Van misverstand en onverstand

Op 23 januari 2009 krijgt de politie Utrecht een melding over een man, Cornelis van H. (zeg maar Cees), die zich op het station Driebergen-Zuid voor de trein zou willen werpen. Zijn zus belt de politie met het verhaal dat de man in kwestie depressief zou zijn en eerder heeft aangegeven zichzelf op die wijze van het leven te willen beroven.

Politieman Rob Oostrom reageert op deze melding en treft de man inderdaad op het perron aan. Wanneer Oostrom via de porto ’s mans gegevens verifieert en de man vraagt of hij hulp nodig heeft keert deze zich plotseling in blinde woede tegen de diender. Hij steekt de agent in het gezicht, daarna tweemaal in diens bovenlichaam. Wanneer de zwaargewonde Oostrom op handen en knieën zit en overeind probeert te komen steekt zijn belager hem in zijn nek. Met een vinnig “natuurlijk heb ik hulp nodig” neemt de man vervolgens plaats op een van de bankjes op het perron.

Oostrom brengt het er wonderwel levend vanaf maar raakt door een hoge dwarslaesie vanaf de borst verlamd.

Voor Rob Oostrom, vader van twee kinderen, agent, sportman, is vanaf die dag alles anders. Het duurt een jaar eer hij uit het ziekenhuis en revalidatiecentrum wordt ontslagen en hij raakt gebonden aan een rolstoel, die hij met bewegingen van zijn hoofd besturen kan. De rechtspositionele regelingen bij de politie blijken niet helemaal voldoende om de kosten te dekken die zijn revalidatie met zich meebrengt. Ook zijn aanpassingen nodig aan zijn woning en moet er een aangepaste auto met een rolstoellift komen wil Oostrom zich nog een beetje voort kunnen bewegen.

Er volgt een inzamelingsactie, een sponsorloop, een benefiet voetbalwedstrijd -alles om geld op te halen. Dat is hartverwarmend, maar de noodzaak ertoe is schrijnend.

Die noodlottige dag had Cees ruzie met zijn moeder. Tijdens een onenigheid over een kussengevecht tussen twee andere leden van het gezin had hij een van zijn zussen tot bloedens toe geslagen en moeders gooide hem prompt het huis uit, waarna Cees met een mes op zak richting station toog. Daar botvierde hij zijn agressie op de eerste de beste die hem aansprak, een politieman die hem hulp bieden wilde.

Cees kreeg vijftien jaar gevangenisstraf opgelegd waar er achttien werden geëist. Hij heeft er inmiddels koud anderhalf jaar opzitten.

Cees van H. woont op zo’n vijf kilometer afstand van zijn slachtoffer, hetgeen alle reden zou moeten zijn hem niet uit wandelen te sturen. Toch ging gisteren de telefoon in huize Oostrom. Het gezin is in shock en mevrouw Oostrom staat op haar benen te trillen wanneer ze via de advocaat horen dat Van H. zich vanaf vandaag en tot maandagochtend even vrij man weet. Terecht spreekt Rob Oostrom zijn zorg uit dat beiden elkaar dus zelfs op straat zouden kunnen treffen, zoals vandaag te lezen in de Telegraaf.

Gisteravond al breidde de verontwaardiging over dat voorgenomen verlof zich als een olievlek uit. Ook ik maakte me al boos. Is dit nu werkelijk hoe de Nederlandse maatschappij omgaat met de mensen die zich met gevaar voor eigen lijf en leden voor haar inzetten?

Om nog maar niet te spreken van het op verlof sturen van iemand die zonder enige aanleiding op willekeurige mensen insteekt wanneer het hem een dagje niet meezit? Ik zie ze er bij Justitie best voor aan, zeker na de affaires Saban B., Murat O., Nabil F., Johannes van T. en de verlofganger die in een Udense Hema op een winkelende vrouw instak.

Gelukkig blijkt het in dit geval om een “misverstand” te gaan. De golf van protest en verontwaardiging waarmee op het voorgenomen verlof werd gereageerd is Justitie niet ontgaan en men heeft tot gisteravond laat een spoedoverlegje gevoerd. Inmiddels heeft Justitie laten weten dat Van H. niet mag buitenspelen en al helemaal niet een Pinksterweekend lang. De berichtgeving loopt over het hoe en waarom uiteen; ofwel heeft procureur-generaal Harm Brouwer zich “persoonlijk ingespannen om het verlof tegen te houden” en heeft dat uitje dus inderdaad op stapel gestaan, of er is sprake van een naamsverwisseling en in dat geval is het niet Van H. maar een ander die op verlof mag.

Murat O.

Murat Ordu, van het opgeblazen sportschooltype met stoer ingeschoren haar, maakte deel uit van een bende ongure heerschappen die zich bezig hield met pooier- en loverboypraktijken. Zij dwongen meer dan twintig vrouwen zich te prostitueren in de rosse buurten van verschillende grote steden. Hun manieren deze vrouwen te “overtuigen” varieerden van het hen mentaal afhankelijk maken en misleiding tot bedreigingen en zelfs grof geweld.

Van de zes jaar, die het Openbaar Ministerie tegen hem eiste vanwege het tot prostitutie dwingen van vrouwen, kreeg hij er vier van de rechter opgelegd. Uiteraard had de rechtbank een goed verhaal om te verklaren waarom die straf zo mild uitviel en aangezien de rechtspraak in dit landje openbaar is hebben we weet van haar overwegingen; zo moet aan die straf een maximum verbonden zijn.

Dat klopt, er staat bij de artikelen uit het Wetboek van Strafrecht een maximum straf en zo ook bij artikel 273f, waar loverboypraktijken tegenwoordig onder geschaard worden. Zo te zien ligt dat maximum echter wel iets hoger dan vier jaren, zeker omdat Ordu “in vereniging” moet hebben gewerkt. In een van de vonnissen staat dan ook te lezen; ” Het Wetboek van Strafrecht staat in dit geval een maximale gevangenisstraf van acht jaren toe.” Murats broer Mehmed kreeg vijf jaar en een van hun partners in crime, Youssef O. zes jaar opgelegd.

Ook beweert de rechtbank dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening is gehouden met de duur van de uitbuiting en het aantal slachtoffers. Dat kan ik me slecht voorstellen; Murat Ordu alleen al zou acht vrouwen de prostitutie in gedwongen hebben -acht maal die maximale gevangenistraf zou je dus zeggen, maar zo werkt dat hier te lande helaas niet.

Daar ligt dus een schone taak voor de politiek, me dunkt. Een rechter mag niet meer gevangenisstraf opleggen dan het Wetboek van Strafrecht hem toelaat. Het is echter wel aan onze wetgever ervoor te zorgen dat de in dat wetboek genoemde straffen in hoogte proportioneel zijn aan de gepleegde feiten. Daarmee wil ik absoluut niet pleiten voor ‘oog om oog, tand om tand’ -maar vier jaar gevangenisstraf is weinig rechtvaardig tegenover het schrikbewind dat deze man over zijn slachtoffers voerde. Die gestelde strafmaat behoeft zeker heroverweging.

Ordu ging weliswaar in hoger beroep, dat zal dienen op 16 juli aanstaande, maar vooralsnog konden zijn slachtoffers min of meer opgelucht ademhalen want hun kwelgeest zat in elk geval voorlopig vast.

Zát inderdaad, verleden tijd. In haar oneindige wijsheid heeft het Amsterdamse gerechtshof besloten dat de straf van Ordu onderbroken dient te worden opdat hij de geboorte van zijn kind mee kan maken. Dat, of zijn zieke moeder te bezoeken want de lezingen verschillen vooralsnog. “Persoonlijke omstandigheden” in elk geval, zoals men dat placht te noemen. De man loopt nu dus vrij rond en dat zal zo blijven totdat zijn hoger beroep dient.

De hamvraag is wat mij betreft deze; verbeurt iemand, die in zo’n mate strafbare delicten pleegde dat hij een vrijheidstraf verdiende, niet automatisch het recht op het bezoeken van pasgeborenen, zieke familieleden, begrafenissen, huwelijken en al wat dies meer zij? Wie zich willens en wetens aan misdrijven waagt weet ook dat het risico dat daar aan kleeft is dat hij een x aantal maanden of jaren niet meer buiten mag. Dat daargelaten mag Ordu’s “vaderschapsverlof” respectievelijk “ziekenbezoek” dus ruimschoots meer dan twee maanden duren -iets waar in het eerste geval menig nieuwbakken pappa buiten de gevangenismuren alleen maar van dromen kan.

Dan is er natuurlijk ook de kwestie van enig vluchtgevaar. Plaatsvervangend hoofdadvocaat-generaal Charles Wiegnant heeft laten weten dat er “geen concrete aanwijzingen zijn dat Murat O. tijdens zijn verlof naar het buitenland zal vluchten”. Dat klinkt heel aardig, maar ik vrees wel dat men Ordu net als destijds Saban B. op zijn reebruine ogen geloven wil. Een kwalijke gewoonte die ook binnen het tbs-circuit opgeld doet.

Ook die Saban B. kreeg verlof om zijn kind te zien en hij nam uiteraard meteen de kuierlatten naar Turkije. Een goed uitgekozen bestemming, want Turkije levert haar onderdanen niet uit. De beslissing Saban B. een onbegeleid (!) verlof toe te staan was slecht overwogen; niet alleen verzuimde het OM het gerechtshof expliciet op de mate van vluchtgevaarlijkheid te wijzen, ook vergat dat gerechtshof zijn status van ongewenst vreemdeling in aanmerking te nemen. Iemand met een dergelijke status komt in principe al niet in aanmerking voor een verlof en daarmee had de kous dus af moeten zijn.

Nochtans zou Dick van Dijk, president van het hof, later tijdens een interview met het NRC beweren dat het hof die beslissing “op goede gronden en weloverwogen” genomen had.

Ordu’s slachtoffers zijn uiteraard niet gekend in deze kwestie, sterker nog, naar verluid zijn ze niet eens ingelicht over het feit dat hij in ieder geval tot half juli vrij man is. Twee van hen sloeg de angst in zo’n mate om het hart dat zij een advocaat in de arm genomen hebben en bezwaar maakten tegen Ordu’s vrijlating. Beide vrouwen vrezen een dezer dagen een wraakzuchtige Ordu tegenover zich te vinden en zijn van ellende ondergedoken. Het belang van deze vrouwen had veel zwaarder moeten wegen, als het überhaupt al is meegewogen, in de afweging Ordu al dan niet verlof toe te kennen.

Slachtoffers komen er vaak maar bekaaid vanaf, in onze rechtstaat. Wanneer ik dit soort verhalen hoor en die van de gegevens van slachtoffers die via advocaten zondermeer bij verdachten kunnen belanden (om nog maar niet te spreken van de overvloedige wirwar van regels die de opsporingsbevoegdheid van de politie beknotten) vraag ik me soms af aan welke kant Justitie nu eindelijk staat.