarmee zou ik hun bijdragen bagatelliseren en dat verdienen zij niet. Ik ben hen juist erkentelijk. Mannen uitsluiten is net zo seksistisch als het uitsluiten van vrouwen. In die zin bevrijdden de mannelijke feministen ook zichzelf. Wil je werkelijk een zinnige en bovenal constructieve dialoog voeren, dan heb je elkaar nodig.

Hé-lé-máál kláár

FC Utrecht-directeur Wilco van Schaik is hé-lé-máál klaar met een deel van de fanatieke aanhang van zijn voetbalclubje omdat ze racistische spreekkoren lieten horen. Thomas Agyepong, een Ghanese speler van FC Twente, werd door de eencelligen tussen het publiek toegezongen met “Ik heb geen bananen vandaag” toen hij met een blessure op de grasmat lag te zieltogen.

Onversneden racisme dus, laakbaar en een spelbederver bij uitstek.

Dat meneer Van Schaik daar hé-lé-máál klaar mee is werd eens hoog tijd, dat hoogst onbeschaafd fenomeen is natuurlijk al veel te lang onderdeel van het wangedrag van de Twaalfde Man. Gelukkig liet in het geval van de spreekkoren tegen meneer Agyepong het deel van het publiek dat wel zijn gemiddelde 1,3 kilo mensenbrein volledig weet te benutten zich horen tégen de spreekkoren zingende mede-voetbalfans.

Supporters op de Bunnikside, waar de eencelligen van het bananenliedje zaten, kwamen eerder ook al in opspraak na het zingen van antisemitische liederen tijdens de wedstrijd van FC Utrecht tegen Ajax. ”Me vader zat bij de commando’s, me moeder zat bij de SS. En samen verbrandden zij Joden, want Joden die branden het best” zo zongen de voetbalschatjes.

De KNVB bestrafte dat gezang met een geldboete van tienduizend euronen en verordonneerde dat de Bunnikside bij de eerstvolgende wedstrijd tegen Ajax leeg moest blijven. De club moest dus bloeden voor het wangedrag van haar supporters en dat zal meneer Van Schaik mede geïnspireerd hebben tot zijn boude uitspraken over de bananenzangers. Een leeg vak levert geen geld op en dat is vervelend.

Hypocriete houding FC Utrecht 

FC Utrecht ging in beroep tegen de straf. Niet alleen dat, de club schreef de seizoenkaarthouders op die beruchte Bunnikside een geruststellende brief met daarin de belofte dat de club voor hen wel een andere plaats zou vinden in het stadion tijdens de eerstvolgende wedstrijd tegen Ajax. Daarmee gaf de voetbalclub al bij voorbaat aan peop te hebben aan de KNVB en haar sancties en niet meer dan lippendienst te bewijzen aan de strijd tegen discriminatie in haar voetbaltempel.

FC Utrecht kreeg nul op het rekest bij de commissie van beroep van de KNVB. Ook vervelend.

Nog vervelender zal het geweest zijn dat de burgemeester van Utrecht, Jan van Zanen, op zijn beurt besliste dat Ajax-supporters dan niet welkom zullen zijn bij de wedstrijd van hun club tegen FC Utrecht op 13 december. De Utrechtse burgervader is namelijk bang voor rellen, omdat de voetbalschatjes van de Bunnikside dus elders in het stadion gewoon welkom zijn. Och en wee, teleurstelling alom. Vooral de KNVB werd daar heel erg ‘drietug van. De PvdA stelde zelfs Kamervragen over het weren van de Ajax-fans.

De Utrechtse burgemeester had nog veel meer noten op zijn zang, die de club ietwat dissonant in de oren geklonken zullen hebben. FC Utrecht moet een plan maken voor het plaatsen van supporters die gewoonlijk op de Bunnikside zitten, want daarin heeft de club nog niet voorzien. Een nieuw camerasysteem in het stadion moet klaar zijn, want in het geval van de antisemitische spreekkoren kon de club de zangers ervan ‘niet identificeren’ en dat verdient natuurlijk remedie.

Meneer Van Schaik wil nu daadkrachtig in kaart brengen wie de racistische spreekkoren over die bananen zongen.

Een discriminerende FC Utrechter hebben we echter al in het snotje, maar daar heb ik meneer Van Schaik helaas nog niet over mogen horen. Speler Nacer Barazite was namelijk live vol in beeld toen hij weigerde een vrouw de hand te schudden. De hem onwelgevallige vrouwenhand is die van verslaggeefster Helène Hendriks van FOX Sports. Zij wilde de voetballer met het onverzorgde vlasbaardje netjes bedanken voor het haar gegeven interview door hem de hand te schudden, maar die weigert. Hij verbergt zijn knuistjes ostentatief achter de rug.

Mevrouw Hendriks lijkt van tevoren gedresseerd, want ze reageert schroomvallig met een “O ja, ik geef jou geen hand, dat is waar”. Oepsie, helemaal vergeten mee te gaan in een stukje onversneden seksisme!

FC Utrecht, dat in het geval van de racistische kwetsende spreekkoren in elk geval nog het fatsoen had met een verklaring naar buiten te treden, houdt zich stil over de laakbare houding van een van haar employees.

Discriminatie in het voetbal is gewoon best oké. Zo lang het maar geen geld kost en het ‘gezellige middagje voetbal’ niet in het gedrang komt. Want da’s pas echt vervelend. Toch? Meneer Van Schaik? PvdA?

Nederland in Europees perspectief

Het Sociaal Cultureel Planbureau publiceerde op 8 oktober jongstleden de uitkomsten (PDF) van een onderzoek naar de stemming in Europa. Het onderzoek is uitgevoerd door onder anderen Jeroen Boelhouwer (SCP), Gerbert Kraaykamp (Radboud Universiteit) en Ineke Stoop (SCP). De stemming in andere Europese landen werd vergeleken met die in ons mooie kikkerlandje. Onze Nederlandse opinies, houdingen en waarden werden de maat genomen en tegen de Europese lat gelegd.

Binnen de context van de gebeurtenissen van de laatste jaren, zoals economische crisis, de penibele financiële situatie van Griekenland en de vluchtelingenstroom die onze kant op komt, zijn de onderzoekers op zoek gegaan naar de solidariteit en de bereidheid elkaar behulpzaam te zijn tussen de Europese landen onderling – en naar gedeelde en ongedeelde waarden, normen en opvattingen. Dat staat natuurlijk garant voor interessante uitkomsten, al was het maar omdat Europa alles behalve eenheidsworst is.

Om die stemming te peilen, en de respectievelijke stemmingen te kunnen vergelijken, hebben de onderzoekers zich toegespitst op een drietal pregnante onderwerpen; Migranten, het vertrouwen in de politiek en de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Daarnaast hebben zij het geluksgevoel onder de bevolking getracht te meten. Een onderzoek dus dat zich vooral bezighoudt met subjectieve zaken en dat op basis van subjectieve gegevens.

Voor hun onderzoek hebben zij onder andere gebruik gemaakt van gegevens uit de European Social Survey, uit 2012, waaraan 28 landen meededen. Eind dit jaar verwachten ze de uitkomsten van de meest recente European Social Survey. Daarnaast baseerden ze zich op hardere data zoals die van Eurostat, de oecd, de Wereldbank en het IMF en deden zij nader literatuuronderzoek.

Met dat alles willen ze ons, Nederlanders, graag een spiegel voorhouden.

Daar houd ik wel van. Kom maar op met je spiegel. Ik ben dus zo aardig geweest dit 144 pagina’s tellende rapport voor u door te spitten.

Migranten

Nederland blijkt een middenmoter voor wat betreft de weerstand die wij tegen migranten voelen. Er blijkt daarnaast een samenhang te zijn tussen in hoeverre wij migranten als een bedreiging ervaren en onze mate van ‘euroscepsis’. Lageropgeleiden blijken daarnaast meer dreiging van migranten te ervaren en tegelijkertijd sterker eurosceptisch te zijn dan hogeropgeleiden.

De onderzoekers zien een directe relatie tussen die ervaren dreiging en de daarbij behorende eurosceptische houding en de steun voor nationalistisch-populistische partijen. In landen met een relatief grote aanhang van nationalistisch-populistische partijen is de negatieve houding ten opzichte van migranten en de Europese Unie sterker.

De meeste Nederlanders (80%) vinden dat er slechts een beperkt aantal migranten moet worden toegelaten. Het percentage Nederlanders dat vindt dat er veel migranten of juist helemaal geen migranten moeten worden toegelaten is klein. Kennelijk geven die laatsten dan wel beduidend meer geluid, maar dat is mijn perceptie.

In het algemeen blijkt het in Nederland zo te zijn dat de moeite die iemand met migranten heeft, toeneemt naarmate het contact dichterbij komt. Maar ook hier is in Nederland de houding milder geworden. Tussen 2002 en 2013 is het aandeel mensen dat er moeite mee heeft mensen van een andere etnische achtergrond als buren te krijgen, afgenomen van bijna 60% tot 33%; de weerstand tegen iemand van een andere etnische achtergrond als schoonzoon is eveneens gedaald, maar is nog steeds beduidend groter (68% in 2004 en 58% in 2013; cijfers uit Den Ridder en Schyns 2013).

Tot aan 2013 werden we dus in het algemeen milder in onze opvattingen over migranten. Naarmate zo’n migrant ‘dichterbij’ komt vinden we hem echter steeds minder leuk.

Politiek vertrouwen

Als het gaat om ons vertrouwen in de politiek dan baseren we ons op onze tevredenheid over de nationale economie en niet op onze eigen portemonnee. Daarbij laten we ons vooral leiden door wat televisie en kranten ons vertellen en niet door onze eigen, persoonlijke financiële kwetsbaarheid of zekerheid. Tot hun eigen verbazing ontdekten de onderzoekers dat een hoog of zelfs stijgend werkeloosheidsniveau  (‘onverwacht en contra-intuïtief’) samengaat met een toename van dat politiek vertrouwen. Terwijl ons vertrouwen in de politiek fluctueert is het in de eurocrisislanden dan ook fors dalend.

Ons eigen fluctuerend vertrouwen is daarbij direct te herleiden naar hoe men zich ‘in Den Haag’ gedraagt. Is er gedoe, dan worden we daar meer wantrouwend van. Dat kunnen onze dames en heren politici dan ook meteen ter harte nemen, want we hebben niet zo veel vertrouwen in onze politici, politieke partijen en het parlement: die geven we gemiddeld een 5. Dat lijkt slechter dan het werkelijk is, het hoogst weggegeven cijfer is namelijk een 5,5 (Denemarken). Relatief gezien zitten we met onze 5 in de subtop.

In alle landen, dus ook het onze, blijkt het vertrouwen van burgers in het rechtsstelsel hoger dan het vertrouwen in de politiek. Andere mensen vertrouwen we overigens wel: Het sociaal vertrouwen is hier relatief hoog.

Rolverdeling tussen mannen en vrouwen

Nederlandse mannen en vrouwen onderschrijven relatief vaak een gelijke rolverdeling. Er is gelukkig weinig steun voor de notie dat een vrouw bereid zou moeten zijn minder betaald werk te verrichten omwille van haar gezin. Ook de opvatting dat vrouwen zouden moeten wijken voor mannen in tijden van banenschaarste kan op relatief weinig bijstand rekenen. Vrouwen hebben dan ook een enorme inhaalslag gemaakt op de arbeidsmarkt, al werken zij nog erg vaak in deeltijdverband.

Lageropgeleiden en niet-werkenden blijken er meer traditionele opvattingen op na te houden over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Nederlanders die opgroeiden met een hoogopgeleide of werkende moeder hebben juist weer meer egalitaire opvattingen. Goed voorbeeld doet dus volgen.

Het is pijnlijk, maar de grootste veranderingen op dit vlak voltrokken zich in Nederland tussen 1990 en 1999 en daarna zijn onze rolopvattingen nauwelijks meer egalitair geworden.

De verschillen die er zijn tussen landen in rolopvattingen tussen mannen en vrouwen blijken vooral gerelateerd aan het bruto binnenlands product (bbp). Economische voorspoed en het aantal zetels die vrouwen hebben in een nationaal parlement blijken sterk gerelateerd aan meer egalitaire rolopvattingen.

De stemming in Nederland en andere Europese landen

Nederlanders geven de mate waarin Nederland democratisch is een 6,9. Daarmee
staan we op de zevende plek van de 28 Europese landen die in 2012 aan de European Social Survey meededen.

We zijn gelukkig. In 2012 waren Nederlanders gemiddeld gelukkiger dan in 2002. Nederlanders gaven in 2012 het leven gemiddeld een 7,9 als rapportcijfer. Alleen de Denen zijn nog ‘veel’ gelukkiger dan wij zijn met hun 8,6.

Sowieso zijn burgers van de Noordse Europese landen gelukkiger dan de rest van Europa. Opvallend is verder dat de crisis van de laatste jaren nergens in Europa tot een daadwerkelijke, substantiële vermindering van de levenstevredenheid heeft geleid.

Verschillen in geluksgevoel

Mensen die werkloos zijn of die een laag inkomen hebben zijn overal minder tevreden met het leven dan werkenden en dan mensen met een hoog inkomen. Daarbij lijkt het zeker te ver gaan om te beweren dat geld gelukkig maakt, maar dat zorgen over een te weinig aan geld ongelukkiger maakt. Welvaart en levenstevredenheid hangen dus samen.

Laagopgeleiden en hoogopgeleiden blijken even gelukkig. De tegenstellingen tussen en laag- en hoogopgeleiden zijn overigens opvallend groot. Zij verschillen enorm van meningen waar het gaat over culturele smaak en sociaal-culturele thema’s zoals migranten, Europa en politiek in het algemeen. Daarnaast komen ze elkaar weinig tegen omdat zij zich beperken tot hun respectievelijke sociale netwerken.

Gezonde mensen zijn (en dat zal u niet verrassen) gelukkiger dan mensen met een minder goede gezondheid.

Wonderlijk genoeg hebben landskenmerken, economische cijfers en vrijheden van bijvoorbeeld vereniging en van meningsuiting geen directe relatie met ons geluksgevoel, terwijl de ervaren effectiviteit van de overheid dat juist weer wél heeft. Hoe effectiever de overheid wordt
ervaren en hoe beter de kwaliteit van haar publieke dienstverlening en haar ambtenarenapparaat, hoe groter het geluksgevoel bij de bevolking.

De verschillen met Zuid- en Oost-Europeanen zijn soms groot, maar die met andere West-Europese en Scandinavische landen zijn tamelijk gering. Op veel vlakken zijn we een middenmoter, maar o, wat hebben we het eigenlijk goed. En dat laat zich meten: Qua geluk zijn we een 7,9. Dat is een mooi spiegelbeeld om eens uitgebreid naar te staren. Het kan altijd nóg beter, maar we hebben het goed.

Dat is Dutch privilege.

Discrimineren de rechters in Nederland?

Grote krantenkoppen vandaag, te beginnen bij Trouw: “Allochtone dader heeft grotere kans op zware straf”. Allochtone daders zouden vaker een gevangenisstraf opgelegd krijgen dan autochtone verdachten én de hun opgelegde straffen zijn ook nog eens langer dan die van hun autochtone evenknieën. Dat riekt naar onversneden discriminatie en waar blijven we dan helemaal met ons mooie grondwettelijke gelijkheidsbeginsel? Nou, dat is nogal wat om je zorgen over te maken!

De krant baseert zich daarbij op een onderzoek dat door de afdeling Criminologie van de Rijksuniversiteit Leiden werd uitgevoerd. Helaas heeft de scribent niet het fatsoen gehad even naar dat onderzoek te linken, opdat zijn lezer dat meteen even voor zichzelf bekijken kan. Dat kan natuurlijk wel, u vindt het hier bijvoorbeeld in pdf: klikkerdeklik. Wie de moeite neemt dat onderzoek zelf even tot zich te nemen komt voor verrassingen te staan.

Dat Leidse onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de Raad voor de rechtspraak, omwille van een eerder onderzoek, in 2012, waarbij zittingen van de politierechter werden bijgewoond en men tot de observatie kwam dat het niet hebben van een uitgesproken Nederlands voorkomen en het de Nederlandse taal niet machtig zijn de kans op een onvoorwaardelijke straf verhoogde.

Dat leidt uiteraard tot de hamvraag: Discrimineren de rechters in Nederland?

In de rechtszaal

Ik heb de goede gewoonte de rechtspraak aardig op de voet te volgen, uitspraken uitgebreid te lezen en ik heb in mijn tijd een aantal rechtszaken bezocht. Onze rechtspraak is immers openbaar en dat is een buitengemeen goede zaak. Ik kan u zo’n bezoek aan een rechtszaak warm aanbevelen: Er gaat waarlijk een wereld voor u open.

Wat mij bij de straftoemeting altijd is opgevallen is de ruimte mate waarin rechters de persoonlijke omstandigheden van verdachten meewegen. Heeft de verdachte een baan bijvoorbeeld, dan wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vaak vermeden omdat een verblijf in Huize Traliezicht die baan doorgaans in gevaar brengt. De meeste werkgevers hebben namelijk helemaal geen zin om een paar maanden op hun werknemer te wachten, terwijl die zijn gevangenisstraf uitzit. Het verliezen van die baan wordt door zo’n rechter als extra straf gezien en dat is niet eerlijk.

Spijtbetuigingen, daar zijn rechters ook gevoelig voor. Hebben ze het idee dat een verdachte zich goed beseft wat hij heeft uitgevroten en wat de consequenties daarvan waren en daarom ‘echt’ spijt heeft, dan leggen ze minder zware straffen op. Wie beterschap belooft, belooft braaf af te gaan kicken en het nóóit meer te doen kan zelfs jarenlang vaste bezoeker zijn van de strafketen. Wie echter, zeker in weerwil van het bewijs in zijn zaak, hardnekkig blijft ontkennen – die heeft een probleem.

Hoe iemand zich verhoudt ten opzichte van het door hem gepleegde delict en zijn houding en gedrag bepalen de straftoemeting. Dat is overigens niet zo zeer mijn gevoel als observant. Zo bleek in 2006 uit onderzoek (Nederlands Juristenblad, nummer 25, 2006) van Mieke Komen al dat een allochtone jongere gemiddeld langer vastzat. Volgens Komen wordt het gedrag van allochtonen jongeren niet goed begrepen door de (meestal autochtone) gedragskundigen. Dat leidt ertoe dat hun oordeel over die allochtone jongere vaak negatiever uitvalt en dat werkt door in de hoogte van de straf die de rechter oplegt.

Het onderzoek

De Leidse onderzoekers hebben drie bestanden over “alle veroordeelden 2007, mensen bij wie de RISc is afgenomen in de periode 2005-2007 en gedetineerden in het Prison Project”. Daarbij gaat het alleen om volwassen verdachten.

Dan is het handig te weten wat de RISc is. Het is een hulpmiddel voor de reclassering en het gevangeniswezen bij het inschatten van de recidivekans, gevaarzetting en de beste interventie voor een specifieke ‘cliënt’. Daarbij wordt een totaalplaatje geschetst van die persoon, van zijn antecedenten, cognitieve vermogens, thuissituatie en al dan niet foute vrinden tot zijn geestesgesteldheid en emotioneel welbevinden.

Het Prison Project is een langlopende monsterstudie naar de effecten van detentie op gevangenen en hun familie. Het betreft mannen die tussen oktober 2010 en april 2011 minimaal drie weken lang in een Huis van Bewaring werden ingesloten.

Opvallend is een eerste, voorzichtige conclusie in het onderzoek: “Een eerste antwoord is dat als we geen rekening houden met andere straftoemetingsfactoren er substantiële verschillen blijken te bestaan tussen etnische groepen: daders met een allochtone herkomst krijgen substantieel vaker en langere gevangenisstraffen opgelegd.”

Maar wat gebeurt er als we wél met die factoren en verschillen rekening houden? Dan blijkt er bar weinig over te blijven van die grotere kans die allochtone daders zouden hebben dan autochtone op een (langere) gevangenisstraf. De paar procent die er wel overblijft is ook allerminst met zekerheid te wijten aan etnische verschillen.

“Zo zien we dat niet-Nederlandse verdachten voor andere delicten terechtstaan (vaker drugsdelicten), vaker al eerder een gevangenisstraf hebben gehad, vaker en langer voorlopig gehecht zijn, vaker ontkennen en minder vaak vrouw zijn.”

Het soort delict waar iemand voor terechtstaat maakt uit. Of hij gerecidiveerd heeft maakt uit. Hoe lang zijn strafblad is, dat maakt ook uit.

Een ander opvallend gegeven zijn de factoren waarmee in dit onderzoek geen rekening gehouden werd. Die zijn namelijk bepaald essentieel. De houding van de verdachte is er daar een van. Wat de onderzoekers “cultureel onbegrip” (zie het onderzoek van Mieke Komen) noemen eveneens en ook de kwaliteit van de verdediging werd ook niet meegewogen.

Conclusie

De grootste verrassing, na het doorspitten van honderd pagina’s, is dus wel dat het onderzoek eigenlijk niets heeft opgeleverd, er is zelfs in het geheel geen concrete aanwijzing dat de verschillen veroorzaakt worden door discriminerende rechters, en er nog meer onderzoek moet komen.

Daar sta je dan, als journalist, met je chocoladeletters.

#Kerstcrisis, de ondemocratische sluiproute van het kabinet

Heeft u gisteravond het debat over de nieuwe zorgwet een beetje kunnen volgen? Ik ben er voor opgebleven, zij het met de luxe wetenschap dat ik vanochtend uitslapen kon. Iedereen die wel eens een nachtdienst gedraaid heeft weet het: Naarmate het later wordt functioneer je slechter. Waarom onze dames en heren politici bij wijze van een soort traditie tot diep in de nacht door debatteren is me dan ook een raadsel.

Zeker bij belangrijke onderwerpen zoals de nieuwe Zorgverzekeringswet van minister Edith Schippers en, veel belangrijker nog, wanneer het kabinet eigenhandig een bijl in de wortels van de democratie slaat.

Misschien werd er juist daarom wel een nachtelijk debat gevoerd, het daglicht lijkt het in elk geval niet te kunnen verdragen.

Hedenochtend werd ik overigens erg verrast door de mildheid waar de politieke escapades van de laatste dagen en afgelopen nacht mee door de pers ontvangen worden.

Marktwerking en de vrije artsenkeuze

Wat was er nou aan de hand? Wel, in een notendop: Er moet gewoon één miljard euro op de zorg bezuinigd worden en dus moet het zorgstelsel hervormd. Marktwerking, met als gevolg een verschuiving van macht naar wat grote zorgverzekeraars, en een beperking van de vrije artsenkeuze (voornamelijk voor mensen die zich geen duurdere polis kunnen veroorloven) moesten daarvoor garant staan. Door verzekeraars meer zeggenschap te geven over de zorgverlener waarmee u als patiënt in zee moet, zult u straks vooral diensten van zorgverleners waar die verzekeraars een contractje mee hebben moeten afnemen. Dat is goedkoper, meent men.

Nu heeft u wel het fundamentele recht om zelf te bepalen door wie en hoe u zich laat behandelen en deze wet beperkt u daar dus in. Tenminste, zo lang u zich de duurdere “restitutiepolis” niet kunt veroorloven. Kunt u dat wel, dan behoudt u dat recht. Dat zou ik een bepaald ongezonde tweedeling in de maatschappij willen noemen.

Wanneer ik zeg “recht” dan bedoel ik uw in onze Grondwet verankerde rechten. Artikel 1 van de Grondwet bijvoorbeeld, die dicteert dat u in gelijke gevallen ook gelijk behandeld dient te worden. Daarnaast belooft Artikel 10 u eerbiediging van uw persoonlijke levenssfeer en Artikel 11 de onaantastbaarheid van uw menselijk lichaam. Artikel 22 van de Grondwet draagt de overheid op om maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid. U heeft het recht op toegang tot gezondheidszorg en dat mag derhalve niet van uw financiële situatie afhangen.

De dwarsliggers van Eerste Kamer

Gelukkig stak de Eerste Kamer daar afgelopen dinsdag een kordaat stokje voor de nieuwe Zorgverzekeringswet. Achtendertig leden stemden tegen, waaronder drie leden van de Eerste Kamerfractie van de PvdA. Achtendertig senatoren lagen geheel terecht en volkomen principieel dwars. Daar houd ik van. Daarmee is meteen ook nut en noodzaak van de Eerste Kamer weer bewezen. Denkt u daaraan, de volgende keer als een of andere politicus oppert die weg te bezuinigen?

De organisatie Zorgverzekeraars Nederland reageerde “teleurgesteld” op het sneuvelen van het wetsvoorstel, maar de Landelijke Huisartsen Vereniging was juist positief: “Het is goed dat de kwaliteit en niet de prijs doorslaggevend zijn. Een groot goed voor patiënt en arts”, aldus LHV-bestuurslid Paulus Lips. Dat is een veelzeggende tweedeling, me dunkt.

Algemene Maatregel van Bestuur

Goed. Gebelgd probeerde het kabinet ons vervolgens een hoogst eigenaardig kunstje te flikken. Mevrouw Schippers dreigde met opstappen en erger nog, het kabinet dreigde met een Algemene Maatregel van Bestuur. Zou de Eerste Kamer een licht gewijzigde en opnieuw ingediende Zorgverzekeringswet weer afwijzen, dan zou het kabinet het parlement gewoon omzeilen om de nieuwe wet toch door te drukken. Een Algemene Maatregel van Bestuur vergt namelijk geen instemming van het parlement.

Dat is in strijd met het staatsrecht. Een Algemene Maatregel van Bestuur is weliswaar een besluit van de regering, dat zonder medewerking van de Eerste en Tweede Kamer gemaakt wordt, maar er moet wel een wet aan ten grondslag liggen. In een Algemene Maatregel van Bestuur wordt de inhoud van die wet verder uitgewerkt.

Mij overviel het beeld van stampvoetende kleuters. Minidictators met mantelpakjes en stropdasjes.

De kern van het wetsvoorstel blijft, ondanks de compromissen, echter overeind: Zorgverzekeraars hebben straks geen verplichting meer om de rekening van zo’n niet-gecontracteerde zorgverlener (grotendeels) te betalen. Het is dan ook afwachten of de Eerste Kamer het wetsvoorstel niet gewoon een tweede keer torpedeert én of het kabinet die Algemene Maatregel van Bestuur uit haar trukendoos tovert.

Komt het zo ver, dan is de tijd aangebroken het hele spul naar huis te sturen.

Gerard T.

Voor zo ver we weten sloeg de man, die bekend zou komen te staan als de Utrechtse serieverkrachter, voor het eerst toe op 5 september 1995. Op de avond van 26 september 1995 fietste een jonge vrouw door de Archimedeslaan in Utrecht, toen er hij naast haar kwam fietsen en haar klem reed. Nadat hij haar dwong van haar fiets te stappen trok hij haar een bosschage in, waar hij haar verkrachtte. In 1995 en 1996 verkrachtte hij zes vrouwen en probeerde dat bij nog eens twaalf.

Signalement en modus operandi

Uit de beschrijvingen van zijn slachtoffers bleek dat de Utrechtse serieverkrachter een blanke man moest zijn, een vadsige man met een bol gelaat en een oorbel in een oor. Zijn modus operandi was steeds hetzelfde: Hij bereidde zijn misdrijven goed voor, zo knipte hij van tevoren gaten in afrasteringen om een vluchtweg zeker te stellen. Hij naderde zijn slachtoffers van achteren, eerst op een fiets en later met een scooter, en nam ze onder bedreiging met een mes een bos in om hen daar te verkrachten – op alle mogelijke manieren. De handen van zijn slachtoffers bond hij met witte tie-wraps vast. Bij het verkrachten ging hij bruut te werk, zo gebruikte hij meermaals een fietspomp.

Hij schold zijn slachtoffers uit en bedreigde hen, maar na de verkrachting deed hij juist aardig tegen zijn slachtoffers en betuigde zelfs spijt.

Zo plotseling als de serie verkrachtingen begon, zo plotseling leek deze ook te eindigen. Tot de man in 2001 weer toeslaat en een vrouw van haar fiets rijdt. Wanneer hij twee maanden later een meisje van zestien jaar te grazen neemt en haar meerdere malen verkracht is het zeker: De Utrechtse serieverkrachter is terug. Het kind wordt uren later onderkoeld en aan een boom vastgebonden gevonden, haar mond met tape dichtgeplakt.

Onderzoek en aanhouding

Bijna twintig jaar lang is er naar hem gespeurd, meer dan 75 rechercheurs hielden zich met die zoektocht bezig, van bij elkaar 1750 mannen werden alibi’s nagetrokken, duizenden tips nagelopen en er werd een grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek opgetuigd.

Er werd een daderprofiel van hem opgesteld: Een op het oog normale man. Een man die niet uit woede of bij gelegenheid verkracht, maar op zoek is naar macht en controle over vrouwen. Men vermoedde dat hij een eenzame man moest zijn, onaantrekkelijk wellicht, die zijn teleurstelling in het leven op seksuele wijze af zou reageren.

Dan maakt de serieverkrachter eindelijk een fatale fout. Hij steelt een lokfiets en moet vanwege dit feit verplicht DNA afstaan. Op diefstal staat namelijk een maximum straf van vier jaren en het is een zogeheten voorlopig-hechtenis-misdrijf, waarbij dus de afnameplicht geldt.

Dat afgenomen DNA levert een match op met genetisch materiaal, dat bij drie van de verkrachtingen door de Utrechtse serieverkrachter werd aangetroffen. Eindelijk is er een doorbraak. Verdachte is de 51-jarige Gerard T. uit Nieuwegein, die in juli van dit jaar werd gearresteerd.

Gerard T. blijkt zelfs tot tweemaal toe al in beeld geweest te zijn als vermoedelijke dader, zijn collega’s meenden hem op de compositietekening te herkennen, maar er werd geen bewijs tegen hem gevonden. Hij was een van de weinigen die weigerde mee te werken aan het DNA-verwantschapsonderzoek.

“Gewoon een gezellige jongen.”

Het jaren geleden geschetste daderprofiel lijkt nu alvast, deels in elk geval, accuraat. Een voormalig collega van Gerard T. beschrijft hem als “Een harde werker en een vrolijke gast. Gewoon een goede jongen. Het was wel een jongen waar je geen ruzie mee moest krijgen, als je eenmaal ruzie met hem had dan moest je uit de buurt blijven.”

Vandaag vond de eerste openbare zitting in deze zaak plaats. Gerard T., die er tot nu toe stoïcijns het zwijgen toe doet, is door de rechtbank bevolen bij deze zitting te verschijnen.

Deze pro-forma zitting konden we natuurlijk live volgen, onder andere via Twitter. De pers was in ruime mate aanwezig. Niet dat we er veel wijzer van werden, al wat de man zegt is “geen antwoord”.
Kennelijk is hij zo spraakzaam niet meer. 
Gerard T. blijft voorlopig vastzitten. Op 19 januari 2015, om 10 uur, volgt de volgende zitting. 

James Foley, in memoriam

Van nature ben ik een dromer en ik heb de onhebbelijkheid regelmatig de grote boze werkelijkheid te willen ontvluchten. Wordt die me te veel, dan ontsnap ik dagenlang naar de fantasiewereld van een goed boek, dompel ik mezelf onder in de fantasy van Robin Hobb of duik ik onder in een historische roman.

Dat is heerlijk, zo’n vlucht, maar ook onverstandig.

Je kunt maar beter weten wat er werkelijk speelt. In je directe omgeving en verder weg. Door scha en schande leerde ik dat wegduiken voor de realiteit haar niet verandert en je voor onaangename verrassingen kan stellen.

Dus volg ik ook de non-fictie verhalenvertellers van nu op de voet. Nationale en internationale dagbladen, blogs, wetenschappelijke bladen – ik doe mijn uiterste best bij te blijven. Me in te lezen in kwesties waarvan ik meen wat te moeten vinden. Daarbij heb ik een speciaal slag journalisten leren waarderen.

Journalisten als James Foley, die dapper genoeg zijn om zich naar conflictgebieden te begeven en van daar uit eerste hand kond te doen van de gebeurtenissen aldaar, zijn de levenslijn van de slachtoffers van die conflicten met de buitenwereld. Dat is wat James Foley in het roerige Syrië beoogde te doen: de wereld vertellen van het leed van de Syrische bevolking.

James Foley wist hoe gevaarlijk dat kan zijn. Hij werd, samen met nog drie andere journalisten, eerder al eens beschoten, ontvoerd en zes weken lang vastgehouden in Libië. Een van hen, de Zuid-Afrikaanse fotograaf Anton Hammerl, bekocht dat met zijn leven. James Foley wist waar hij aan begon, maar vond dat belangrijk genoeg om zijn eigen leven in de waagschaal te stellen.

“Ik geloof dat frontlinie-journalistiek belangrijk is. Zonder deze foto’s en video’s kunnen we de wereld niet vertellen hoe ernstig de situatie kan zijn.” – James Foley, 2011

Ik keek naar het filmpje van de laatste momenten van James Foley. In een oranje overall gekleed, die uiteraard doet denken aan de oranje gevangeniskledij van Guantánamo Bay, met zijn handen op zijn rug gebonden geknield naast een man in het zwart. Zijn hoofd is kaalgeschoren en zijn gezicht staat strak terwijl hij zijn laatste woorden spreekt. Woorden die niet van hem zijn, maar die hij gedwongen wordt op te lezen. Woorden die hem duidelijk moeite kosten.

Ook de man in het zwart heeft een boodschap, dit is zijn Message to America. Tot mijn verbazing hoor ik een Britse tongval.

De man in het zwart heeft al die tijd een mes in zijn hand. Het blikkert in de zon. Hij grijpt het hoofd van James Foley vast, trekt diens kin omhoog, legt hem het mes tegen de keel en begint te zagen.

Ik voel mijn hartslag oplopen en proef gal achter in mijn mond. De palmen van mijn handen worden klam.

Ik kijk echter niet weg. Dat heeft James Foley bij leven ook nooit gedaan.

Video: Syria’s casualties of war

Video: Scenes from Aleppo

Video: Inside Gaddafi’s Libya

Meer van James Foley: Global Post

"When we rape, we feel free"

Aanstaande dinsdag, 10 juni, begint in Londen een internationale bijeenkomst tegen seksueel geweld in conflictgebieden. Deze top, de Global Summit to End Sexual Violence in Conflict, is een initiatief van William Hague (de Britse minister van Buitenlandse Zaken) en Angelina Jolie (speciaal VN-gezant voor vluchtelingen). Onze eigen minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans zal deze bijeenkomst bijwonen.

Al sinds mensenheugenis worden, overal ter wereld, vrouwen, meisjes, mannen en jongens door strijdende partijen belaagd en verkracht. Het is een barbaars middel om hele gemeenschappen te ontwrichten, de levens van slachtoffers te ruïneren en hele bevolkingen angst aan te jagen. Het blijft doorgaans ongestraft.

In de Democratische Republiek Congo bijvoorbeeld, die sinds 1994 geplaagd wordt door etnische onlusten en burgeroorlog, worden elk uur gemiddeld 48 vrouwen verkracht en 12% van de vrouwen is een of meerdere keren verkracht. Naar schatting (2008) is 65% van de slachtoffers jonger dan 18 jaar en 10% zelfs jonger dan tien jaar.

Tijdens de top zal onder meer de documentaire ‘Seeds of Hope’ van Fiona Lloyd-Davies gepresenteerd worden, waarin we kennis maken met Masika Katsuva. Masika werd op 15-jarige leeftijd voor het eerst verkracht, door een leraar. In 2000, ze was inmiddels getrouwd en had twee tienerdochters, drongen militieleden haar huis binnen. Zij verkrachtten Masika en haar dochters, waarna ze haar man vermoordden. Masika raakte zwaargewond, haar dochters beiden zwanger. Masika’s schoonfamilie zette haar buiten de deur.

Masika stichtte een opvang voor lotgenoten, waar ze hen medische, praktische en psychologische hulp probeert te bieden. Ze vangt er slachtoffers en hun kinderen op en probeert slachtoffers met hun echtgenoten en familie te verzoenen. Vrouwen die verkracht werden worden namelijk niet zelden door hun echtgenoten afgewezen en verlaten.

Gezamenlijk verbouwen de vrouwen gewassen en brengen de kinderen groot. Samen proberen ze het leven weer op te pakken en een nieuw bestaan op te bouwen. Dat doet Masika met gevaar voor eigen leven, sinds ze haar goede werk begonnen is heeft ze dat met nog eens drie verkrachtingen moeten bekopen.

Fiona Lloyd-Davies wist ook soldaten voor haar camera te krijgen. Hun ontboezemingen zijn ontluisterend. Zo zegt een van hen:

“It’s true that we raped here. We found women because they can’t escape. You see her, you catch her, you take her away and you have your way with her. Sometimes you kill her. When you finish raping then you kill her child. When we rape, we feel free.”

Tijdens de Global Summit to End Sexual Violence in Conflict zal ook een initiatief van een aantal Nobelprijswinnaressen gelanceerd worden: Survivors United for Action. Minister Timmermans zal daarbij, net als elk van deze Nobelprijswinnaressen, een overlever van seksueel geweld op het podium roepen. Hij zal Hania Moheeb uit Egypte voorstellen.

Meedoen? Take the pledge today!