Een scheet in een jampot

O boofuckinghoo, Nederland. Er wil een volslagen onbekende niet meedoen met de Dodenherdenking op 4 mei. We hebben het van de week toch uitgebreid gehad over de vrijheid van meningsuiting? Nou, daar is hij dan.

Ik heb altijd uit respect meegedaan aan de Dodenherdenking op 4 mei. Dit jaar heb ik besloten om er niet meer aan mee te doen. Ik vind dat de Dodenherdenking zijn waarde heeft verloren door de hypocrisie van de samenleving. Voor mij heeft 4 mei geen zin wanneer we het opkomende fascisme en moslimhaat in Nederland gewoon zijn gang laten gaan. Daarnaast vind ik dat de geschiedenis van mijn voorouders ook herdacht moet worden. Ik wil niet meedraaien in een eurocentrische samenleving waar witte geschiedenis belangrijker is dan de niet-witte geschiedenis, waar Nederland een zeer belangrijke rol in heeft gespeeld.

Ik kan niet met een stalen gezicht de slachtoffers van fascisme herdenken wanneer wij elke maand nazi’s laten rond marcheren in de Nederlandse steden onder het mom van vrijheid van meningsuiting. Hoe kunnen wij het ermee eens zijn dat dit vreselijke verleden nooit meer mag gebeuren terwijl wij ondertussen bommen op Syrië gooien? Ik doe niet meer mee aan Dodenherdenking. Ik denk dat het een veel mooier signaal is als wij een betere toekomst kunnen achterlaten voor de jongere generatie door het hedendaags fascisme te bestrijden en door te dekoloniseren. Juist omdat wij moeten leren van het verleden en niet moeten vergeten. 

Christa Noëlla

Begrijp me niet verkeerd hoor, ik vind er op mijn beurt het mijne van. Abject? Jazeker. Respectloos? Ook. Ongepast – en een beetje dom, om de gevleugelde woorden van koningin Máxima nog maar eens te lenen. Het is zo banaal als een scheet in een jampotje. Maar dat mág.

Op 4 mei herdenken we de Nederlandse slachtoffers, dus zowel burgers als militairen, die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vielen, ongeacht of ze binnen of buiten de landsgrenzen stierven. In oorlogssituaties en bij vredesoperaties. Want op 5 mei vieren we onze vrijheid en die hebben we aan hen te danken.

Ieder jaar is er wel iemand die over die herdenking zeurt en zich daarmee zijn 15 minutes of fame op de hals haalt en een keertje mag aanschuiven bij Pauw of Van Nieuwkerk.

Het ene jaar is de groep mensen, die herdacht wordt, te groot – en nu is hij weer te klein. Ik kon me eerder al werkelijk niet druk maken om een blogbericht van GeenStijl, dat om een minuut over acht op de bekende en beruchte roze webstek verscheen. Over de leden van het platform Bewust Moslim die tijdens de Nationale Dodenherdenking liever rouwen om de stichting van Israël heb ik mijn schouders opgehaald. Ook lieden van overdreven christelijke huize die niet op zondag herdenken willen maakten me de pis niet lauw. In datzelfde rijtje schaar ik mevrouw Noëlla.

Je kunt ze betichten van slechte smaak, provocatieve egotripperij of wanstaltig zelotisme, maar dat staat hen vrij, ze gaan hun goddelijke gang maar.

Anders wordt het natuurlijk wanneer zulke lieden andere mensen lastigvallen en zoveel vrijheid nemen dat die van die anderen in de knel komt. Wanneer ze veteranen de gelegenheid ontzeggen wél op zondag te herdenken. Wanneer ze een Hitlergroet brengen aan een stoet mensen die juist op weg is naar de Dodenherdenking of claxonneren tijdens die twee minuten stilte. Of een potje voetballen met bloemenkransen. Maar als de mensen van #geen4meivoormij thuis willen blijven? Lijkt me geen probleem.

En weet u? Mensen die geen respect op kunnen brengen voor die nationale dodenherdenking, die ik heb ik er ook gewoon veel liever niet bij. Laat ze lekker thuisblijven. Herdenken is wat ik ervan maak, namelijk. Dat laat ik niet overschaduwen door een scheet in een jampot. Ik zou het niet in mijn hoofd halen om, in de denktrant van Noëlla, op te roepen de herdenking van de slavernij te boycotten omdat er ook witte slaven verhandeld werden en de slavernij ook in onze moderne tijd nog welig tiert. Maar soit, ieder het zijne.

Ik zal wel herdenken en ik hoop met mij vele anderen. Dat herdenken is belangrijk, zeker in een tijd waarin een politicus ongegeneerd spreekt over “minder, minder, minder Marokkanen” en een jonge rapper onbeschroomd zingt over flikkers die hij geen handje wil geven en “die fokking Joden” die hij meer haat dan de nazi’s.

Juist wie zich zorgen maakt over een gepolariseerde maatschappij en opkomend fascisme doet er goed aan de kernboodschap van de Nationale Herdenking te omarmen:


“Dit nooit weer”.  

Oorlog en vrede

“Mensen zijn niet geschapen voor oorlog. Mensen zijn geschapen voor vrede.”

Mooie woorden van de Rotterdamse burgervader vandaag, tijdens de herdenking bij het Nationaal Koopvaardijmonument De Boeg. Het is een van de mooiste monumenten in de stad, vind ik. De bijna vijftig meter hoge boeg die golven van gewapend beton doorklieft, met aan haar voet een bronzen beeldengroep. Een roerganger, drie zeelieden en een verdronkene, die verstild met een kabel aan elkaar en aan de boeg zijn verbonden. De kolossale scheepssteven is een monument ter nagedachtenis aan de ruim 3.500 burgerslachtoffers die tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlog het leven verloren op zee, bij de ondergang van honderden Nederlandse koopvaardijschepen.

Burgemeester Aboutaleb verwees tijdens zijn toespraak naar de tentoonstelling in de Kunsthal, waar op het moment honderd bijzondere voorwerpen uit de Tweede Wereldoorlog te bekijken zijn. Een van die voorwerpen is een kogelvrij vest, gedragen door Roeland Jan Kroesen. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was hij een van de opvarenden van de Koopvaardijvloot en daar moest hij, bij Koninklijk Besluit, bij in dienst blijven. Die vaarplicht trof 12.000 opvarenden en zou pas in 1946 weer opgeheven worden. Op 25 april 1941 werd ss Pennland van de Holland-Amerika Lijn bij Kreta gebombardeerd en de oceaanstomer verging. Roeland Jan Kroesen was een van haar opvarenden, hij overleefde.

“Wie het gunner’s vest in de Kunsthal bekijkt, beseft hoe weinig veiligheid een kogelvrij vest kan bieden tegen de overmacht van onderzeeërs en jachtbommenwerpers. Er kan maar één conclusie zijn: mensen zijn niet geschapen voor oorlog. Want dat is de les die we kunnen trekken uit alle ellende en bruutheid van de Tweede Wereldoorlog.”


Tegen oorlogsgeweld zijn we inderdaad slecht bestand. Of dat betekent dat de mens niet voor oorlog maar voor vrede “geschapen” is, dat is dan weer een tweede. Aan de andere kant immers, die onderzeeërs en jachtbommenwerpers zijn wel van menselijke makelij. Het zijn mensen die zulk oorlogstuig verzinnen, fabriceren, verhandelen en gebruiken. Het zijn mensen die het gewapend conflict met elkaar opzoeken. De menselijke geschiedenis staat bol van oorlog, terreur en geweld. Oorlogszucht lijkt toch in onze menselijke natuur te zijn ingebakken, zo bezien.

Als we de omstreden demograaf en hoogleraar sociaalpedagogiek Gunnar Heinsohn mogen geloven is er zelfs een demografische oorzaak voor oorlog aan te wijzen. Dat legde hij jaren geleden uit in een boek, ‘Zonen grijpen de wereldmacht’.  Een bevolkingsexplosie die samengaat met een oververtegenwoordiging van jonge mannen (een ‘youth bulge’) blijkt, zeker wanneer die angry young men weinig goede vooruitzichten hebben, een beproefd recept voor gewelddadige conflicten.

Dat stemt somber, nietwaar? Toch gloort er hoop aan de horizon. Wie de moeite neemt de enorme pil ‘The Better Angels of Our Nature’ van Steven Pinker van kaft tot kaft te lezen komt daarmee tot de ontdekking dat de mens nu vreedzamer is dan hij ooit geweest is. Naarmate de geschiedenis vordert is de mens zich allengs minder gewelddadig gaan gedragen. Steven Pinker, hoogleraar psychologie te Harvard, verwijst met de titel naar een uitspraak van Abraham Lincoln over menselijke vermogens als empathie, moraal en rede.

Deze vermogens (die “better angels”) hebben in de loop van onze geschiedenis steeds meer vat op onze “innerlijke demonen”, zoals  prooigedrag, dominantie, wraak, sadisme en totalitaire ideologieën gekregen. Daardoor wordt er steeds minder oorlog gevoerd en dalen de moordcijfers. Die afname past, volgens meneer Pinker, in het beschavingsproces waarin de mens leert zijn driften te beheersen.

Hij wijst factoren aan die een dempend effect hebben op menselijk geweld; de humanitaire revolutie, een staatsmonopolie op geweld, de handel die ervoor zorgt dat vrede loont en het inruilen van eergevoel tegen persoonlijke waardigheid. Onze groeiende aversie tegen agressie uit zich in ‘rechtenrevoluties’; mensenrechten, burgerrechten, vrouwenrechten, kinderrechten, homorechten en zelfs dierenrechten.

In een ander boek, ‘The End of War’ van John Horgan, is verdere geruststelling te vinden: Biologisch gezien is de mens net zo goed geprogrammeerd voor een vreedzaam als voor een gewelddadig bestaan. Oorlog is niet onvermijdelijk en het is geen intrinsiek onderdeel van de menselijke natuur, maar een cultureel fenomeen en een keuze. John Horgan meent dat oorlog af te schaffen is, net zoals dat met slavernij gebeurd is.

Vandaag herdenken we álle slachtoffers, zowel burgers als militairen, die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vielen, ongeacht of ze binnen of buiten de landsgrenzen stierven. In oorlogssituaties en bij vredesoperaties. Allemaal slachtoffers van menselijk geweld. Slachtoffers van mensen die ervoor kozen anderen geweld aan te doen. Joden, Roma, Sinti, etnische Polen, Slaven en Sovjets, homoseksuelen, fysiek en mentaal gehandicapten, politieke tegenstanders, vakbondsleden, Spaanse republikeinen, sociaaldemocraten, communisten en socialisten, esperantisten. vrijmetselaars, Jehova’s getuigen, Vrije Bijbelonderzoekers, priesters en “asociale elementen” zoals woonwagenbewoners, kermisgasten  en werkweigeraars.

Dat herdenken is belangrijk, zeker in een tijd waarin een politicus ongegeneerd spreekt over “minder, minder, minder Marokkanen” en een jonge rapper onbeschroomd zingt over flikkers die hij geen handje wil geven en “die fokking Joden” die hij meer haat dan de nazi’s.

Je zou om minder even stil vallen.

Nationaal Herdenken

Mei is aangebroken, het zonnetje schijnt, en met de inhuldiging van koning Willem-Alexander nog in de benen wordt er alvast vooruit geblikt naar 4 en 5 mei.

Ieder jaar gaan onze gedachten eerst uit naar de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, de mensen die werden vermoord, omkwamen, en daarna herdenken we ook anderen, Nederlanders die zijn omgekomen in oorlogssituaties en bij vredesoperaties ná de Tweede Wereldoorlog. Dat laatste doen we al sinds 1961.

Toch is daar “opeens” meneer Hans Vuijsje, die ons in de Volkskrant namens de Joodse gemeenschap wil laten weten dat deze zich door die ruimere interpretatie van herdenken diep gekwetst voelt.

“Diep gekwetst is ze door de verbreding van de Nationale Herdenking. Die herdenking krijgt steeds meer een algemeen karakter. Het zijn niet alleen de gevallen verzetsstrijders, de vermoorde Sinti en Roma, de uitgeroeide Joodse gemeenschap en de gevallenen in Nederlands-Indië die herdacht worden, maar ook soldaten die omkwamen na de jaren 1940-’45.”
 

Definitie Nationale Herdenking

Sterker nog, volgens de twee definities van de Nationale Herdenking (een van de overheid en een van het Nationaal Comité 4 en 5 mei) herdenken we álle slachtoffers, dus zowel burgers als militairen, die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vielen, ongeacht of ze binnen of buiten de landsgrenzen stierven. In oorlogssituaties en bij vredesoperaties.

Het verschil tussen beide is dat die van de overheid zich beperkt tot Nederlandse slachtoffers.

Dat is inderdaad ruim. Volgens de geldende definities zouden we gedode collaborateurs en, in het geval van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, zelfs nazi’s mogen en kunnen herdenken. Oei, dat ligt al te gevoelig, me dunkt. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt die lieden te herdenken, dat doe je niet met daders.

De slachtoffers 

Wanneer ik eens bij mezelf te rade ga, dan denk ik in de twee minuten stilte zeker aan al die Joodse mensen die werden vermoord, gewoon omdat ze Joods waren. Aan Anne Frank en Etty Hillesum, wier dagboeken in mijn boekenkast staan. Ook aan de Roma en de Sinti inderdaad. De nazi’s vonden de Joden untermenschen, maar op zigeuners hadden ze het ook niet.

Ik probeer ook aan al die anderen te denken; Etnische Polen, Slaven en Sovjets. Homoseksuelen, fysiek en mentaal gehandicapten, ook die werden allemaal met hetzelfde gemak om het leven gebracht. Staatsgevaarlijke lieden en politieke tegenstanders, vakbondsleden, Spaanse republikeinen, sociaaldemocraten, communisten en socialisten. Esperantisten. Vrijmetselaars, Jehova’s getuigen, Vrije Bijbelonderzoekers, priesters. “Asociale elementen” zoals woonwagenbewoners, kermisgasten  en werkweigeraars…

De lijst is schier eindeloos. Ik vergeet er ongetwijfeld ieder jaar wel een paar, net als meneer Vuijsje vandaag – al maakt hij het wel erg bont. Daarna sta ik ook nog even stil bij latere slachtoffers.

De stilte ontroert me overigens ieder jaar weer. Het verkeer en het openbaar vervoer, daar waar het kan zelfs de hulpdiensten, alles komt even tot stilstand. Dat vind ik bijzonder in onze maatschappij van hollen en rennen, met onze 24-uurseconomie en onze alomtegenwoordige luidruchtige aanwezigheid.

Razzia Rotterdam

Drie jaar geleden werden (tijdens de herdenking in Rotterdam) voor het eerst de ruim vijftigduizend mannen genoemd, die tijdens een grote razzia door de Duitsers werden weggevoerd om te werk gesteld te worden in Duitsland. Na het bombardement op Rotterdam durfden maar weinigen zich tegen de nazi’s te verzetten. Rotterdammers wisten immers al als geen ander waartoe de vijand in staat was. Toch is deze mannen jarenlang verweten dat ze zich “vrijwillig” en “als makke schapen” zouden hebben laten afvoeren. Wat herdacht worden betreft kwamen ze er door de jaren heen dan ook bekaaid vanaf.

Ik was en ben burgemeester Aboutaleb juist dankbaar dat hij ook hen eindelijk hun rechtmatige plaats in onze herdenking durfde te geven.

Herdenken beperkt zich voor mij ook niet tot de doden. Ik denk altijd nog even aan mijn grootouders, die allen de oorlog overleefden. Mijn opa, die met zijn accordeon op zijn rug ontsnapte uit Kamp Amersfoort. De generatie die de oorlog doormaakte, de overlevenden, de mensen die Nederland uit de puinhopen opnieuw opbouwden.

Mijn oma, die het bombardement meemaakte en gedwongen werd, samen met andere passanten, naar de fusillade op de Beneden-Oostzeedijk te kijken. Haar beschrijving van het boertje, dat daar ondermeer werd doodgeschoten, is me altijd bij gebleven. Ze heeft hem zien liggen, met zijn klompen aan en een mandje eieren aan de arm. Hij was niet bij het verzet, was geen Jood of zigeuner maar stierf evengoed. 

Toen de oorlog in Irak uitbrak herleefde mijn oma het bombardement. Handenwringend zat ze voor de televisie te huilen. Is dat niet ook het herdenken waard? Of moet leed fysiek, zelfs fataal zijn, wil je het mogen herdenken?

Persoonlijke beleving

Herdenken mag dan natuurlijk ook best een beetje persoonlijk zijn. Ook al staan we met zijn allen stil, ieder beleeft die twee minuten stilte op zijn eigen manier. Die strijd over wie er wel en niet herdacht mogen worden vind ik dan ook uitermate storend – niet te zeggen aanmatigend.

Goed, dat het (willen) herdenken van collaborateurs en nazi’s gevoelig ligt en dat daar geen animo voor is, dat mensen het zelfs als pijnlijk kwetsend ervaren, dat begrijp ik. Met die gevoeligheden moet ook rekening gehouden worden.

Daarnaast echter, is het een Nationale Herdenkingsdag. Slachtoffers van de Politionele Acties in Nederlands-Indië, mensen die sneuvelden tijdens latere vredesmissies – ook dat zijn onze nationale doden. Onder de mensen die herdenken zijn almaar minder mensen die zelf de Tweede Wereldoorlog nog meemaakten en we herdenken juist opdat ook de generaties na hen weten; “Dit nooit weer”. 

Die les willen we doorgeven. Actueel houden. Misschien is het dan ook niet verwonderlijk dat die les van toen gespiegeld wordt op recentere gebeurtenissen. Misschien is dat zelfs wel noodzakelijk, want hoe langer geleden, des te abstracter wordt zo’n gebeurtenis in ons gezamenlijk geheugen. Misschien is juist wel het belangrijkste onderdeel van die les dat, wat er toen gebeurde, opnieuw gebeuren kan. 

Iedereen kan die volgende keer slachtoffer zijn. Iedereen kan die volgende keer dader zijn. Het is aan ons allemaal om dat niet te laten gebeuren.
 

Kwalijk

Meneer Vuijsje meent dat het “algemene karakter” van de Nationale Herdenking kwetsend is voor Joodse Nederlanders. Hij schetst een beeld van een gemeenschap die “het gevoel heeft dat antisemitisme in de Nederlandse samenleving toeneemt, zich kwetsbaar voelt en – vooral – het gevoel heeft ‘er alleen voor te staan’.”

Dat sentiment stemt me treurig, maar ik vind het ook wat tegenstrijdig.

Het veranderende karakter van die Nationale Herdenking is onontkomelijk, de geschiedenis staat niet met de Tweede Wereldoorlog stil. Het sluit de Joodse gemeenschap ook zeker niet uit, er blijft aandacht voor de Holocaust en alle slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. De Joodse gemeenschap kan en mag verkiezen stil te blijven staan in de voortkabbelende beek van onze nationale geschiedenis, maar dat doet het water niet stilstaan.

Meneer Vuijsje gaat verder en koppelt groeiend antisemitisme, een verruwende maatschappij, een kritischer houding ten op zichte van jongensbesnijdenis en het onbedwelmd slachten (fundamentalistisch-atheïsme noemt meneer dat) aan dat veranderende karakter van de Nationale Herdenking – dat is geen fair play.

Antisemitisme moet bestreden worden, net als elk ander xenofobisch gedachtengoed, maar dat redden we niet met die ene dag herdenken alleen. Die verruwende maatschappij raakt ons allen en niet louter meneer Vuijsje, en ook dat staat los van de Nationale Herdenking.

Kritiek op jongensbesnijdenis en het onbedwelmd slachten zal meneer Vuijsje moeten leren velen, wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn gemeenschap gebeurd is kan geen makkelijk middel zijn om hedendaagse kritische monden te snoeren. Dat is misbruik maken van de geschiedenis, vind ik.

Aanstaande zaterdag zal ik in die korte twee minuten weer proberen állen te herdenken. Misschien, heel misschien, steel ik nog een seconde om te denken aan de jongste jongens die niet vrijwillig in het leger van de Duitse bezetter dienden. Meteen zal ik denken aan Etty Hillesum, in al haar wijsheid;

“En al zou er nog maar één fatsoenlijke Duitser bestaan, dan zou die het waard zijn in bescherming genomen te worden tegen de hele barbaarse bende en om die éne fatsoenlijke Duitser zou men dan niet zijn haat mogen uitgieten over een geheel volk.”
 

Beschroomd zal ik daarna huiswaarts keren.

Anne’s paardenkastanje

In de tijd dat Anne Frank in het Achterhuis verbleef, van 6 juli 1942 tot 4 augustus 1944, was het enige stukje groen dat ze zien kon de top van de witte paardenkastanje, die in de tuin van de Keizersgracht 88 stond.

Stond inderdaad, want de grote boom heeft na jaren zieltogen dan eindelijk de geest gegeven. Stevige windstoten werden hem vandaag fataal en wat rest is dertig ton dood hout. Nog geen half uur nadat de boom omviel werd al een stuk hout op veilingsite Marktplaats aangeboden. Dat is wat zuur; de een zijn dood is nog altijd de ander zijn brood.

Anne, die onbevangen dertienjarige met haar hang naar vrijheid, lucht en de natuur, schrijft op 23 februari 1944 hoe het heerlijke weer buiten haar opkikkert. Bijna elke ochtend, zo schrijft ze, gaat ze naar de zolder van het Achterhuis om “de bedompte kamerlucht uit mijn longen te laten waaien”. Die ochtend treft ze er Peter, die naast haar komt staan terwijl ze zich op haar favoriete plekje heeft genesteld.

“Wij keken alle twee naar de blauwe hemel, de kale kastanjeboom aan wiens takken kleine druppeltjes schitterden, naar de meeuwen en de andere vogels die in hun scheervlucht wel van zilver leken. Dat alles ontroerde en pakte ons alle twee zo, dat we niet meer konden spreken”.

Van de drie keer dat Anne de kastanje beschrijft is dat twee maal in relatie tot haar ontluikende liefde voor Peter, wellicht verklaart dat waarom die oude kastanje de wereld zo lief was. De tweede keer is op 18 april in hetzelfde jaar, na een intiem gesprek met Peter. De jongverliefden wisselen een onhandige kus uit, “zo’n beetje naast de mond”. Anne verzucht “Het is werkelijk een fijn gevoel!” en vervolgt; “Wij hebben na ons kwakkel wintertje weer een prachtig voorjaar. April is inderdaad schitterend, niet te warm en niet te koud met zo nu en dan een regenbuitje. Onze kastanje is al tamelijk groen, hier en daar zie je zelfs al kleine kaarsjes.”

De laatste keer dat Anne naar de kastanjeboom verwijst is op zaterdag 13 mei 1944, een dag na haar vaders verjaardag. De boom staat dan in volle bloei. Nog geen drie maanden later zouden de onderduikers verraden en gearresteerd worden. Wie dat verraad op zijn geweten had is tot op de dag van vandaag onbekend gebleven.

Van de grote witte paardenkastanje, die stille getuige was van alles dat daar op de Prinsengracht plaatsvond, zijn in de loop van de jaren meerdere loten genomen. Hopelijk plaatsen ze er een daarvan terug op de plek van de oude kastanje, bij wijze van voortzetting van het levend monument dat hij was.

De Schreeuw

Klokslag acht uur zat ik, samen met vier miljoen anderen, voor de televisie voor de Dodenherdenking op de Dam. Aan het eind van de tweede minuut slaakt een man een langgerekte gil. Geïrriteerd vraag ik me af of dan werkelijk níets nog heilig is, wat een kinderachtige streek… Maar dan haakt halverwege die kreet een andere stem in, meisjesachtig dit keer, en dan volgen er meer.

Er klinken luide knallen wanneer de dranghekken omvallen en dan begint de menigte te rennen, al die mensen bewegen als een, weg van de Rokinzijde.

“O, Jezus… het zal toch niet echt… ?”

De koningin en haar gevolg worden meteen in veiligheid gebracht. Mensen vallen, buitelen over elkaar en de dranghekken heen, raken in de verdrukking, lopen elkaar onder de voet. Tussen de chaos door laverend rijdt een zwarte auto met geblindeerde ruiten het plein op. Er loopt een een aantal agenten naast, een van hen heeft zijn in het wit gehandschoende hand zelfs op zijn wapen liggen. Ze kijken om zich heen, zoekend naar de bedreiging die al die mensen op de loop deed gaan. Ik doe hetzelfde, maar de cameraman lijkt niet erg mee te willen werken.

Na die eerste spurt komt de menigte min of meer tot stilstand, na de blinde paniek volgt ontreddering. Er wordt ingezoomd op een moeder, met een kind op haar nek, terwijl ze een tweede kind tegen haar borst trekt en het stevig vasthoudt. Een agent draagt een meisje in zijn armen weg. Pakkende beelden, dat moet ik ‘m nageven.

Dan grijpt de ceremoniemeester de microfoon. Rustig meldt hij dat er “iemand onwel geworden is” en dat die persoon inmiddels verzorgd wordt. Hij vraagt het publiek de plaatsen weer in te nemen, want “we gaan zo door met de ceremonie”. Het werkt, de mensenmassa kalmeert.

Koningin Beatrix maakt haar rentree. Ze neemt het voortouw, loopt vooraan het gezelschap terug de Dam op. Er klinkt schoorvoetend applaus. Terwijl het Wilhelmus wordt aangekondigd staat kroonprins Willem-Alexander achter zijn moeder en pakt haar eventjes stevig bij haar schouders vast. De koningin is vol in beeld wanneer de eerste maten van ons volkslied ingezet worden en ze zingt de woorden mee, maar als ze een ogenblik haar ogen dichtknijpt besef ik me dat ze daar in weerwil van haar angst staat. De gebeurtenissen van Koninginnedag vorig jaar zullen haar op dat moment ongetwijfeld op het netvlies hebben gestaan.

Ik vind haar ongemeen dapper. Een sterke, moedige vrouw.

Het Wilhelmus wordt gezongen, de kransen worden gelegd, tijdens de speech van Balkenende zijn in de verte sirenes te horen en er worden nog altijd gewonden verzorgd. Een jongetje met een lichte hoofdwond krijgt een pleister opgeplakt. Uiteindelijk zal blijken dat alles bij elkaar drieënzestig mensen gewond raakten, gelukkig de meesten daarvan slechts lichtgewond. Een aantal mensen loopt botbreuken op, waarschijnlijk door de valpartijen over de dranghekken.

Dan verandert het verhaal; er werd niet zo zeer iemand onwel maar dit moet een opzettelijke verstoring van de Dodenherdenking geweest zijn. Demissionair premier Balkenende komt opnieuw in beeld en spreekt van iemand die “herrie zat te maken” en iets met een koffer. Er moeten twee aanhoudingen zijn verricht. Ik blijf aan de buis gekluisterd zitten, het kan niet anders of er volgt nog wel meer info, misschien ook nog wel en persconferentie.

Die persco komt er ook. Het loopt dan tegen de klok van elf. Hoofdcommissaris Welten, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van Straelen en plaatsvervangend burgemeester Asscher bieden gedrieën de journalisten het hoofd.

De man die tijdens de tweede minuut stilte zo begon te gillen is aangehouden. Het gaat om een man van negenendertig jaar oud, blank, een in Nederland geboren Amsterdammer. Hij droeg een hoed en een lange zwarte jas, een baard en lange bakkebaarden, hij was volgens getuigen uitgedost als een orthodoxe jood. Hij is een bekende van de politie, kwam meermaals met hen in aanraking vanwege bezit van en handel in drugs, diefstallen en geweldplegingen. Bovenal is hij verward, niet te zeggen gestoord.

Dat van die onwelle persoon die behandeling behoeft klopt dus uiteindelijk als een bus.

Tijdens de herdenking begon hij te zachtjes en onverstaanbaar prevelen, om het dan plotseling op een gillen te zetten. Om hem heen brak paniek uit. Een man met een koffertje laat vervolgens van schrik dat vermaledijde koffertje vallen, iemand anders ziet dat, schrikt op zijn beurt en begint iets te roepen over een bom en dan is de chaos compleet.

Hoe banaal eigenlijk. De aanstichter van dit alles, de lont in het kruitvat van latente angst die klaarblijkelijk nog zo zeer onder ons heerst, is een ladderzatte doorgedraaide junk. Stom zeg, ik ken het type. Ik woon al bijna tien jaar in het Centrum van Rotterdam en ook hier lopen er van dat slag meer buiten dan er binnen zitten. De geestelijke gezondheidszorg is in dit land toch een beetje een achtergebleven gebied en het is sinds een paar jaar zo goed als onmogelijk in deze mate getroebleerde mensen gedwongen op te nemen, vandaar. Normaal gezien kijken we hier dan ook niet meer op of om als er weer een het op een schreeuwen zet tijdens een slechte trip of voor zich uit lallend over het Lijnbaanplein stiefelt.

Een journaliste, waarschijnlijk een tikje teleurgesteld (weer geen Al-Qaida, daar gaat je scoop) meent de voor haar gezeten driehoek het vuur nog even aan de schenen te moeten leggen. Moeten er volgend jaar geen detectiepoortjes op de Dam geplaatst worden? En dan die man met zijn koffertje, hoe kan het hij met zijn koffertje tussen het publiek heeft kunnen geraken?

Terecht wijst Welten erop dat “as verbrande turf is” en er behalve dat koffertje vol kantoorartikelen nog veel meer potentiële “enge” zaken door een mensenmenigte worden meegevoerd. De lijst is schier oneindig; fietsen met bijbehorende fietstassen, kinderwagens, luiertassen, rugzakken, cameratassen, noem maar op. Ik mag toch hopen dat het niet zo ver komt dat alles te verbieden.

De journaliste bijt zich vast in de kofferkwestie. Het verbeten “Want er had natuurlijk iets anders in die koffer kunnen zitten, hè?” dat ze de driehoek nog toebijt bij wijze van nabrander klinkt welhaast hysterisch.

De zaken liggen echter pijnlijk veel simpeler dan dat. We hebben ons met z’n allen uiteindelijk de stuipen op het lijf laten jagen door een gillende psychoot in slechtgekozen carnavalskostuum, die er een gewoonte van zou maken op “ludieke manieren” aandacht te vragen en er genoegen in moet scheppen mensen te shockeren. Ik weet ‘t, ik voel me ook een klein beetje dwaas.

Angst, zo blijkt maar weer, is een slechte raadgever.