Christina Rossetti

Op 5 december 1830 kwam Christina Georgina Rossetti ter wereld, de vrouw die we nu rekenen tot de grote Engelse mystieke dichters en die in een adem genoemd wordt met andere grootheden als John Donne en William Blake. Ze was de jongste telg van het gezin Rossetti. Haar vader was Gabriele Rossetti, een Italiaanse dichter en politiek vluchteling die vanuit Napels naar het Engelse Londen was geëmigreerd, en Frances Polidori. Gabriele Rossetti vond in Londen werk als leraar Italiaans en werd in 1831 professor aan het King’s College London.

Het gezin Rossetti stond werkelijk waar bol van het kunstzinnig talent. De twee zoons waren dichter en kunstschilder Dante Gabriel Rossetti en de schrijver en kunstcriticus William Michael Rossetti en de oudste dochter was schrijfster Maria Francesca Rossetti.

De jonge Christina was een levendig kind met een rijke fantasie, dat door haar ouders thuis onderwezen werd. Daar maakten vader en moeder Rossetti buitengewoon veel werk van; zij brachten haar in aanraking met sprookjes, religieuze werken, de klassieken en de Engelse en Italiaanse literatuur. Huize Rossetti werd daarnaast druk bezocht door Italiaanse kunstenaars, dissidenten en geleerden.

In de jaren na 1840 werd vader Rossetti ernstig ziek, hij leed aan chronische bronchitis, geraakte blind en zakte weg in een diepe depressie. Hij raakte zijn werk als professor kwijt en daardoor kwam het gezin Rossetti financieel in de problemen. Om niet aan de bedelstaf te raken ging Frances Polidori aan het werk als lerares en Maria Francesca werd gouvernante. Op veertienjarige leeftijd kreeg Christina een zenuwinzinking en ze zou de rest van haar leven met regelmaat te lijden hebben van depressies. In die jaren kwamen Frances, Maria Francesca en Christina in aanraking met de Anglicaanse kerk en die religieuze overtuiging zou een grote rol in hun levens blijven spelen.

In 1842 schreef Christina Rossetti haar eerste gedichten en in 1848 publiceerde ze op achttienjarige leeftijd haar “Death’s Chill Between” en “Heart’s Chill Between”. Veel van haar vroege werk is diepreligieus en wat zwaarmoedig en heeft sombere thema’s als de dood en het verlies van een geliefde. In 1850 publiceerde ze, onder het pseudoniem Ellen Alleyne in het literaire blad “The Germ” van het genootschap van de prerafaëlieten, Pre-Raphaelite Brotherhood en daarmee nam haar carrière als dichter een vlucht.

Drie mannen vroegen om haar hand, met twee van hen verloofde ze zich maar ze verbrak beide keren ook de verloving weer. De eerste, schilder James Collinson, bekeerde zich tot het katholicisme en dat was reden voor de jonge Christina hun verloving verbreken. Ook de verloving met haar tweede verloofde verbrak ze om religieuze redenen.

Christina Rossetti had een grote vriendenkring en was sociaal geëngageerd. Ze was gekant tegen de slavernij, tegen wreedheid jegens dieren en maakte zich hard tegen de seksuele uitbuiting van meisjes. Van 1859 tot 1870 werkte ze als vrijwilliger in het St. Mary Magdalene “house of charity” in Highgate, een opvanghuis voor voormalige prostituees.

In 1862 verscheen de bundel Goblin Market and Other Poems. Deze bundel met gedichten werd geloofd en gelauwerd en maakte Christina Georgina Rossetti de meest gevierde dichteres van haar tijd. Men vond in haar een waardig opvolger van de in 1861 overleden Elizabeth Barrett Browning.

Tien jaar na de verschijning van Goblin Market and Other Poems, in 1872, bleek Christina Rossetti te lijden aan de ziekte van Graves, een auto-immuunziekte. In 1893 werd er borstkanker bij haar ontdekt, waaraan ze werd geopereerd. Met weinig succes, de tumor kwam in 1894 terug en in september dat jaar liet Christina Georgina Rossetti het leven.

Christina Georgina Rossetti is een van mijn Grote Vrouwen.

Goblin Market

Goblin Market is het beroemdste gedicht van Christina Rossetti. Het bestaat uit niet minder dan 567 onregelmatig rijmende versregels en met dit gedicht vertelt Rossetti ons het verhaal van de zussen Laura en Lizzie.

Elke ochtend en elke avond horen Laura en Lizzie kobolden, die fruit verkopen, hun waar aanprijzen. De kobolden bezingen de heerlijkste vruchten en uiteindelijk bezwijkt de jonge Laura aan de verleiding een eet van het koboldenfruit. Daarna hongert Laura naar meer, maar is doof voor de kobolden. Ze hoort hen hun waar niet meer aanprijzen en kwijnt letterlijk weg van verlangen naar wat ze nooit meer zal kunnen krijgen.

Lizzie ziet haar zusje verkommeren en probeert haar te helpen. Wat ze ook doet, niets helpt, en uiteindelijk gaat zij op haar beurt naar de kobolden om koboldenfruit. Ze betaalt hen en houdt haar schort op, zodat het fruit niet ook haar vergiftigen kan, waarop de kobolden in woede ontsteken. Ze proberen Lizzie te dwingen van het fruit te eten en proberen het in haar mond te steken – maar Lizzie weerstaat hen en de verleidelijke vruchten. Met een gezicht dat druipt van het vruchtensap en pulp spoedt ze zich huiswaarts, waar ze Laura vraagt haar te kussen. Laura kust het sap en de pulp van haar mond en wordt zo genezen.

Goblin Market is op velerlei manieren uit te leggen, het zou een allegorie kunnen zijn over verleiding en verlossing, het zou een verbloemd commentaar kunnen zijn op de rolpatronen uit de Victoriaanse tijd en Christina Rossetti zou zich zelfs hebben kunnen laten inspireren door de gevallen vrouwen van St. Mary Magdalene.

Voor mij niets van dat al. Voor mij is Goblin Market altijd een symbool geweest van de onvoorwaardelijke liefde tussen twee zussen, die voor elkaar door het vuur gaan. No matter what.

Want zo’n zus heb ik. *trots*

For there is no friend like a sister
In calm or stormy weather;
To cheer one on the tedious way,
To fetch one if one goes astray,
To lift one if one totters down,
To strengthen whilst one stands.






Marga Klompé

Op 13 oktober 1956 werd Marga Klompé de eerste vrouwelijke minister van Nederland, in het kabinet Cals. Morgen dus op de kop af 58 jaar geleden. Ze bekleedde de post van minister van Maatschappelijk Werk. Marga Klompé was daarnaast ook de eerste vrouwelijke Nederlandse afgevaardigde binnen het Europese Parlement. In 1971 werd zij benoemd tot Minister van Staat, opnieuw als eerste vrouw.

Marga Klompé werd op 16 augustus 1912 geboren te Arnhem. Ze was buitengewoon intelligent, energiek, nuchter, plichtsgetrouw. Ze was doortastend, bezat een uitstekend analytisch vermogen en was steevast de slimste van de klas op de HBS-B.

Ze studeerde scheikunde en promoveerde in de wis- en natuurkunde. Daarna begon ze nog aan een studie geneeskunde, die ze na het behalen van haar propedeuse af moest breken omdat de universiteit als gevolg van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gesloten werd. Dat moet haar erg hebben verdroten, Marga Klompé droomde ervan huisarts te worden. Ze viel terug op haar studie scheikunde en van 1932 tot 1949 was ze, naar verluid evengoed met buitengewoon veel plezier, lerares scheikunde.

Klompé, die van huis uit een christelijke apologetische opvoeding genoten had, kwam door al hetgeen zij tijdens haar studie leerde rond haar twintigste levensjaar in een geloofscrisis terecht. Als gevolg daarvan heeft zij een paar jaar buiten de kerk geleefd, maar ze hervond haar geloof in de mystiek van het katholicisme. Ze moet diepgelovig uit haar geloofscrisis zijn gekomen, waarbij ze een blijvend respect voor andere vormen van geloofsbeleving opdeed.

De Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Marga Klompé actief in het verzet. Ze was koerierster en was lid van het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers. In die hoedanigheid is ze, bij de inval van de Duitsers in 1940, bij de gevechten op de Grebbeberg geweest waar ze gewonden verpleegde. In 1943 werd zij vice-presidente van de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers en dat zou ze tot 1953 blijven. Tijdens de evacuatie van Arnhem, die door de Duitse Wehrmacht gegeven op 23 september 1944 werd bevolen heeft Marga Klompé een actieve rol gespeeld.

Daarna moest zij onderduiken, onder de schuilnaam Truus ter Aken verbleef ze eerst in Otterloo en daarna in Apeldoorn. Toen Arnhem eenmaal was bevrijd, ijverde ze met de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers op het weer op gang brengen van het openbare leven. Ze werd meteen in mei 1945 lid van de Nederlandse Volksbeweging en later van de Katholieke Volkspartij (KVP).

Politiek leven

Naast de Tweede Wereldoorlog, die haar gehard heeft, waren ook de verkiezingen van 1946 een keerpunt in het leven van Marga Klompé. Er belandde geen enkele katholieke vrouw in de Tweede Kamer, tot ergernis van Marga Klompé die de stelligste overtuiging had dat vrouwen even geschikt zijn als mannen voor eender welke functie dan ook. Die rotsvaste overtuiging zou haar verdere politieke loopbaan mede bepalen. Samen met studievriendin Wally van Lanschot richtte Klompé derhalve in 1947 het Roomsch Katholiek Vrouwendispuut op.

In 1947 reisde Marga Klompé af naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, als lid van de Nederlandse delegatie. Daarbij liep ze in de kijker van een aantal van haar katholieke collegae, het Tweede-Kamerlid E.M.J.A. Sassen en het Eerste-Kamerlid prof. L.J.C. Beaufort, die haar voortvarend onder druk zetten om zich verkiesbaar te stellen voor de Tweede Kamer.

Ze moet daar niet al te veel animo voor gehad hebben, want ze koos voor een onverkiesbare plaats bij de verkiezingen van 1948. Dat heeft haar niet veel geholpen, op 12 oktober dat jaar werd haar gevraagd het Tweede Kamerlid Sassen te vervangen, omdat die tot minister van Overzeese Gebiedsdelen werd benoemd. Binnen de KVP-fractie kreeg Marga Klompé de verantwoordelijkheid over het buitenlands beleid.

Marga Klompé ontpopte zich als een bevlogen politicus en werd beroemd en berucht om haar soms koppige standvastigheid. Ze schroomde niet rake oordelen uit te spreken. Ze was een van de weinigen binnen de fractie de degens durfde kruisen met voorzitter C.P.M. Romme. Als Tweede Kamerlid hield ze zich voornamelijk bezig met Europese zaken, maar later ook met maatschappelijk werk en hoger onderwijs.

Rechtsgelijkheid voor vrouwen

In 1955 diende Corry Tendeloo een motie in tegen het Koninklijk Besluit, dat gehuwde vrouwen verbood bij de overheid werkzaam te zijn. Tot die tijd was het de normaalste zaak van de wereld dat een vrouw simpelweg verplicht was ontslag te nemen op het moment dat zij huwde. Met het aangaan van een huwelijk verloren vrouwen ook nog eens hun handelingsbekwaamheid – in wettelijke zin.

“De Kamer, gehoord de besprekingen over het KB van 13 september 1955, van oordeel, dat het hier niet op de weg van de Staat ligt de arbeid van de gehuwde vrouw te verbieden, nodigt de Regering uit de hiermee strijdende voorschriften te herzien.” 

Marga Klompé steunde de motie-Tendeloo, in tegenstelling tot de meerderheid van haar fractie. Een jaar later, tijdens het kabinet-Drees III, zou de handelingsonbekwaamheid voor vrouwen afgeschaft worden.

Eveneens in 1955 stemde Marga Klompé tegen een (uiteindelijk met een krappe meerderheid verworpen) amendement-Stokman, dat de gemeenteraad de bevoegdheid moest geven kleuterleidsters te ontslaan wanneer ze in het huwelijk traden. De meerderheid van haar fractie stemde voor, maar mevrouw Klompé hield opnieuw voet bij stuk.

Ministerschap

Op 13 oktober 1956 werd Marga Klompé dus minister van Maatschappelijk Werk, een relatief klein departement dat net vier jaar oud was. Zowel de minister als haar departement ondervonden geregeld aanzienlijke weerstand van zowel de Tweede Kamer als het kabinet.

Klompé geloofde ten stelligste in particuliere initiatieven maar vond ook dat een overheid rigoureus ingrijpen moest wanneer die faalden. Haar Wet op de bejaardenoorden uit 1963 en de Algemene Bijstandswet uit datzelfde jaar zijn daar schoolvoorbeelden van. Daarmee is zij een van de grondlegsters van de verzorgingsstaat.

Een voortzetting van het ministerschap zag mevrouw Klompé niet zitten en op 24 juli 1963 droeg zij haar portefeuille over, om terug te keren in de Tweede Kamer. In 1966, tijdens de ‘Nacht van Schmelzer’ deed ze mee met de stemming die het kabinet Cals deed sneuvelen. Ze stemde met pijn in het hart tegen J.M.L.Th. Cals, waarmee zij in de loop van de jaren innig bevriend was. Het belang van haart partij liet ze daarbij prevaleren.

De opvolger van meneer Cals, J. Zijlstra, vroeg Marga Klompé haar oude departement nog eenmaal op zich te nemen, voor de duur van een paar maanden. Het was inmiddels omgevormd tot het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). Marga Klompé zwichtte en werd opnieuw minister.

Ze werd in 1967 door haar fractie naar voren geschoven als mogelijke minister-president, maar daar vond ze zichzelf niet geschikt voor. Tijdens het kabinet-De Jong werd zij opnieuw gevraagd aan te blijven als minister en dat deed ze.

In 1971 staakte Marga Klompé haar politieke activiteiten. Datzelfde jaar, en wel op 17 juli, werd ze geëerd met de eretitel van minister van Staat. Ze was de eerste vrouw die deze eer te beurt viel.

Ze mocht dan niet meer actief zijn in de politiek, stilzitten deed Marga Klompé niet. Ze wijdde zich aan kerkelijk werk, als adviseur en bestuurslid van verschillende commissies en organisaties.

Halverwege de jaren tachtig werd Marga Klompé ziek, maar ze bleef doorwerken. Ze overleed op 28 oktober 1986, in Den Haag. Ze werd gecremeerd en haar as werd uitgestrooid over de wateren van de Noordzee.

Marga Klompé was een politiek zwaargewicht, bevlogen en welbespraakt. Zij wordt herinnerd om haar inzet ter bevordering van de mensenrechten en vrede, sociaal welzijn en de internationale sociale verantwoordelijkheid. Daar wil ik emancipatie graag nog aan toevoegen.

Zij is een van mijn Grote Vrouwen. Morgen is de verjaardag van haar aantreden als eerste vrouwelijke minister van Nederland.

Samira Saleh Al-Naimi

Samira Saleh Al-Naimi, Iraakse, advocaat en mensenrechtenactivist, werd op 17 september gevangen genomen in haar huis in Mosul. Deze vrouw zette zich in voor de rechten van gevangenen en voor het bestrijden van armoede. Haar misdaad? Ze veroordeelde de Islamitische Staat en bekritiseerde deze beweging openlijk op Facebook omdat deze gebedshuizen en cultureel erfgoed in Mosul vernielde. Ze moet hen voor ‘barbaars’ versleten hebben.

Een “shariarechtbank” bevond haar schuldig aan afvalligheid. Na die veroordeling is zij nog een paar dagen vastgehouden en gemarteld, om haar spijt te doen betuigen. Dat heeft ze niet gedaan en dus werd zij afgelopen dinsdag in het openbaar, op een plein in Mosul, geëxecuteerd.

Wie goed is voor de slechten,

Is wreed voor de goeden.

Thomas Randolph (1605-1635)

Mina Kruseman

Op 25 september 1839 werd Wilhelmina Jacoba Pauline Rudolphine Kruseman te Velp geboren. Ze noemden haar Mina.

Mina zou, samen met haar drie zussen, opgroeien in het toenmalige Indië. Haar vader was generaal-majoor der infanterie in het Oost-Indische leger. Toen zij vijftien jaar was werd haar vader gepensioneerd en het gezin Kruseman keerde terug naar Nederland.

Ze belandden eerst in Den Haag, maar vestigden zich later in Ginneken. In 1859 sloeg echter het noodlot toe en kwam Mina’s moeder te overlijden. Vader en dochters verhuisden daarna naar Brussel, waar Mina zich inschreef op het Conservatorium, om daar piano- en zanglessen te volgen. Ze koos, zoals ze het later zou beschrijven, “het enige eerbare beroep dat voor vrouwen openstond, dat van kunstenares”. Dat zal ze niet al te onverdienstelijk gedaan hebben, ze zong op muziekavonden en concerten.

Mina in 1865 raakte tot over haar oren verliefd op een jongeman De Vigne. Uit een van haar brieven weten we dat zij “belachelijk veel van hem hield”. Het stel verloofde zich, maar omdat vader De Vigne de twee tortelduifjes geen toestemming gaf zagen ze zich genoodzaakt de relatie te verbreken. Dat moet haar hart gebroken hebben en het is een ervaring die ze haar leven lang bij zich gedragen heeft.

Mina Kruseman probeerde met alle macht een carrière in de muziek op te bouwen. Ze ging zo’n beetje alle grote steden in Nederland af, maar werd daar afgewezen. In 1870 vertrok zij naar Parijs, waar zij haar zangopleiding voort zette. De Frans-Duitse oorlog brak uit en nog in augustus van datzelfde jaar zag zij zich genoodzaakt terug te keren naar Brussel. Vanaf dat moment heeft Mina Kruseman het pacifisme omarmd, naast het feminisme, en ze droeg dat ook luid en duidelijk uit.

Amerika 

Na al die tegenslag liet ze het er toch niet bij zitten en ze toog naar Amerika, waar ze zich Stella Oristorio di Frama liet noemen en onder die naam heeft ze er opnieuw geprobeerd naam te maken als concertzangeres. In Amerika schreef zij ook de roman Een huwelijk in Indië, waarin zij de verbroken liefdesrelatie met De Vigne verwerkte. Niet alleen dat, ze schreef over de leegheid van het vrouwenleven en ze nam stelling tegen huwelijken uit conventie. Zo’n huwelijk vond ze ronduit onzedelijk en ze vergeleek het met prostitutie.

In de zuidelijke staten had zij weliswaar succes met haar optredens, maar die zangcarrière wilde desondanks maar niet van de grond komen. Iets dat ze zelf weet aan een gebrek aan financiële middelen en de onredelijke eisen van managers. In 1872 pakte ze dus haar biezen en ging weer terug naar Brussel.

Had ze in Amerika overhoop gelegen met al te veeleisende managers, over het uitgeven van Een huwelijk in Indië had ze ronduit ruzie met uitgever Nijhoff. Niet alleen over haar auteursrechten, maar over het gehele boek hadden ze strijd, van de titel tot de laatste alinea. De uitgever wilde een hoofdstuk, dat hij minder geslaagd vond, zelfs weglaten. Gebelgd publiceerde Mina Kruseman dat hoofdstuk, “Uit het leven van een dokter”, in De Nederlandsche Spectator en ze las het voor in het openbaar. Het hoofdstuk sneuvelde desondanks toch.

De moderne Judith

In die tijd zocht de bekende feministe Betsy Perk contact met Mina Kruseman. De vrouwen vonden elkaar in de door hen gedeelde feministische idealen en gingen samen op tournee. Mina Kruseman trad met regelmaat op en en las daarbij onder meer voor uit eigen werk. Ze was een voorvechtster voor de emancipatie van vrouwen en schuwde daar de heilige huisjes van die tijd geenszins bij. Vrouwen, zo vond zij, moesten het recht hebben op een eervolle manier in hun eigen broodwinning te voorzien. Ze maakte zich boos over de opvoeding van meisjes, die slechts gericht was op het huwelijk. 
Haar (voor die tijd) radicale standpunten kwamen haar op de nodige spotternijen te staan en ze werd afgeschilderd als een ‘moderne Judith’, die alle mannen het hoofd af wilde slaan. 
De samenwerking met Betsy Perk duurde tot mei 1873, waarna Mina Kruseman solo doorging met haar voordrachten. Ze bewerkte Een huwelijk in Indië tot een toneelstuk: De Echtscheiding. Het toneelstuk voerde ze eerst alleen op en in 1874 samen met een gezelschap. Het eerste met beduidend meer succes, de samenwerking met het toneelgezelschap werd een fiasco. 

Naar haar feministische kritiek liet ze zich ook uit het anti-artistieke klimaat dat destijds in Nederland heerste. Dat leverde haar de aandacht op van niemand minder dan de grote Multatuli. Ze ontmoetten elkaar tweemaal in Wiesbaden, in 1873 en 1874, en correspondeerden daarna met regelmaat met elkaar. Mina Kruseman schreef hem over de vriendschap tussen hen beiden en de vriendschappen tussen mannen en vrouwen in het algemeen.

Mina Kruseman was succesvoller als schrijfster dan ze ooit als zangeres was en bedroop zichzelf, tegen de conventies van die tijd in. Haar boeken en haar lezingen legden haar geen windeieren en begin 1874 kon er een reis naar Italië af. Eenmaal terug in Nederland ijverde ze voor het opvoeren van Multatuli’s Vorstenschool, een toneelstuk waarin ze zelf de hoofdrol beoogde te spelen. Nog tijdens de repetities kregen zij en Multatuli onenigheid, hetgeen tot een einde van hun vriendschap leidde, en uiteindelijk werd zij door een andere actrice vervangen.

Eind 1875 maakte Mina Kruseman een laatste tournee door Nederland, met haar toneelstuk Een blik in de kunstenaarswereld, vergezeld door haar leerlingen Elize Baart en Hélène Gerritsen. In 1877 schokte ze het Nederlandse publiek nog eenmaal door een verzameling van haar intieme brieven, zowel van haar hand als aan haar geschreven, uit te brengen in haar autobiografie Mijn leven. In september van dat jaar vertrok ze naar haar zus en zwager in Indië.

Terug in Indië

Ook in Indië roerde ze zich en kantte zich tegen de koloniale verhoudingen aldaar. Ze gaf lezingen in Batavia, maar het succes bleef uit. Ze verhuisde naar Soerabaja, waar ze in 1878 stopte met het geven van lezingen en zichzelf tot taak stelde Indonesische en Chinese meisjes tot zelfbewuste vrouwen op te voeden. Dat liep uit in conflicten met lokale religieuzen, die het meisjesonderwijs verzorgden. Daarnaast gaf Mina Kruseman les in pianospelen, zang en toneel en met haar leerlingen voerde ze toneelstukken op. Ook die toneelstukken kwamen haar op felle kritieken te staan, maar ze liet zich geen strobreed in de weg leggen.

Ze ontmoette de veel jongere schrijver F.J. Hoffman en in 1881 gingen zij ongehuwd samenwonen. Dat leverde zo’n enorm schandaal op dat het stel zich genoodzaakt zag Indië te verlaten. Ze streken neer in Rome waar ze twee dochtertjes kregen. Beide kinderen overleden al op vroege leeftijd. Het paar liet Rome voor wat het was en verhuisde naar Boulogne-sur-Seine bij Parijs. Daar gaf Mina Kruseman zangles en Hoffman verdiende er de kost als fotograaf en vioolleraar.

Frankrijk

Kruseman en Hoffman verbleven tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk. Die ervaring sterkte Mina Kruseman verder in haar pacifistische overtuigingen en ze schreef het pamflet Appel à toutes les femmes du monde entier, waarin ze vrouwen opriep zich te verenigen in een vredesbeweging. Haar pacifistische activiteiten brachten haar, in de herfst van haar leven in contact met de Nederlandse vrouwenbeweging.

Mina Kruseman werd slecht ter been en vanaf 1920 was zij feitelijk aan huis gekluisterd. Haar laatste jaren sleet ze in Boulogne-sur-Seine, waar ze in 1922 overleed. Ze werd 82 jaar.

Ze was haar tijd ver vooruit, een pionier, excentriek, eigenzinnig, getalenteerd, individualist, uitgesproken pacifist en feminist. Ze werd gelauwerd en verguisd en spaarde op haar beurt niemand. Wars van alle conventies trok ze haar eigen plan. Ze verloor haar moeder, twee van haar zussen, haar beide kinderen en haar levenspartner, maar ploeterde onverzettelijk voort.

Mina Kruseman is een van mijn meest vrijgevochten heldinnen en een van mijn Grote Vrouwen.

Mej. Betsy Perk. Delft.
Brussel. 22 Febr. ’73.

Nu ga ik u een bekentenis doen, die u, ofschoon zij waar is, of mogelijk juist daarom, overdreven zal voorkomen. Ik geloof niet meer aan vriendschap.

Ik hecht niet aan vriendschap, want ik vertrouw geen vrienden meer. Een goed mensch is goed, ook zònder vriendschap; en een slecht mensch zal dóór vriendschap niet beter worden.

Ik heb mijn heele leven door vrienden gehad, menschen van wie ik niets verlangde en die ik van dienst kon zijn, die ik goed dacht en lief had en voor wie ik mij duizend kleine en groote opofferingen getroostte tot dat ik ontdekte dat zij valsch waren, en mij benadeelden waar zij konden.
Dan verklaarde ik ze dood, en deed ik verder alsof zij niet bestonden.
Maar al dat dood verklaren maakte mij veel ongelukkiger dan hen, daar mijne vriendschap sympathie was geweest en de hunne berekening.
Ik verloor vrienden die ik lief had, zij verloren een steun dien zij meestal niet meer noodig hadden.
Toch hebben al die valsche vrienden en vervlogen vriendschappen mij veel goed gedaan, zij hebben mij zelfs een onbetaalbaren dienst bewezen.
Zij hebben mij leeren alleen staan.

Mina.

Mimi van den Hurk

Op 24 augustus 1919 kwam Mimi de Jong ter wereld in Rotterdam.

Ze zou trouwen met Peter van den Hurk, geboren in Tiel. Ze ontmoetten elkaar in Rotterdam, waar zij beiden werkzaam waren.

Het stel sloot zich tijdens de Tweede Wereldoorlog aan bij het Verzet. Ze werden lid van de ondergrondse Binnenlandse Strijdkrachten. In de omgeving van Meppel waren in die jaren meerdere nauw samenwerkende verzetsgroepen actief, die we nu als de Meppelse Knokploeg kennen. Het echtpaar Van den Hurk organiseerde vanuit Meppel onderduikadressen en leverde valse persoonsbewijzen aan onderduikers. Ze hielpen neergehaalde geallieerde piloten aan onderdak. Ze hielpen die piloten en Joodse vluchtelingen het land te ontvluchten, met een boot naar Engeland of via de beroemde Limburgse “pilotenlijn” naar het bevrijde deel van Frankrijk.

Een van hen, de Amerikaanse boordschutter van de bommenwerper True Love Harry Dolph, schreef later een boek, “The Evader” over zijn ervaringen. Hij verbleef acht maanden lang bij de Nederlandse ondergrondse en kreeg een vervalst persoonsbewijs van Peter van den Hurk.

Op 18 december 1944 sloeg het noodlot toe en het echtpaar Van den Hurk werd, samen met vijf anderen, verraden en door de Sicherheitsdienst gearresteerd. Ze werden vreselijk gemarteld, maar lieten beiden niets los. Een agent smokkelde voor Peter van den Hurk een briefje naar buiten, waarin deze om hulp vroeg en schreef te vrezen dat hij en zijn medegevangenen spoedig gefusilleerd zouden worden. Een van de Meppelse verzetsgroepen, die van “Ome Hein”, beantwoordde die noodkreet.

Op 24 december overvielen ze het politiebureau van Meppel, waar het echtpaar Van den Hurk werd vastgehouden. Na een schotenwisseling wist “Ome Hein” hen en enkele anderen te bevrijden. Bij deze actie kwam verzetsman Gerrit de Boer om het leven. Hij werd in de hals geraakt en bezweek op de stoep van het politiebureau aan die verwonding. Hij stierf in de armen van Jan Gunnink, die man achter de schuilnaam “Ome Hein”. Het echtpaar Van den Hurk dook onder.

Een van Jan Gunninks zoons, ook lid van de Meppelse Knokploeg, zou later in zijn boek “De Knokploeg” over zijn belevenissen bij de Meppelse Knokploeg schrijven.

Mimi van den Hurk werd na de oorlog, evenals haar man, geëerd voor haar verzetswerkzaamheden. Ze kregen samen één dochter, Pia, die trouwde met de toneelspeler Ko van Dijk. Ze kreeg in 1947 de Medal of Freedom en later ook het Verzetsherdenkingskruis. Ze stierf in 2001.

Zij is een van mijn Grote Vrouwen.

Anne Finch

Anne Finch, Gravin van Winchilsea, is een van mijn favoriete herontdekte dichteressen.

Ze werd in 1661 geboren als Anne Kingsmill in Westminster, Middlesex. Haar vader Sir William Kingsmill of Sidmonton stierf toen ze net vijf maanden oud was. Haar moeder hertrouwde in 1662 met Sir Thomas Ogle en werd zo Lady Ogle. In 1664 stierf ook Lady Ogle.

Van Anne’s jeugd weten we verder niets. Ze duikt pas in 1683 weer op in de geschiedenis en ze is dan hofdame van Mary van Modena, hertogin van York en de echtgenote van koning Jacobus II. Aan het hof ontmoette ze kolonel en hoveling Heneage Finch, met wie ze in het huwelijksbootje stapte. Heneage Finch werd in 1683 Graaf van Winchilsea.

Anne bleek al vroeg een literair talent. Misschien een tikkeltje te melancholisch naar mijn smaak, maar ze was ontegenzeggelijk een begenadigde dichter. Niet alleen schreef ze haar Heneage prachtige liefdesgedichten, ze schreef ook satire, fabels, pamfletten en poëzie over de natuur, haar persoonlijke ervaringen en gevoelens, haar religieuze overtuigingen, de troon en politiek. Ze kon behoorlijk uit de hoek komen, zal ik maar zeggen – en daar hou ik van.

Anne Finch was een uitermate fel tegenstander van het atheïsme. Het werk The Free-Thinkers. A poem in dialoguedat doorgaans aan Anne Finch wordt toegeschreven druipt van de aversie.

Soit, dat vergeef ik haar.  Ik hoef het ook zeker niet met haar eens te zijn om haar schrijven te waarderen.

Anne en Heneage Finch kwamen in de problemen toen de katholieke koning Jacobus II in 1688 werd afgezet en de kolonel weigerde steun te verlenen aan William en Mary. Dat betekende het einde van het verblijf van de Finches aan het hof, hetgeen vooral Anne erg heeft verdroten. Ze werden effectief verbannen van het hof en het politiek strijdtoneel en namen hun intrek op het landgoed van de familie Finch, waar ze meer dan twintig jaar verbleven.

In 1701 werden haar eerste gedichten gepubliceerd. Twaalf jaar later verscheen haar gedichtenbundel Miscellany Poems. Daarmee is ze een van de eerste vrouwelijke dichters wiens werk in druk verscheen. Ze werd, als vrouw en aristocrate, in het geheel niet serieus genomen en ze verdween ze ook onmiddellijk weer in de vergetelheid.

Totdat niemand minder dan William Wordsworth Anne’s natuurpoëzie prees en hij haar Nocturnal Reverie zelfs opnam in een van zijn essays.

Anne Finch stierf op 5 augustus 1720.

A Nocturnal Reverie


In such a night, when every louder wind 

Is to its distant cavern safe confined; 

And only gentle Zephyr fans his wings, 

And lonely Philomel, still waking, sings; 

Or from some tree, famed for the owl’s delight, 

She, hollowing clear, directs the wand’rer right: 

In such a night, when passing clouds give place, 

Or thinly veil the heav’ns’ mysterious face; 

When in some river, overhung with green, 

The waving moon and the trembling leaves are seen; 

When freshened grass now bears itself upright, 

And makes cool banks to pleasing rest invite, 

Whence springs the woodbind, and the bramble-rose, 

And where the sleepy cowslip sheltered grows; 

Whilst now a paler hue the foxglove takes, 

Yet checkers still with red the dusky brakes 

When scatter’d glow-worms, but in twilight fine, 

Shew trivial beauties, watch their hour to shine; 

Whilst Salisb’ry stands the test of every light, 

In perfect charms, and perfect virtue bright: 

When odors, which declined repelling day, 

Through temp’rate air uninterrupted stray; 

When darkened groves their softest shadows wear, 

And falling waters we distinctly hear; 

When through the gloom more venerable shows 

Some ancient fabric, awful in repose, 

While sunburnt hills their swarthy looks conceal, 

And swelling haycocks thicken up the vale: 

When the loosed horse now, as his pasture leads, 

Comes slowly grazing through th’ adjoining meads, 

Whose stealing pace, and lengthened shade we fear, 

Till torn-up forage in his teeth we hear: 

When nibbling sheep at large pursue their food, 

And unmolested kine rechew the cud; 

When curlews cry beneath the village walls, 

And to her straggling brood the partridge calls; 

Their shortlived jubilee the creatures keep, 

Which but endures, whilst tyrant man does sleep; 

When a sedate content the spirit feels, 

And no fierce light disturbs, whilst it reveals; 

But silent musings urge the mind to seek 

Something, too high for syllables to speak; 

Till the free soul to a composedness charmed, 

Finding the elements of rage disarmed, 

O’er all below a solemn quiet grown, 

Joys in th’ inferior world, and thinks it like her own: 

In such a night let me abroad remain, 

Till morning breaks, and all’s confused again; 

Our cares, our toils, our clamors are renewed, 

Or pleasures, seldom reached, again pursued.

Anne Finch

Anne Askew, the Fair Gospeler

Het is 16 juli 1546. Een enorme menigte mensen heeft zich op Smithfield in Londen verzameld voor een waar spektakel. Vier Protestante ketters, Anne Askew, John Lascelles, John Adams en Nicholas Belenian, zullen levend worden verbrand. Anne Askew is 26 jaar.

Jonge jaren en huwelijk

Anne Askew werd in 1521 geboren in Lincolnshire. Ze was de jongste van vijf kinderen. Haar vader, William Eskew, was een ridder en een rijke landeigenaar die deel uitmaakte van het hof van de beroemde en beruchte koning Henry VIII. U weet wel, de man die de Anglicaanse Kerk van de Kerk van Rome afscheidde omdat de paus hem geen echtscheiding gunde toen hij op zijn eerste vrouw was uitgekeken. Henry zou in totaal zesmaal huwen, tweemaal scheiden, een van zijn vrouwen in het kraambed verliezen en twee van zijn echtgenotes laten onthoofden. Zijn laatste echtgenote, Katherine Parr, had het geluk hem te overleven.

William Eskew arrangeerde een huwelijk voor zijn oudste dochter Martha met Thomas Kyme, maar het meisje kwam voortijdig te overlijden. Anne, toen 15 jaar oud, moest de plaats van haar oudere zus innemen. Thomas Kyme was een behoudend katholiek en hij was een stuk rijker dan hij intelligent was.

Anne zal weinig been in deze verbintenis gezien hebben. Ze had een, voor die tijd, redelijke opleiding genoten en was een intelligent, geestig en koppig meisje. Ze kon lezen en schrijven, schreef gedichten en las de in het Engels vertaalde bijbel met graagte. Door twee van haar broers, die aan Cambridge studeerden, was ze al vroeg met het Protestantisme in aanraking gekomen. Na een opstand van rooms-katholieken in Lincolnshire, waarbij huize Eskew door de opstandelingen werd aangevallen, verloor ze het beetje sympathie dat ze nog voor het katholicisme had en werd overtuigd protestantse.

Het werd geen gelukkig huwelijk. Ze kregen nochtans twee kinderen.

Anne Eskew rebelleert 

In 1543 had koning Henry VIII een aartsconservatieve bui en verbood mensen uit de lagere klassen de bijbel te lezen. Vrouwen uit de hogere klassen mochten de bijbel wel lezen, maar niet in het openbaar. Thomas Kyme was daar ontzettend mee in zijn nopjes, zijn vrouw begrijpelijkerwijze niet. Uit protest reisde Anne af naar Lincoln, waar ze een week lang elke dag demonstratief in de kathedraal haar bijbel ging zitten lezen. Ze kende grote delen van de bijbel uit het hoofd en besloot mensen, die niet langer toegang tot de bijbel hadden, met haar kennis een handje te helpen. Ze verspreidde de blijde boodschap, hetgeen haar echtgenoot verder tot wanhoop dreef.

Hij wendde zich tot priesters van de lokale parochie en vroeg hen om raad; hoe moest hij zijn weerspannige echtgenote toch terug in het gareel krijgen? Ze adviseerden hem zijn eega te vernederen door haar zijn huis uit te gooien. Van schaamte zou ze dan wel met hangende pootjes terugkomen en zich schikken naar de wil van haar man. Zo gezegd, zo gedaan.

Anne, die zich allerminst vernederd voelde, verhuisde simpelweg met haar twee zoontjes naar de woonst van een van haar broers en predikte van daaruit lustig verder. Erger, ze vroeg (naar lichtend voorbeeld van de koning) een echtscheiding aan. Ze verhuisde voorts naar het voornamelijk Protestante Londen en nam daar haar meisjesnaam weer aan, hetgeen Thomas Kyme een behoorlijke rolling zal hebben bezorgd. Anne Eskew wist zich eindelijk onder gelijkgezinden en dompelde zich onder in de stad waar iedereen, alle rangen en standen, mannen en vrouwen, zich ondanks het verbod des konings openlijk de bijbel las en bestudeerde.

Anne Askew maakte er naam als lekenpredikster, verdiende de bijnaam ‘Fair Gospeler’, en raakte bevriend met mensen als Hugh Latimer, Nicholas Shaxton, Edward Crome en Catherine Brandon – die op hun beurt weer in de kringen verkeerden van nieuwbakken koningin Katherine Parr en haar hofhouding.

De ketter en de bisschop

Bisschop Stephen Gardiner, die al een aversie had tegen bijdehante vrouwen in het algemeen en koningin Katherine Parr en zijn eigen peetdochter hertogin Catherine Brandon in het bijzonder, kreeg lucht van de Fair Gospeler en zij zinde hem ook in het geheel niet. Dat vrijgevochten gedoe van arrogante vrouwen die hun plaats maar niet willen kennen, daar zou hij wel eens even korte metten mee maken. De koningin en de hertogin waren te machtig, die durfde hij niet direct aan te pakken, maar Anne Eskew was een andere zaak. Hij hoopte via haar beide andere vrouwen in het stof te doen bijten.

Anne Askew werd dus beschuldigd van ketterij en op 10 mei 1545 werd ze gevangengenomen. Ze werd verhoord, weigerde te bekennen en kreeg een gevangenisstraf van twaalf dagen. Tijdens haar verblijf in de gevangenis schreef ze gedichten en protestliederen. In juni dat jaar werd ze echter opnieuw vast gezet op beschuldiging van ketterij, maar omdat er geen getuigen waren werd ze weer vrijgelaten.

Begin 1546 werd Annes verzoek tot een echtscheiding afgewezen, geheel tegen haar verwachtingen in, en werd ze gesommeerd naar haar echtgenoot terug te keren. Ze gehoorzaamde niet. Op 10 mei belandde ze weer in het cachot, haar man liet haar arresteren, ze werd weer ondervraagd, en werd vervolgens aan een van haar broers overgedragen. Ze weigerde halsstarrig naar haar man terug te gaan en dat was koren op de molen van bisschop Gardiner. Hij ontbood haar in Londen en gaf haar opnieuw de opdracht zich weer bij haar man te vervoegen. Ze ging niet, predikte haar boodschap alleen maar fanatieker en de gebelgde bisschop was woedend.

In juni van 1546 werd Anne Askew weer beschuldigd van ketterij, ditmaal werd ze daarvoor ter dood veroordeeld en dus werd ze weer in het gevang gesmeten om daar haar terechtstelling af te wachten. Ze werd twee dagen lang verhoord door niemand minder dan Chancellor Sir Thomas Wriothesley, bisschop Stephen Gardiner zelf, John Dudley de bisschop van Winchester en secretaris van de koning Sir William Paget. Dit illustere gezelschap deed er alles aan de jonge vrouw haar ketterij te doen bekennen, haar terug te laten keren naar het katholieke geloof en vooral namen op te laten biechten van andere Protestanten. De heren waren met name op zoek naar belastende informatie over hun koningin Katherine Parr, was zij misschien ook een praktiserende Protestantse? En haar hofdames?

Anne Askew zei niets. De heren lieten haar martelen. Dat was ongehoord om met een reeds veroordeelde te doen, laat staan met een vrouw van stand, maar op een ochtend werd ze dus overgebracht naar een kamer in de White Tower, waar de pijnbank op haar wachtte. Eerst liet men haar het martelwerktuig eens goed bekijken, de houten constructie met zijn touwen en tandwielen, en vroeg haar opnieuw namen te noemen. Anne weigerde weer en dus werd ze op de pijnbank uitgestrekt, waar ze haar met haar polsen en enkels aan vastbonden. Weer vroegen ze haar om namen en weer deed ze er het zwijgen toe.

Ze lieten het wiel van de pijnbank aandraaien en de touwen om haar enkels en polsen begonnen haar ledematen langzaam uiteen te trekken tot ze van pijn het bewustzijn verloor. Ze had geen kik gegeven. Haar beulen draaiden het wiel weer los en brachten haar bij.

Ze herhaalden de procedure tweemaal, waarbij ze uiteindelijk haar schouders en heupen uit de kom trokken en haar ellebogen en knieën ontwrichtten. Haar spieren scheurden. Annes gegil kon tot in de tuin naast de Tower gehoord worden, maar ze verried niemand.

In brieven beschreef ze haar eigen marteling. Die brieven wist ze de gevangenis uit te laten smokkelen.

“Then they did put me on the rack, because I confessed no ladies or gentlemen, to be of my opinion…the Lord Chancellor and Master Rich took pains to rack me with their own hands, till I was nearly dead. I fainted…and then they recovered me again. After that I sat two long hours arguing with the Lord Chancellor, upon the bare floor…With many flattering words, he tried to persuade me to leave my opinion… I said that I would rather die than break  my faith.”


Martelaarsdood 

Terug naar 16 juli 1546. De vier ketters worden naar de executieplaats gebracht. Anne is niet in staat zelf naar het schavot te lopen door de martelingen en dus wordt ze op een stoel gedragen. Bisschop Shaxton steekt nog een preek tegen hen, en de toegestroomde goegemeente, af. Anne Eskew luistert aandachtig, valt de bisschop hardop bij wanneer ze meent dat hij gelijk heeft en gaat evengoed luidkeels tegen hem in wanneer hij zaken zegt die volgens haar tegen de Schrift ingaan: “There he misseth, and speaketh without the book.” 

De vier terdoodveroordeelden krijgen een laatste kans; kom tot inkeer en je zult gespaard worden. Anne spreekt voor hen allemaal, niets daarvan. Ze worden met kettingen aan palen gebonden, die van Anne heeft zelfs een zitje omdat ze niet kan staan. Brandhout wordt tegen de staken opgetast en het viertal begint te bidden.

Omwille van haar koppigheid en recalcitrantie wordt de jonge vrouw geen enkele genade gegund. De beul wurgt haar niet voordat hij in haar in brand steekt, zoals men in die dagen wel placht te doen, en hij zorgt ervoor dat ze niet te snel verbrandt. Pas wanneer de vlammen haar op borsthoogte lekken begint ze te schreeuwen, aldus ooggetuigen. Na een kwartier verliest ze het bewustzijn of is ze dood, het gegil verstomt.

Anne Eskew is een van mijn Grote Vrouwen. Ze maakte, in een tijd waarin dat voor vrouwen in het geheel niet vanzelfsprekend was, voor zichzelf uit waar voor haar de waarheid lag. Ze was een van de eerste dichteressen die in het Engels schreven en ze was de eerste Engelse die om een echtscheiding dorst te vragen.

Vandaag is haar sterfdag en wil ik u een van haar werken cadeau doen.

Het is een ballade, die Anne Eskew in gevangenschap schreef.

Like as the armed knight
Appointed to the field,
With this world will I fight
And Faith shall be my shield. 

Faith is that weapon strong
Which will not fail at need.
My foes, therefore, among
Therewith will I proceed. 

As it is had in strength
And force of Christes way
It will prevail at length
Though all the devils say nay. 

Faith in the fathers old
Obtained rightwisness
Which make me very bold
To fear no world’s distress. 

I now rejoice in heart
And Hope bid me do so
For Christ will take my part
And ease me of my woe. 

Thou saist, lord, who so knock
To them wilt thou attend.
Undo, therefore, the lock
And thy strong power send. 

More enmyes now I have
Than hairs upon my head.
Let them not me deprave
But fight thou in my stead. 

On thee my care I cast.
For all their cruel spight
I set not by their haste
For thou art my delight. 

I am not she that list
My anchor to let fall
For every drizzling mist
My ship substancial. 

Not oft use I to wright
In prose nor yet in rime,
Yet will I shew one sight
That I saw in my time. 

I saw a rial throne
Where Justice should have sit
But in her stead was one
Of moody cruel wit. 

Absorpt was rightwisness
As of the raging flood
Sathan in his excess
Suct up the guiltless blood. 

Then thought I, Jesus lord,
When thou shalt judge us all
Hard is it to record
On these men what will fall. 

Yet lord, I thee desire
For that they do to me
Let them not taste the hire
Of their iniquity. 

Anne Askew (1521 – 1546)

Elizabeth Barrett Browning

Op 29 juni 1861 blies Elizabeth Barrett Browning haar laatste adem uit. Ze was een van de grootste dichters uit de Victoriaanse tijd, bewonderd door Edgar Allen Poe en Alfred, Lord Tennyson. Abolitioniste, feministe en een van mijn heldinnen, mijn Grote Vrouwen.

Jeugd

Elizabeth Barrett werd op 6 maart 1806 geboren in Ledbury. Ze groeide in rijkdom op, de streng christelijke familie Barrett had een fortuin vergaard op de suikerplantages van Jamaica. Ze genoot thuisonderwijs en benijdde haar broers die wel naar school mochten, omdat ze jongens waren.

Ze was een wonderkind, haar eerste gedicht, On the Cruelty of Forcement to Man, componeerde ze al toen ze zes of acht jaar oud was. Ze leerde Grieks op haar tiende en raakte verslingerd aan de klassieken. Toen ze veertien jaar was schreef ze The Battle of Marathon en haar vader Edward Moulton Barrett liet dit gedicht in eigen beheer drukken. Op haar vijftiende geraakte Elizabeth ziek, ze leed aan hoofd- en rugpijnen die haar de rest van haar leven zouden achtervolgen. Ze gebruikte laudanum tegen de pijn.

Een jaar later schreef Elizabeth An Essay on Mind, een lang filosofisch gedicht, dat aanleiding gaf tot de publicatie van haar eerste dichtbundel: An Essay on Mind and Other Poems.

Tijdens de dertiger jaren van haar eeuw ontmoette Elizabeth dankzij haar neef John Kenyon verschillende literaire grootheden; William Wordsworth, Mary Russell Mitford, Samuel Taylor Coleridge en Alfred, Lord Tennyson.

Later leven en de liefde  

In 1833 vertaalde ze de Griekse tragedie Prometheus Geboeid van Aischylos in het Engels. Vader Edward Browning moet de afschaffing van de slavernij in datzelfde jaar met lede ogen aangezien hebben. Financieel had hij daaronder te lijden en hij zag zich genoodzaakt eerst naar Sidmouth en later naar Londen te verhuizen. Elizabeth was juist fel gekant tegen de slavernij.

In 1838 verschijnt de eerste ‘volwassen’ dichtbundel The Seraphim and Other Poems van Elizabeths hand. Haar gezondheid ging verder achteruit, waarschijnlijk kreeg ze ook nog eens tuberculose. Nadat een van haar broers bij een zeilongeluk omkwam kwam ze haar slaapkamer een poos zelfs niet meer uit.

Tussen 1841 en 1844 schreef Elizabeth als een bezetene. Ze schreef ettelijke gedichten, vertaalde meerdere werken en schreef proza. The Cry of the Children verscheen in 1843 en Poems in 1844. Daarnaast maakte ze zich hard tegen de slavernij en kinderarbeid. Elizabeths ster was rijzende en ze kreeg almaar meer naamsbekendheid.

In die tijd ontmoette ze Robert Browning, schrijver en bewonderaar van haar werk. Hij was zes jaar jonger dan zij. Ze schreven met elkaar, van het een kwam het ander en ze raakten verliefd. In die tijd schreef Elizabeth Browning haar prachtige Sonnets from the Portuguese

Een van mijn favorieten doe ik u vandaag cadeau:

XXIV
Let the world’s sharpness like a clasping knife
Shut in upon itself and do no harm
In this close hand of Love, now soft and warm,
And let us hear no sound of human strife
After the click of the shutting. Life to life –
I lean upon thee, Dear, without alarm,
And feel as safe as guarded by a charm
Against the stab of worldlings, who if rife
Are weak to injure. Very whitely still
The lilies of our lives may reassure
Their blossoms from their roots, accessible
Alone to heavenly dews that drop not fewer;
Growing straight, out of man’s reach, on the hill.
God only, who made us rich, can make us poor.



Ze trouwden in het geheim, omdat Elizabeth dacht dat haar vader die verbintenis zou afkeuren. Dat deed hij inderdaad en hij onterfde Elizabeth toen hij er eenmaal van hoorde. Dat stond de liefde tussen Elizabeth en haar Robert echter niet in de weg en het stel verhuisde in 1846 naar Italië.

Ze betrokken een herenhuis, Casa Guidi, in Florence. Het huis staat er nog en is nu een museum. Elizabeth schreef daar Casa Guidi Windows, dat politiek getint is en waarbij ze beïnvloed werd door de Italiaanse eenwordingsstrijd. Ze kregen in 1849 een zoon Robert Barrett Browning, ze noemden hem “Pen”.

Robert en Elizabeth ontmoetten in 1953 Harriet Hosmer in Rome. Kort na die ontmoeting vroeg Hosmer het stel of zij een beeltenis van hun handen maken mocht. Op voorwaarde dat de beeldhouwster in eigen persoon een afgietsel zou maken gingen ze akkoord. Harriet Hosmer vereeuwigde hun handen in brons.

Aurora Leigh

In 1856 verscheen Aurora Leigh, het absolute hoogtepunt van Elizabeths schrijverschap en haar meest ambitieuze onderneming. Het is een episch gedicht, een roman in verzen, een verhaal in lagen en feministisch bovendien. Het laat ons kennismaken met Aurora Leigh, die ons vertelt over haar lotgevallen en omzwervingen. Het idee de heldin van het verhaal haar eigen verhaal te laten vertellen was een literair novum. Aurora vertelt hoe ze op jonge leeftijd haar eerst haar moeder en dan haar vader verliest, waarna ze bij haar vaders kille en harteloze zus komt te wonen. Ze vertelt over haar ontmoeting met haar neef, Romney Leigh, met wie ze hartgrondig van mening verschilt over de “roeping” van vrouwen en hun plaats in de maatschappij en het belang van de schone kunsten. Romney meent dat vrouwen helemaal geen poëzie van belang kunnen schrijven, daar hebben ze het talent niet voor. Ze wijst zijn huwelijksaanzoek af en verkiest een leven alleen, als schrijfster – met met succes.

Voor de romantici onder u, het komt ook weer goed hoor tussen Aurora en Romney. 

Dood

Elizabeth Barrett Browning tobde haar hele leven met haar gezondheid. Ze stierf op 55-jarige leeftijd in de armen van haar grote liefde Robert Browning, met een glimlach op haar gezicht.
Het laatste wat ze zei was “Beautiful”.

XLIII
How do I love thee? Let me count the ways.
I love thee to the depth and breadth and height
My soul can reach, when feeling out of sight
For the ends of Being and ideal Grace.
I love thee to the level of everyday’s
Most quiet need, by sun and candle-light.
I love thee freely, as men strive for Right;
I love thee purely, as they turn from Praise.
I love thee with the passion put to use
In my old griefs, and with my childhood’s faith.
I love thee with a love I seemed to lose
With my lost saints,—I love thee with the breath,
Smiles, tears, of all my life!—and, if God choose,
I shall but love thee better after death. 

Bertha von Suttner

Op 9 juni 1843 kwam Bertha Sophie Felicitas barones von Suttner, geboren gravin Kinsky von Wchinitz und Tettau in Praag ter wereld. Ze was een telg uit een Boheemse adellijke familie. Haar vader, een generaal, stierf nog voor ze geboren werd. Ze groeide op in een aristocratisch milieu. Omdat ze een meisje was mocht ze niet studeren, wel werd ze door privéleraren onderwezen in meerdere talen en muziek.

Bertha’s moeder was een onverbeterlijk gokker, die het fortuin van de generaal kwijtspeelde. De jonge Bertha ambieerde een poos een carrière als operazangeres, maar had daar niet genoeg talent voor. Huwelijkskandidaten meldden zich niet, niet in het minst omdat Bertha’s erfenis door haar moeder vergokt was. In 1873 nam Bertha daarom een betrekking als gouvernante aan. Zo kwam ze terecht in het gezin van industrieel en baron Karl Gundacar Freiherr von Suttner, waar ze de dochters des huizes op haar beurt lessen gaf in taal en muziek. Bertha, toen 30 jaar oud, raakte smoorverliefd op de 23-jarige zoon van haar werkgever, Arthur von Suttner. De gevoelens waren wederzijds, hetgeen het schandaal wel compleet maakte, en Bertha werd daarom onmiddellijk ontslagen.

Ze zocht haar heil in Parijs. Daar werd ze de privé-secretaresse van niemand minder dan Alfred Nobel, waar ze de rest van zijn leven mee bevriend zou blijven. De liefde voor Arthur bleef echter en ze keerde spoorslags terug naar Wenen toen Arthur haar in een brief liet weten niet zonder haar te kunnen leven. In 1876 trouwden Bertha en Arthur, in het geheim want hun beider families waren erg op deze verbintenis tegen. Arthur werd onterft.

Op uitnodiging van prinses Ekatarina, een oude vriendin van Bertha’s gokverslaafde moeder, reisden Bertha en Arthur af naar Georgië. Beide echtelieden gaven les en begonnen journalistiek werk te doen. Ze versloegen de Russisch-Turkse oorlog.

‘Die Waffen Nieder’

De verschrikkingen die Bertha tijdens die oorlog zag maakten een intense indruk op haar en vervulden haar met afschuw. Ze inspireerden haar tot het schrijven van een boek: ‘Die Waffen Nieder’. De roman was een trendbreuk met de manier waarop voordien over de oorlog geschreven werd; met de nadruk op heldenmoed en -verering, trots militarisme en vaderlandsliefde. In ‘Die Waffen Nieder’ werden juist de verschrikkingen van al dat bloedvergieten onverbloemd en realistisch beschreven en dan ook nog uit het oogpunt van een soldatenvrouw, die een eerste en zelfs een tweede echtgenoot in de oorlog verliest.

“In de buurt van de kanonnen liggen de doden, de halfdoden en de dode paarden door elkaar. Letterlijk kapotgeschoten. Je ziet halfdoden overeind krabbelen – voor zover ze nog voeten hebben – en weer neervallen en opnieuw overeind komen, totdat ze alleen nog hun hoofd kunnen opheffen om hun van pijn vervulde doodskreten te slaken.”

Bertha had daardoor zelfs moeite het boek uitgegeven te krijgen. Toen het boek in 1889 eindelijk gepubliceerd werd was het direct een eclatant succes. Honderdduizenden exemplaren gingen over de toonbank en het werk werd in zestien talen vertaald. Het boek was van meet af aan ook erg omstreden en het bracht Bertha zowel lof als hoon – en internationale bekendheid. Bertha werd “Friedens-Furie”

Tolstoi noemde haar boek ‘Die Waffen Nieder’ “net zo belangrijk voor de vredesbeweging als De hut van oom Tom voor de afschaffing van de slavernij”.

In dezelfde tijd dat ‘Die Waffen Nieder’ uitkwam richtte Arthur von Suttner een vereniging op tegen het antisemitisme. Bertha steunde hem daarin, hetgeen haar ook nog eens op de bijnaam “Juden-Bertha” kwam te staan.

In 1885 keerde het stel terug naar Wenen, waar ze zich met de familie Von Suttner wisten te verzoenen.

Vredesactiviste

Bertha von Suttner ontpopte zich als een bevlogen en onvermoeibaar vredesactiviste. Ze schreef artikelen, hield lezingen, initieerde vredescongressen en richtte een aantal vredesbewegingen op. Ze maakte zich hard voor vrouwenrechten, gelijke sociale en politieke rechten en meer democratie. Ze was een van de voornaamste pleitbezorgers voor een internationaal Hof van Arbitrage, dat in 1899 tijdens de Eerste Vredesconferentie in Den Haag ook daadwerkelijk werd opgericht. 
Omdat Bertha von Suttner een vrouw was mocht zij overigens niet lijfelijk niet aan die conferentie deelnemen. Ze liet zich echter niet op haar kop zitten en organiseerde gevoeglijk haar eigen bijeenkomst in het Kurhaus, die werd bijgewoond door een schare journalisten, politici en pacifisten. 
Onder haar bewonderaars waren Andrew Carnegie en Alfred Nobel. Bertha von Suttner inspireerde Alfred Nobel de Nobelprijs voor de Vrede in te stellen, die zij op 10 december 1905 zelfs zelf mocht ontvangen. Ze was de eerste vrouw die deze eer te beurt viel. Andrew Carnegie, staalmagnaat en filantroop, schonk het geld voor de bouw van het Vredespaleis, waar het Permanent Hof van Arbitrage en het Internationaal Gerechtshof van de Verenigde Naties zijn ondergebracht. 

In 1902 overleed Arthur na een ziekbed. Bertha bleef strijdbaar, ze bleef artikelen publiceren en woonde in 1904 Internationale Vrouwenconferentie in Berlijn bij en de wereldvredesconferentie in Boston. In Amerika werd ze door president Roosevelt op het Witte Huis ontvangen.

In 1907 bezocht ze de tweede vredesconferentie in Den Haag, waar ze probeerde te wijzen op de gevaren van internationale bewapening en de bemoeienis van de wapenindustrie.

Bertha von Suttner overleed in Wenen op 21 juni 1914, zeventig jaar oud. Op 28 juli dat jaar brak de Eerste Wereldoorlog uit.

“Merkwürdig, wie blind die Menschen sind! Die Folterkammern des finsteren Mittelalters flößen ihnen Abscheu ein; auf ihre Arsenale aber sind sie stolz.”

"When we rape, we feel free"

Aanstaande dinsdag, 10 juni, begint in Londen een internationale bijeenkomst tegen seksueel geweld in conflictgebieden. Deze top, de Global Summit to End Sexual Violence in Conflict, is een initiatief van William Hague (de Britse minister van Buitenlandse Zaken) en Angelina Jolie (speciaal VN-gezant voor vluchtelingen). Onze eigen minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans zal deze bijeenkomst bijwonen.

Al sinds mensenheugenis worden, overal ter wereld, vrouwen, meisjes, mannen en jongens door strijdende partijen belaagd en verkracht. Het is een barbaars middel om hele gemeenschappen te ontwrichten, de levens van slachtoffers te ruïneren en hele bevolkingen angst aan te jagen. Het blijft doorgaans ongestraft.

In de Democratische Republiek Congo bijvoorbeeld, die sinds 1994 geplaagd wordt door etnische onlusten en burgeroorlog, worden elk uur gemiddeld 48 vrouwen verkracht en 12% van de vrouwen is een of meerdere keren verkracht. Naar schatting (2008) is 65% van de slachtoffers jonger dan 18 jaar en 10% zelfs jonger dan tien jaar.

Tijdens de top zal onder meer de documentaire ‘Seeds of Hope’ van Fiona Lloyd-Davies gepresenteerd worden, waarin we kennis maken met Masika Katsuva. Masika werd op 15-jarige leeftijd voor het eerst verkracht, door een leraar. In 2000, ze was inmiddels getrouwd en had twee tienerdochters, drongen militieleden haar huis binnen. Zij verkrachtten Masika en haar dochters, waarna ze haar man vermoordden. Masika raakte zwaargewond, haar dochters beiden zwanger. Masika’s schoonfamilie zette haar buiten de deur.

Masika stichtte een opvang voor lotgenoten, waar ze hen medische, praktische en psychologische hulp probeert te bieden. Ze vangt er slachtoffers en hun kinderen op en probeert slachtoffers met hun echtgenoten en familie te verzoenen. Vrouwen die verkracht werden worden namelijk niet zelden door hun echtgenoten afgewezen en verlaten.

Gezamenlijk verbouwen de vrouwen gewassen en brengen de kinderen groot. Samen proberen ze het leven weer op te pakken en een nieuw bestaan op te bouwen. Dat doet Masika met gevaar voor eigen leven, sinds ze haar goede werk begonnen is heeft ze dat met nog eens drie verkrachtingen moeten bekopen.

Fiona Lloyd-Davies wist ook soldaten voor haar camera te krijgen. Hun ontboezemingen zijn ontluisterend. Zo zegt een van hen:

“It’s true that we raped here. We found women because they can’t escape. You see her, you catch her, you take her away and you have your way with her. Sometimes you kill her. When you finish raping then you kill her child. When we rape, we feel free.”

Tijdens de Global Summit to End Sexual Violence in Conflict zal ook een initiatief van een aantal Nobelprijswinnaressen gelanceerd worden: Survivors United for Action. Minister Timmermans zal daarbij, net als elk van deze Nobelprijswinnaressen, een overlever van seksueel geweld op het podium roepen. Hij zal Hania Moheeb uit Egypte voorstellen.

Meedoen? Take the pledge today!