Iedereen journalist

De NTR heeft zich verdiept in de wereld van papieren en virtuele kranten, met als resultaat een aardig drieluik. Vorige week maandag werd het eerste deel daarvan uitgezonden, gisteravond het tweede. De journalistiek is niet meer wat het geweest is. Dat geldt zowel haar vorm als haar inhoud, overigens. Het derde en laatste deel is volgende week maandag te zien.

Internet

Het Internet is de Nemesis van de papieren krant. Wellicht ook voor radio en zelfs televisie. De papieren krant is echter al op sterven na dood en lijkt vooral kunstmatig in leven gehouden te worden. Oplagen en lezersaantallen hollen achteruit en daarmee ook de reclame-inkomsten. Dat de papieren krant haar bestaansrecht zo langzamerhand verliest, betekent echter zeker nog niet dat de journalistiek in algemene zin hetzelfde lot is beschoren.

Journalisten maken zich zorgen; kunnen zij met de journalistiek hun geld nog wel blijven verdienen? Veel van hen lijken zich in het geheel niet aan te kunnen passen aan de ontwikkelingen naar een almaar meer virtuele informatiestroom. Innovatie, als daar al sprake van is, gebeurt op zijn elfendertigst.

Dat is niet zonder risico. Er zijn heel wat kapers op de kust, het Internet biedt iedereen die meent iets te zeggen te hebben een platform. Daar hebben we geen kranten of redacties meer voor nodig. Dat betekent dat deze beroepsgroep haar werk voor een groot deel opnieuw uit zal moeten vinden en met haar tijd mee zal moeten gaan.

Dat geldt ook de journalistieke fotografie, zeker nu iedereen uitgerust is met mobiele telefoons met doorgaans uitstekende camera’s. Wie een spectaculaire foto weet te schieten kan die gratis en voor niets kwijt, de enige beloning is de eer van de plaatsing van je foto. Eeuwige roem en dat is leuk.

Zo staat een tweetal van mijn eigen foto’s ook te verstoffen in de archieven van Nu.nl. Ben ik, als amateurfotograaf en toevalligerwijs op de juiste tijd op juiste plek, daarmee werkelijk concurrentie voor de persfotograaf? Misschien wel, maar het is nog altijd aan de professional om ervoor te zorgen dat hij beter werk levert dan het amateurtje. Wanneer ik naar de foto’s kijk van beroepsfotograaf Roel Visser, dan lijkt me dat ook geen probleem. Ik ben op zich geen fan van zijn werk, in fotografische zin, maar zijn serie “Platter & Dikker” vind ik subliem.

Wie beroepsmatig stukjes schrijft of plaatjes schiet ziet zijn werk ook niet zelden overgenomen worden, liefst integraal en zonder bronvermelding – op blogs, fora en al wat dies meer zij. De inmiddels razend populaire nieuwssite Nu.nl is oorspronkelijk zelfs begonnen met alleen maar knip- en plakwerk, al maakt zij inmiddels ook haar eigen nieuws.

Onderzoeksjournalistiek

Wonderlijk is dat de mensen achter een initiatief als Follow the Money datgene kunnen doen waar “journalisten in loondienst” volgens de NTR niet meer aan toekomen: “zaken grondig uitzoeken”. Goede onderzoeksjournalistiek, dus. Ik meen dat de mensen die journalisten in loondienst hebben zich uitgerekend daar nog eens om zouden moeten beraden.

Neem alsjeblieft toch weer eens tijd voor diepgravend onderzoek, hoor en wederhoor en diepte-interviews. Ga doen waar je, beroepsmatig, zo veel beter in zou moeten zijn dan de “amateurs”.

Innoveer. Vertel me zaken die ik nog niet wist, verhef me. Wijs me op de feiten, boei me. Leg de politiek, de politie, de rechters, de bankdirecteuren, iedereen met ook maar een beetje macht in dit land het vuur aan de schenen, volg ze op de voet.

Achtervolg mij, uw lezer, en stap uw digitale toekomst tegemoet. Ik betaal als zo velen namelijk al jaren niet meer voor papieren kranten. Nieuws lees ik online, dat is sneller en goedkoper, het levert geen stapels oud papier op en het geeft me de gelegenheid het nieuws makkelijk te schiften van journalistieke niemendalletjes. Nieuws lees ik nu overal en wanneer het me maar uitkomt op mijn mobiele telefoon of tablet.

Goedkoper, dat bedoel ik niet eens op zijn Hollands. Ik heb best geld over voor het kunnen lezen van goede nieuwsartikelen, maar die zijn schaars. De paar artikelen die ik dit jaar kocht zijn op een hand te tellen, maar waren hun geld meer dan waard.

Voor het grote deel pulp waar u, dames en heren journalisten, mij mee tracht te vervelen heb ik geen geld over. Lazer op met je verhaaltjes over de laatste avonturen van verleidelijke voetbalvrouwtjes en onbeduidende platte Hagenaren en dan koop ik misschien weer eens een krant.

Digitaal. Voor minder doe ik het niet.

Over persmuskieten, Micha Kat en andere beesten

Tijdens de persconferentie over het vinden van de lichamen van Ruben en Julian kreeg de pers van burgemeester Janssen een compliment; zij ging op buitengewoon  respectvolle wijze om met deze moeilijke periode. Dat is een steun geweest voor de naaste familie.

Dat is niet bepaald een compliment dat de dames en heren journalisten met regelmaat zullen krijgen, maar inderdaad, op de keper beschouwd ging het er behoorlijk beschaafd aan toe. Helaas maakte wat men de alternatieve media placht te noemen er dan weer wel een puinhoop van, maar je kunt kennelijk niet alles hebben.

Natuurlijk, daar was die ene persfotograaf die het beroepsmatig pottenkijken in zo’n mate overdreef, door met een heuse helikopter boven het plaats de delict te vliegen, dat de politie zich zelfs genoodzaakt zag het luchtruim boven die twee kinderlijkjes te sluiten.

Gelukkig voor de familie, de teerhartige zielen onder ons en het algemeen fatsoen was er al een tent opgezet die de lichamen van Ruben en Julian aan het zicht (en de telelens) van die fotograaf onttrok. Een lichaam dat twee weken lang in water gelegen heeft is immers een mensonterend gezicht en ik geloof ook niet dat men de vrije nieuwsgaring in gevaar brengt door zulke plaatjes onmogelijk te maken.

Het hele doopceel van vader, de Facebookpagina van moeder, de rapporten van Jeugdzorg en aanverwante organisaties, er lag inmiddels al zo veel op tafel. In de dood is niets privé, zoals ik over de jonge Anass al observeerde, maar mag er dan toch niet ergens nog een grens liggen – een waar we met zijn allen niet overheen willen?

Goed, noodzakelijkerwijs moest onze persmuskiet (dat in dit geval toch weer een geheel nieuwe lading krijgt) het doen met kiekjes van dat eenzame witte tentje, op een kruising van twee polderweggetjes.

Nou ja, èn een kiekje van de collegae journalisten, die zich met busjes, camera’s en statieven wel netjes achter het politielint opgesteld hadden. Sliep uit.

Er is natuurlijk ook wel een markt voor dit soort verslaggeving. Zo was daar de kennelijke noodzaak achter het twitterverzoek van de politie om niet met ons allen naar die vindplaats af te reizen. De ramptoerist, die graag een blik in die duiker zou werpen, of liever nog een stukje lijk in het echie had gezien. Ramptoerisme vanuit de luie stoel, ik weet echt niet of je dat als persfotograaf nu wel moet willen faciliteren. Voor mij hoeft dat in elk geval niet en ik vermoed dat we de eerste de beste krant die een foto van twee opgeblazen, verkleurde waterlijkjes op haar voorpagina had laten prijken onder luid gejoel over de morele kling gejaagd hadden. Of, lief Nederland, dat hóóp ik toch.

We laten ons al zo debiliseren, (welles, kijk maar naar televisieprogramma’s als Oh Oh Cherso en Ik Heb HET Nog Nooit Gedaan), het wordt echt hoog tijd dat we daar zelf eens paal en perk aan stelden. Nee, ik zou een moord doen voor een goed doorwrocht stuk onderzoeksjournalistiek. Al was het maar een keer in de week, in de weekendbijlage of zo.

Nu heb ik me al vaker geërgerd aan en zelfs ongemeen boos gemaakt om journaille als Mariska Orbán-de Haas, Jolande van der Graaf, de Telegraaf en het Algemeen Dagblad. In ons landje hebben we te kampen met een lichting ondermaatse journalisten en dat kunnen we toch niet helemaal op conto schrijven van het Windesheim, vrees ik. Korte stukjes, liefst vol taalfouten en op de voorpagina geneuzel over welke diva nu weer een ondeugende tepel aan haar decolleté liet ontsnappen – het journalistengilde legt haar eigen standaarden gewoon te laag.

Goed, dat de Nederlandse Vereniging van Journalisten een figuur als Micha Kat uiteindelijk royeerde duidt op een rudimentair zelfreinigend vermogen, maar misschien is het raadzaam in het vervolg niet te wachten tot het tot een daadwerkelijke strafrechtelijke veroordeling komt. Vakbekwaamheid lijkt me een gezonder criterium. Dan was zo’n jongen jaren geleden al in een ander beroep beland, gewoon iets dat hij wel goed kan. Nu googelt hij een beetje in het wilde weg op namen van getuigen en bijt zich in willekeurige LinkedIn-accountjes vast. Je zult toch een argeloos naamgenoot zijn van die meneer Frank Popelier. Of erger; je zult die ene Frank Popelier zijn en helemaal niet bij de “Telegrraf” (sic) werken. Ben je mooi in de aap gelogeerd.

Voor je het weet organiseren hij en zijn adepten eigenhandig zoekingen in elke willekeurige groene Volvo die hun pad kruist, terwijl hij ook gewoon putjes had kunnen scheppen. Goed, dan gaat het ook over bagger maar deed hij de goegemeente er tenminste nog een plezier mee.

Dat, beste Nederlandse Vereniging van Journalisten, mag u zichzelf toch maar mooi aanrekenen.

Dura lex, sed lex

Vanaf het moment dat ik Jeroen Pauw tijdens het televisieprogramma “5 jaar later” de vraag aan korpschef Bernard Welten hoorde stellen of deze denkt dat zijn dienders een vrouw in boerka zullen gaan arresteren zag ik een miscommunicatie van epische proporties geboren worden. Een arrestatie is immers een bijzonder zwaar middel, in dit geval voor een licht vergrijp. Er wordt in het Nederlandse strafrecht een duidelijk onderscheid gemaakt tussen overtredingen en misdrijven en een arrestatie voor de eerste is een, eufemistisch gezegd, zeldzaamheid.

De heer Welten geeft tijdens dat interview even later dan ook duidelijk aan dat hij denkt dat vrouwen in dergelijke gewaden aangesproken zullen worden, maar dat hij niet gelooft dat ze daadwerkelijk gearresteerd zullen worden.

Het lijzige “Ze overtreedt de wet” van Jeroen Pauw zet ons al snel op het verkeerde been. Een wildplasser overtreedt echter ook de wet en zo ook iemand die zijn wagen ten onrechte op een invalidenparkeerplaats parkeert. Nochtans worden u en ik voor dergelijke overtredingen niet stante pede aangehouden en naar een politiebureau overgebracht, maar wordt de zaak direct op straat nog met ons afgedaan met een al dan niet gepeperde bekeuring.

Dat is wat we in dit land van agenten verwachten; een in acht nemen van zaken als subsidiariteit en proportionaliteit. Daarbij krijgen die agenten heel nadrukkelijk de vrijheid van hun discretionaire bevoegdheid en in die zin is het zeker zaak dat agenten hun eigen, gezonde verstand blijven gebruiken.

“Sommige dingen sla ik over” is natuurlijk een bepaald onhandig antwoord als het gaat om het niet willen handhaven van wetgeving, maar van dat laatste is, zoals Welten heel terecht opmerkt, nog helemaal geen sprake. Voornemens uit een regeerakkoord zijn bij lange na nog geen wet, daarvoor moet eerst nog heel wat gebeuren. Het verbod op gezichtsbedekkende kleding, dat “boerkaverbod”, moet nog ingaan, het voltallig parlement zal daar haar licht nog over moeten laten schijnen en de uitvoering ervan zal ook nog vorm moeten krijgen.

Ondanks het gegeven dat ik een verbod op gezichtsbedekkende kleding voorsta, waardeer ik het pragmatisme van de Amsterdamse korpschef en daarbij, het staat ook een korpschef vrij te discussiëren over de wenselijkheid en, niet te vergeten, uitvoerbaarheid van zo’n voorgenomen verbod.

De mening van Martin Sitalsing, korpschef van Twente, verdient op die wijze ook ruimte. Hij viel zijn Amsterdamse collega bij en liet weten dat ook wat hem betreft het handhaven van zo’n boerkaverbod niet direct een prioriteit is; het “terugdringen van overvallen, jeugdcriminaliteit en woninginbraken” gaat voor. Nijpende tekorten aan onder andere rechercheurs betekenen immers nu al dat buitengemeen veel zaken op de plank blijven liggen, wat dat betreft wil ik memoren aan de inmiddels hopelijk beruchte plankzaak in Enschede.

Ik kan me goed voorstellen dat de heer Sitalsing na die affaire dat hele kabinet aan ziet komen, met haar boerkaverbod.

De VVD, het CDA en de PVV vielen natuurlijk zwaar over de uitspraken van betrokken korpschefs, dat boerkaverbod is immers het kindje van dit kabinet. Hero Brinkman, voormalig politieagent, is de mening toegedaan dat “Welten niet op deze manier prioriteiten kan stellen”. Daarmee gaat hij voorbij aan het feit dat de stukbezuinigde korpsen al tijden prioriteiten móeten stellen en de politiek daar hoofdelijk voor verantwoordelijk is.

Waar immers, blijven die duizenden agenten erbij?

Haar naam is Haas

De rel, die de anti-abortusbrief van hulpbisschop Everard de Jong aan de dames en heren kamerleden een maand geleden opleverde, is me natuurlijk niet ontgaan. Dat hij bij zijn brief een plastic poppetje meende te moeten voegen dat een foetus van tien weken oud voorstelt, vond ik smakeloos en deed ik af als “goor lef”.

De zoveelste onhandige actie van een geestelijke, dacht ik, en ik zag de rel een snelle dood sterven. Veel aandacht achtte ik de affaire ook niet waardig, want ’s mans actie was ook nog eens weinig origineel. Die poppetjes zagen we immers eerder al eens de revue passeren toen organisatie Schreeuw om Leven liet weten voornemens te zijn dergelijke poppetjes landelijk via de post te verspreiden. Schreeuw om Leven, streng christelijk, hoopte zo vrouwen te doen afzien van abortus.

Wel vroeg ik me af of zo’n organisatie er niet beter aan had gedaan bijvoorbeeld rooms-katholieke geestelijken, of voor mijn part het hele ledenbestand van de kerk, een brandbrief te doen toekomen over de vele gevallen van kindermisbruik waar we de laatste tijd van hoorden. Liefst vergezeld door een roodbesmeurd kinderonderbroekje.

Of wellicht liever nog een brief over het al sinds jaar en dag ingenomen standpunt tegen condoomgebruik in weerwil van onder andere de enorme HIV-epidemie die de wereld teistert. Daar had een plastic doodskistje wellicht een aardig gebaar bij geweest.

Ik hoor u brommen. Natuurlijk is niet iedere priester een kindermisbruiker en buiten de kerk komt kindermisbruik zelfs nog op grotere schaal voor. En natuurlijk zijn paus en consorten niet direct schuldig aan de vele aidsdoden, maar zo lang het Vaticaan haar gelovigen op het Afrikaanse continent nog het gebruik van condooms durft te verbieden terwijl HIV en AIDS daar om zich heen grijpen draagt zij wel moreel verantwoordelijkheid, ook voor de vele aidswezen en de kindjes die in de baarmoeder reeds met die dodelijke ziekte besmet raken.

Nochtans doen de stichting Schreeuw om Leven en hulpbisschop De Jong hun mailinglist ook niet de beleefdheid van dergelijke nuanceringen.

Toch, ik snap Jeanine Hennis-Plasschaerts eerste reactie bij het openen van de brief van de hulpbisschop goed; “Walgelijk!”. Denkelijk zou de hulpbisschop dezelfde reactie zijn toegedaan wanneer hij bij het openen van een van mijn fictieve brandbrieven tegen het kindermisbruik door zijn confraters zo’n roodbesmeurd onderbroekje uit de envelop had zien vallen. Wellicht was het onhandig van haar zulks de virtuele wereld in te twitteren en misschien was het nog onhandiger dat het kamerlid die eerste sentimenten meende nader te moeten uitleggen; Hennis-Plasschaert had meerdere miskramen en dus raakten brief en poppetje een gevoelige snaar, niet te zeggen een open wond. Wie zich blootgeeft loopt in deze maatschappij echter wel een risico daarop gepakt te worden.

We hoefden dan ook niet lang te wachten eer de eerste aasgier boven het slachtveld van de abortusdiscussie cirkelzweefde. Hoofdredactrice van het Katholiek Nieuwsblad Mariska Orbán -de Haas achtte het opportuun het leed van het kamerlid in een open brief uit te melken. Onder het mom van “wij vrouwen onder elkaar” en met een “lieve Jeanine” wrijft moeders het kamerlid nog even in hoe mooi het moederschap, dat Hennis-Plasschaert ontzegd bleef, werkelijk is. Als moeder van twee kinderen, een gegeven dat Orbán aan het eind van haar brief nog even benadrukt (ja, zij wèl!) weet ze er alles van.

Alles is kennelijk geoorloofd in de strijd om het ongeboren kinderleven.

Nochtans is het juist Mariska Orbán-de Haas die zich gisteren in de Volkskrant afvroeg “waarom kritiek op abortus zoveel agressie losmaakt?” Aan de hand van haar open brief viel Mariska kennelijk veel onwelgevalligs ten deel. Veel daarvan gaat zo te lezen inderdaad alle perken te buiten en ook daarvoor heb ik geen goed woord over. Wat me echter opvalt is dat waar Orbán zich beroept op het feit dat Hennis een publiek persoon is en zij in haar hoedanigheid van parlementariër twittert en dus publiek aanspreekbaar is, ontgaat het haar dat zijzelf op haar beurt zich uit eigener beweging in dat publieke debat heeft gemengd. De zelfverklaarde journaliste geeft zich in haar open brief evengoed persoonlijk bloot, maakt het persoonlijke politiek. Derhalve is dus ook zij publiek aanspreekbaar.

Orbán-de Haas uit haar zorgen over het nieuwe “reaguren” en zoekt naar oorzaken voor dat verschijnsel; “Het zou mij niet verbazen als deze agressie 2.0 wordt versterkt door hufterjournalistiek…”

Die open brief was inderdaad precies dat; hufterjournalistiek.

Terug naar de abortusdiscussie. In Nederland is abortus weliswaar toegestaan, maar onder strikte voorwaarden; er moet sprake zijn van een noodtoestand die een vrouw kenbaar moet maken aan haar arts. Vervolgens geldt die arts de verplichting mevrouw uitgebreid voor te lichten, met name juist over alternatieven, en volgt voor beide partijen een wettelijk bepaalde bedenktijd. Wanneer die alternatieven geen oplossing blijken te bieden aan genoemde noodtoestand zal de arts zich beraden of hij in het onderhavige, specifieke geval een abortus provocatus medisch en ethisch voor zichzelf verantwoorden kan. Dit alles is overigens netjes vastgelegd in de Wet afbreking zwangerschap.

Abortus wordt dus in geen geval gezien als een al te makkelijk post-coïtus voorbehoedsmiddel en er wordt ook allerminst nonchalant mee omgegaan.

Nu is een vrouw natuurlijk baas over eigen buik en eigen toekomst. Het zelfbeschikkingsrecht is ook wat mij betreft een groot goed, al wil dat nog niet zeggen dat ik geheel en al positief sta tegenover abortus provocatus. Het is een noodzakelijk kwaad, ik kan legio scenario’s bedenken waarbij ik de keuze voor een abortus een goede vind en waarvan ik vind dat de anti-abortuslobby er te makkelijk aan voorbijgaat.

Het belangrijkste in deze discussie echter, is dit: Het moet eerst en vooral zo zijn dat mensen ervoor zorgdragen in eerste instantie al niet ongewenst zwanger te geraken. Een goede voorlichting en kunnen beschikken over anticonceptiemiddelen zijn daar cruciaal in. Dat lijken we in Nederland nog aardig onder de knie te hebben, het aantal abortussen is hier in vergelijking met andere landen relatief laag.

Zo lang vanuit religieuze groeperingen over anticonceptie moeilijk gedaan wordt, de rooms-katholieke kerk voorop, plaatsen zij zich wat mij betreft geheel buiten de abortusdiscussie.

Boeten

Ik heb altijd gemeend dat de mate van vrijheid die burgers in een land genieten mede af te meten is aan de hoeveelheid en aard van kritiek die een overheid zich over zichzelf laat welgevallen. Wat dat betreft scoort Nederland deze week weer heel aardig, al moet daarbij gezegd dat wij met onze klaagcultuur natuurlijk wel bij voorbaat al een lichte voorsprong hebben. Vooral de sterke arm der wet moest het de laatste dagen ontgelden. Zo versleet het Algemeen Dagblad hen voor “enorme brokkenpiloten”, want de dames en heren agenten waren in 2008 en 2009 betrokken bij maar liefst 19.363 aanrijdingen. Een imponerend getal, dat moet gezegd.

Een eenvoudige rekensom leert dat het om een schadegeval per politieregio per dag gaat. Om hoeveel aanrijdingen het nu per voertuig en gereden kilometers gaat – en hoe dat in verhouding staat tot de huis, tuin en keukenauto, die wij burgers gemiddeld 23 uur per dag voor de deur hebben staan, was aardig geweest om te weten. Helaas, aan die gegevens waagt het Algemeen Dagblad zich niet. Aangezien politievoertuigen boldly go waar geen particulier voertuig komt en een spoedrit of achtervolging geenszins te vergelijken is met dagdagelijks woonwerkverkeer is een dergelijke vergelijking misschien unfair, maar ’t is me nu volstrekt onduidelijk in welk perspectief die cijfers staan.

Wel was de politie volgens de krant “vaak zelf de veroorzaker van de ongevallen”. Ik heb geen idee wat “vaak” is, ook daar zwijgt de redactie in alle talen over. Is dat 10% van de gevallen, 20% of meer dan de helft? Ook over enige omstandigheden worden we van deze berichtgeving niets wijzer. Natuurlijk mag je als belastingbetaler verwachten dat oom agent netjes omgaat met het materieel dat hem ter beschikking gesteld wordt. Iedere schade uit pure onachtzaamheid is er dus een te veel en daar mag je als burger de politie inderdaad best vragen verantwoording over af te leggen.

Dat Nederlandse burgers daarin ook kunnen overdrijven blijkt wel uit recente berichtgeving op GeenStijl. Een burger ziet een politiebus over de A28 rijden en tot ergenis van die burger heeft genoemde politiebus er behoorlijk de vaart in. De verontwaardiging (en het Calimerocomplex) is groot bij de bestuurder en diens bijrijdster, want hoe durven ze daar in die politiebus, zo zonder sirene, zonder lichten! Met een mobiele camera op de kilometerteller gericht zetten ze de achtervolging in.

Koud een week later verschijnt eenzelfde filmpje, waarbij een andere man op zijn beurt meent een politiebus een staartje te moeten geven. Hij moet het er maar druk mee gehad hebben, want in tegenstelling tot de eerste filmer ontbeert hij een lieftallige assistente. Terwijl hij met 150 kilometer per uur de politie achtervolgt becommentarieert hij het tafereel én heeft hij zijn mobieltje in een knuist, dat hij al filmend beurtelings op de politiebus in kwestie en het eigen dashboard richt. Met ’s mans verwaten “het gaat lekker met de politie tegenwoordig, jongens” en het lezen van de vele “reaguursels” overvalt mij een vlaag van plaatsvervangende schaamte.

Het is immers zo gelegen dat de politie een vrijstelling heeft van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Die vrijstelling kent een voorbehoud; een en ander moet voor de uitvoering van de politietaak noodzakelijk zijn en het overige verkeer mag niet in gevaar worden gebracht. Dat betekent dat agenten verkeersregels mogen negeren, zelfs al surveilleren ze alleen maar. Jazeker, dat mogen zij dus wel en u en ik niet.

Zij zijn groot en ik is klein en da’s niet eerlijk, o nee…”

Aangezien het voor ons als medeweggebruikers onmogelijk is aan een willekeurig passerend politievoertuig af te zien waar de bemanning op dat moment mee bezig is, is het voor ons ook onmogelijk te zeggen of zij zich aan hun richtlijnen houden. Wat rest is hoe de waard zijn gasten vertrouwt.

Een andere algemene misvatting is dat een agent zulks alleen maar zou mogen doen wanneer hij optische en geluidsignalen voert. Dat is dus niet zo, het voeren van dergelijke signalen is geen voorwaarde voor genoemde vrijstelling. Die toeters en bellen maken het voertuig dat ze voert tot voorrangsvoertuig, hetgeen betekent dat al het andere verkeer hem ruim baan heeft te geven. De reactie van het betreffende korps op de aantijgingen tegen de “A28-racer” mag dan ook geen verrassing heten.

Het is daarmee nog niet uit met de pret. De Telegraaf weet ons vandaag te melden dat Rotterdamse “agenten moeten boeten“. De krant claimt dat ze de hand heeft weten te leggen op een “speciaal contract” van het korps Rotterdam-Rijnmond waarin zou staan dat een diender jaarlijks zo’n 120 bekeuringen per uit moet schrijven, dat is er een per twee werkdagen. Er is jaren geleden veel te doen geweest om prestatiecontracten die politiekorpsen kregen opgelegd en de bonnenquota, die daar onderdeel van waren. Na veel vijven en zessen besloot de politiek uiteindelijk weer van die opgelegde bonnenquota af te stappen, waarbij Guusje ter Horst in haar hoedanigheid van minister wees op de eigen verantwoordelijkheid die de politiekorpsen hebben voor wat betreft hun prestaties.

Ik heb de vele ophef over die bonnenquota nooit erg begrepen, het betrof destijds immers een bon per agent per dag en iedere werkgever stelt criteria om het functioneren van zijn werknemers aan te kunnen toetsen. Tijdens mijn dagelijkse wandelingetje naar mijn werk zou ik al een half bonnenboekje vol kunnen schrijven, want zo wetsgetrouw zijn wij Nederlanders nu eenmaal niet – zeker niet in het verkeer. Een agent die twee dagen lang buiten loopt en geen enkele misdraging ziet heeft zijn ogen in zijn zakken zitten en het is terecht dat hij daarop wordt aangesproken door zijn werkgever.

Onze nationale neiging tot externaliseren, Nederlanders rijden immers niet zo zeer te hard maar worden veeleer “gepakt”, maakt dat we onze schuld graag op de ons betrappende agent projecteren. We verfrommelen het ons uitgereikte gele papiertje en lispelen een boos “ga toch boeven vangen”, maar vergeten daarbij al te licht dat zulks nu juist hetgeen is dat hij zojuist deed.

Dat Rotterdamse agenten gekort zouden worden wanneer ze niet aan de huidige norm die het korps Rotterdam-Rijnmond hen oplegt voldoen, zoals de Telegraaf beweert, gaat echter ook mij te ver. Natuurlijk, een agent moet zijn werk naar behoren doen en het uitschrijven van boetes voor gedragingen die hij signaleert hoort daar gewoon bij. Dat een korps een manier verzint om die werkzaamheden te kunnen monitoren is ook prima. Boetes zijn echter eerst en vooral bedoeld om misdragingen te corrigeren en daarbij zie ik de discretionaire bevoegdheid van agenten graag gewaarborgd. Het besluit een bon te schrijven danwel het bij een waarschuwing te laten moet afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden tijdens zo’n bekeuringsituatie en niet van het al dan niet in moeten leveren van een periodiek.

Gelukkig beseft ook het korps Rotterdam-Rijnmond dat en van agenten die op hun salaris gekort zouden worden omwille van een te weinig aan uitgeschreven bekeuringen blijkt geen sprake.

Tot zo ver de Telegraaf, de weinig wakkere krant van makkelijk op te naaien Nederland.

Blijf af van het recht!

Gisteren kopten het NRC en De Telegraaf in chocoladeletters “OM in geldnood: Taakstraf wordt boete“. Omdat het Openbaar Ministerie in geldnood verkeert zouden er vaker geldelijke boetes worden opgelegd in plaats van taakstraffen en moeten verkeersboetes met vijftien procent worden verhoogd. Op deze wijze zou men een miljoenentekort willen compenseren, aldus beide kranten.

Er is heel wat gaande binnen het Openbaar Ministerie, inderdaad omwille van haar begroting. Dat is geen nieuws natuurlijk, de broekriem moet worden aangehaald en in Nederland bezuinigen we nu eenmaal net zo makkelijk op zaken als het recht en het onderwijs.

Er wordt dus druk gereorganiseerd en er geldt in het Rotterdamse een vacaturestop voor de functie van Officier van Justitie. Dat is koren op de molen van advocaat Frank van Ardenne die weet te melden dat strafdossiers van zaken, waarbij de verdachte niet in aanmerking kwam voor voorlopige hechtenis, vertraging oplopen. Sterker nog, volgens Van Ardenne “hoor je van veel zaken nooit meer iets. Dat worden gewoon plankzaken. Daarbij gaat het soms om ernstige delicten, zoals fraude of doodslag“.

Voorlopige hechtenis overigens, kan worden opgelegd bij misdrijven waar vier jaar of meer gevangenisstraf op staat, plus een aantal afzonderlijk genoemde misdrijven. Dat alles staat in artikel 67 uit het wetboek van strafvordering. Daarnaast moeten er “ernstige bezwaren” tegen de verdachte bestaan en er moet een reden zijn die voorlopige hechtenis op te leggen. Vluchtgevaar, een grote kans op recidive of eenvoudigweg in het belang van het onderzoek. Het Openbaar Ministerie kan die voorlopige hechtenis gedurende haar zogeheten voorbereidend onderzoek vorderen.

Terecht natuurlijk dat dergelijke (zwaardere) zaken voorrang krijgen, sterker nog, er is bij wet vastgelegd dat iemand in voorlopige hechtenis binnen negentig dagen voor een rechter dient te staan. Dat er een noodzaak is tot het prioriteren van zaken is echter zorgwekkend.

Want die rechter nu, staat evenals de politie en het Openbaar Ministerie onder druk. Eergisteren nog gaf de voorzitter van de rechtbank in Den Haag, Frits Bakker, acte de présence bij de televisieprogramma’s Nova en Nieuwsuur. Hij luidde de noodklok. De huidige tijds- en werkdruk en de nadruk op budgetten zitten rechters in de weg. Rechtbanken worden per zaak betaald en dus krijgt een rechter per zaak een tijdslimiet voor de kiezen. Het gevolg daarvan, aldus Bakker, is dat een rechter niet de tijd heeft een dossier zo uitgebreid te lezen als hij zou willen en hij meer moet delegeren dan hem lief is. Dat staat volgens mij toch de onafhankelijkheid van de rechter in de weg.

De politie, het Openbaar Ministerie en de rechter zijn dus onderbemensd en onderhavig aan almaar verregaander bezuinigingen. Dat raakt rechtsgang in haar geheel en dat is buitengewoon zorgelijk. Als burger wil ik immers kunnen rekenen op een bepaalde mate van veiligheid en wanneer mij iets wordt aangedaan stel ik er prijs op dat degene die dat deed kan rekenen op een reële pakkans. Eenmaal in de kraag gevat zie ik mijn belager liefst met een gedegen dossier en dito bewijsvoering tegenover een rechter komen te staan, die in al zijn wijsheid tot een weloverwogen en gedegen vonnis komt. Daarbij wil ik dan ook nog eens zelf niet het slachtoffer kunnen worden van willekeur en dat betekent dat ik, ook al heb ik niets op mijn kerfstok, een onafhankelijke rechtsgang gewaarborgd wens te zien.

Dat hele proces kost meer geld dan het oplevert, daar maakte ik me al geen illusies over, maar dat heb ik er als belastingbetaler graag voor over. Belastingbetaler inderdaad, u leest het goed.

De indruk, die het NRC en de Telegraaf wekken, dat de geldelijke boetes die door het Openbaar Ministerie geïnd worden direct haar eigen kas in zouden gaan klopt immers van geen kant. Dat werkt bij gemeenten weliswaar zo, maar in het geval van dat Openbaar Ministerie heeft alleen de staatskas daar profijt van. Die sommen gelds mag het Openbaar Ministerie niet houden en ze heeft geen inspraak in het uitgeven ervan. Dat zou immers een kanjer van een belangenverstrengeling zijn en zo zit deze rechtstaat nu eenmaal niet in elkaar.

Sterker nog, een beslissing niet langer taakstraffen maar geldstraffen op te leggen is niet aan het Openbaar Ministerie. Die beslissing is louter en alleen aan de wetgever, in dit geval het toekomstig kabinet. Pauw&Witteman namen het onderwerp klakkeloos over en nodigden advocate Inez Weski uit om er haar licht eens over te laten schijnen. Weski’s voornaamste punt; “blijf af van het recht” onderschrijf ik van harte.

Op zich is het nog niet eens zo’n gek plan om de rechtsgang te bekostigen uit de opbrengsten van boetes en vorderingen. Dat is natuurlijk wel geheel iets anders dan een club politici die de rechtsgang probeert te kapen om de gaten in de Rijksbegroting op te vullen. Het idee van “de vervuiler betaalt”, zal ik maar zeggen, klinkt op het eerste gehoor niet onaardig. Het gevaar van die belangenverstrengeling ligt dan echter wel op de loer en dat zou een gedegen rechtsgang in de weg staan.

Rest de vraag; wat mag die gedegen rechtsgang nog kosten?

Dannyboy T.

Op 29 januari 2007 werd de Scheveningse Pascal Triep doodgestoken door de zoon van zijn moeders bovenburen, Dannyboy. Er ging een geschiedenis van onenigheid aan die steekpartij vooraf, waarbij genoemde bovenburen er een vervelende gewoonte van maakten allerlei afval op het dak van de uitbouw aan de woning van moeder Triep te dumpen.

Zo ook op die noodlottige dag. Triep, op dat moment psychotisch, klom op de uitbouw en gooide de vuilniszakken en al wat dies meer zij terug op het balkon van zijn bovenburen en bonkte op hun raam. Die bovenburen nu, konden dat niet waarderen. Vader, twee zoons en een vriend togen naar buiten en bedreigden Triep. Vier tegen één, ware heldenmoed. Zoon Dannyboy, toen zestien jaar, repte zich naar de keuken om daar een groot keukenmes uit een la te halen en vloog eenmaal weer buiten Triep aan. Hij stak zijn slachtoffer in de borst en raakte diens hart en een long. Pascal Triep viel vervolgens dodelijk verwond van de uitbouw.

Die laatste, zieltogende momenten van het leven van Pascal Triep werden door een omstander met een mobieltje vastgelegd. Te zien is hoe Triep ineenzakt, op een laag tuinhekje valt en daar een paar tellen als een kapotte marionet blijft liggen. Ook wanneer Triep weer opstaat, een paar meter loopt en vervolgens weer ten val komt blijft de filmer filmen.

In het filmpje is ook te zien hoe de oudste verdachte, de vader des huizes, op het dak van die uitbouw op zijn gemak blijft staan toekijken. Een buurvrouw loopt radeloos heen en weer in de tuin, terwijl een andere buurvrouw onverstoorbaar de was ophangt. Al wat je niet op het filmpje ziet is iemand die ingrijpt, eerste hulp verleent of de hulpdiensten belt. Ook de onbekend gebleven cineast niet en die had nota bene een mobiele telefoon in de knuisten.

Het Algemeen Dagblad kreeg de beelden in handen en plaatste het filmpje op Internet. Dat wekte destijds mijn wrevel, de doodsstrijd van Pascal Triep werd zonder enige gêne publiek bezit gemaakt en dat was me een brug te ver. Riooljournalistiek vond ik dat, die ook nog eens tot gevolg had dat de rechter later zou besluiten de jonge moordenaar een lagere straf op te leggen omdat hij “publiekelijk al veroordeeld was”. Dat had het Algemeen Dagblad op haar vingers na kunnen tellen natuurlijk, want het is niet de eerste keer dat zo iets tot strafverlaging leidt.

De rechtbank voorzag echter wel een grote kans op recidive, waar het Dannyboy T. betreft. De jongen had ten tijde van de moord al een strafblad en liep toen al in twee proeftijden. Tijdens zijn voorarrest bedreigde hij zelfs medewerkers van de jeugdinrichting, die hij ook nog eens een aantal bloempotten naar het hoofd smeet. Een psychologisch onderzoek wees uit dat Dannyboy verminderd toerekeningsvatbaar was. Uiteindelijk werd Dannyboy T. veroordeeld tot een jaar jeugddetentie en jeugd-tbs.

Vader T. werd tot mijn verbazing vrijgesproken. Hem werd dood door schuld ten laste gelegd én het nalaten van hulpverlening aan iemand die in levensgevaar verkeert. Wie het filmpje gezien heeft, heeft hem nochtans voorovergebukt zien toekijken hoe Triep zijn laatste adem uitblies.

Naar goed gebruik mag Dannyboy tijdens zijn jeugd-tbs op proefverlof. In februari van dit jaar ontsnapte hij naar evengoed gebruik aan zijn begeleider tijdens zo’n uitje. De politie viel de eer te beurt de jongen weer op te sporen en zette daarbij zelfs een helikopter in. Uiteindelijk wist men hem in een woning in Voorburg aan te houden en is hij teruggebracht naar De Sprengen in Zutphen. Proef mislukt, zou je zeggen.

Toch mocht Dannyboy afgelopen woensdag nogmaals op stap. Voor de tweede keer binnen een half jaar tijd was hij zijn begeleider te slim af en opnieuw nam Dannyboy de benen. Dannyboys vader, Thierry T. kondigde zijn ontsnapping aan op Hyves, zoals het altijd oplettende GeenStijl ontdekte. De virtuele blik in ’s mans geest is overigens ontstellend, niet te zeggen zorgwekkend.

Goed, de politie mocht in ieder geval opnieuw aantreden en afgelopen nacht werd Dannyboy in een woning in Den Haag aangehouden en opnieuw retour naar de inrichting gebracht.

De moeder van Pascal Triep heeft in het Algemeen Dagblad laten weten gekant te zijn tegen Dannyboys proefverloven. Daarbij vermeldt zij ook dat zij van die verloven niet op de hoogte gesteld wordt en derhalve vreest op een dag oog in oog met de moordenaar van haar zoon te komen staan. Dat alleen zou al moeten pleiten tegen dergelijke proefverloven, het belang van slachtoffers en nabestaanden wordt al te lang ondergeschikt gemaakt aan dat van daders.

Maar drie keer is scheepsrecht, ongetwijfeld krijgt dit verhaal nog een vervolg.

Schofterig journaille

Vanochtend, tijdens mijn dagelijkse rondje headlines, viel mijn oog op de kop “Telegraaf belt 9-jarige overlevende vliegramp“. Ik was er even stil van. Gaandeweg het artikel stegen mijn verbazing en ontzetting, op de voet gevolgd door mijn bloeddruk.

Ruben, de negenjarige jongen om wie het gaat, overleefde als enige een vliegramp. Op 12 mei jongstleden zou hij samen met zijn ouders en broertje van Johannesburg naar Londen vliegen, met een geplande tussenstop in het Libische Tripoli. Een kleine kilometer voor de landingsbaan van Tripoli International ging het mis. Het vliegtuig, met meer dan honderd zielen aan boord, verongelukte. Rubens ouders en broertje kwamen om.

Nu ligt de jonge Ruben in het verre Libië gewond in een ziekenhuis, een sole survivor. Een oom en tante vlogen over om hem bij te staan.

De NOS eigende zich de vliegramp toe en twittert al dagen over de “nosvliegramp”. Verslaggevers mogen kennelijk tussen de brokstukken door struinen en een van hen vindt een dagboek. Zonder enige schroom of schaamte citeert verslaggever Menno Reemeijer uit dat dagboek, onderwijl artikel 21 van de Code voor de Journalistiek negerend. De doden behoeven duidelijk geen privacy.

De levenden overigens ook niet. Ook al is dat er maar één en is hij nog maar een weerloos kind. Ruben bleek van meet af aan publiek bezit. Beelden van een negenjarig jongetje, een verband om zijn hoofd en een zuurstofmasker op zijn snoet, werden breed uitgemeten in het nieuws. Al gauw werd schaamteloos gespeculeerd over wie hij is, even was hij zelfs een meisje, en daags na de ramp wisten we allemaal zijn naam en toenaam. Je zult thuis voor de buis je bloedeigen neefje zo tijdens een nieuwsuitzending de revue zien passeren, misschien zelfs via diezelfde nieuwsuitzending moeten vernemen dat je broer of zus en diens partner niet meer thuis zullen komen.

Jolande van der Graaf, een journaliste van (hoe kan het ook anders) de Telegraaf ging nog veel verder. Een brutaal mens heeft de halve wereld moet ze gedacht hebben en ze pakte de telefoon. Ze wist een van de behandelend artsen aan de lijn te krijgen en kreeg de arts zo ver dat hij zijn mobiele telefoon aan zijn patiëntje gaf. Of, zoals ze het zelf brengt; “de arts gaf zijn mobiele telefoon plotseling aan Ruben door”.

De toon deed mij meteen aan die reclame denken, waarin de eigenaresse van een grote hond die zojuist een passerende chihuahua opvrat uitroept “dat doet ‘ie anders nooit hoor!” -U kent hem vast nog wel. Nog bonter wordt het wanneer de redactie van de Telegraaf in de bres springt voor haar journaliste en spreekt van een “onverwacht ontstaan telefoongesprek“. Misschien komt het doordat ik mij in liet schrijven bij het Bel-me-niet Register, maar nog nooit kwam ik op onverwachte wijze plotsklaps in contact met een ziekenhuispatiënt te Tripoli.

Het artikel vervolgt met de observatie dat “de jongen aanvankelijk emotioneel reageerde, maar kalmeerde toen bleek dat hij geen familielid aan de telefoon had”.

Kennelijk was Ruben dus in de overtuiging dat hij familie uit het verre Nederland aan de lijn zou krijgen. Je vraagt je af of mevrouw de journaliste zich misschien anders voorgedaan heeft en onder valse voorwendselen toegang tot de jongen heeft gezocht. In dat geval is er van het “open vizier” uit de Code voor de Journalistiek geen sprake meer. Ik kan me in ieder geval simpelweg niet voorstellen dat een arts op een intensive care van een kinderafdeling nolens volens zijn patiënten een babbeltje met het journaille laat maken.

En ook dat is nog niet alles. Desgevraagd vertelt Ruben zijn belaagster dat hij zich van het ongeval niets kan herinneren. Dan komt het; Ruben “was nog niet op de hoogte gebracht van het verlies van zijn ouders Patrick en Trudy en zijn broertje Enzo (11)”.

Wat fijn dan, dat Jolande de honneurs even heeft waargenomen, ook voor een negenjarige is een plus een immers nog altijd twee.

Wrang gegeven is dat juist deze Jolande en consorten, met Telegrafesque opperhoofd Sjuul Paradijs voorop, om het hardst schande riepen van een schending van Jolandes privacy door de AIVD. De privacy van een kind van negen wordt echter door deze zelfde lieden zondermeer te grabbel gegooid. Nu was Ruben natuurlijk ook wel fijn een makkelijk slachtoffer voor deze bloedzuigers. Van een negenjarig kind, gewond in een ziekenhuis en volledig van streek hoef je immers weinig tegenspraak te verwachten.

Natuurlijk valt het de dames en heren journalisten te verwijten dat nieuwsgaring vandaag de dag over lijken gaat. Met regelmaat treden ze hun eigen Code voor de Journalistiek met voeten.Wanneer ik lees dat een nabestaande van een slachtoffer “te aangeslagen was om te reageren” moet logischerwijze in elk geval een stuks journaille de stoute schoenen hebben aangetrokken en genoemde nabestaande gebeld hebben of er even aan de deur geweest zijn. Dat gaat alle ethische perken te buiten, maar alles is nieuws en nieuws moet -desnoods over de rug van een zojuist wees geworden jongetje.

Wanneer televisieprogramma’s onderbroken worden voor “breaking news” zoals tijdens de hype rond de vermoorde Milly Boele en dat nieuws dan louter en alleen bestaat uit het gegeven dat een verslaggever ter plaatse een blik wist te werpen over een van de anti-kijkschermen consumeren wij dat allemaal met verve. Als consumenten van al dat nieuws hebben ook wij een verantwoordelijkheid. We laten ons afschepen met beelden van een verhitte verslaggever met op de achtergrond dat vermaledijde anti-kijkscherm. Niet-nieuws gaat er evengoed in als koek, om over de vele speculaties nog maar niet te spreken. Harde feiten zijn niet afdoende, we kopen kranten om de hypes, de speculaties en de wilde verhalen; wij zijn het draagvlak voor journaille als Jolande van der Graaf.

Het is hoog tijd te consuminderen, te beginnen bij het vlaggeschip van de unfaire journalistiek. Boycot de Telegraaf!