Terug in de kast

BNR sprak (audio) gisteren Gerard Dielissen, algemeen directeur van NOC-NSF, over homodiscriminatie en de wetgeving tegen “homopropaganda” in Rusland.

Rusland heeft het IOC beloofd homoseksuele spelers niet te discrimineren. Of die belofte wat waard is zal moeten blijken. Het IOC berichtte eerder al dat ze vanuit het hoogst regeringsniveau de garantie had gekregen dat die wet niet zou gelden voor allen die aan de Spelen deelnemen, een belofte die daags erna al getorpedeerd werd door Vitali Moetko, de Russische minister voor sport.

“Niemand verbiedt atleten met een afwijkende seksuele voorkeur naar Sotsji te komen, maar wanneer ze dit op straat uiten, dan moeten ze zich gewoon verantwoorden.” 

Homoseksuele spelers mogen gewoon mee doen en geen homoseksuele sporter heeft zich nog bij de olympische club gemeld om zijn of haar zorgen daar neer te leggen. Partners van homoseksuele winnaars zullen die gewoon mogen zoenen ter felicitatie, aldus meneer Dielissen.

“Natuurlijk zijn ze maatschappelijk geëngageerd uiteraard en natuurlijk zullen ze voorlichten, geen enkel probleem, maar dit is niet top-of-mind bij topsporters. Die zijn echt bezig met kwalificaties om naar de Spelen te kunnen.”

Dus kan het hele thema terug in de kast.

Sporters zijn volgens meneer Dielissen wel sociaal geëngageerd hoor en ze zullen voorlichten, maar houden zich hier gewoon niet mee bezig. Sporters, die zijn alleen op de kwalificaties gericht.

Dat Rusland voorlichting over homoseksualiteit als homopropaganda ziet, dat zou dan nog weleens een interessant spanningsveld op kunnen leveren.

Meneer Dielissen is er ook heilig van overtuigd dat een kleinigheid als het lakken van vingernagels in regenboogkleuren geen enkel probleem zal zijn.

“Het gaat echt om het actief propageren van andere seksuele oriëntaties, met name voor minderjarigen. Daar valt het kleuren van je nagels niet onder, daar heb ik geen enkele zorgen over, dat dat niet zou kunnen.”


De Zweedse hoogspringster Emma Green-Tregaro deed dat bij wijze van statement tijdens het IAAF WK atletiek in Moskou. Dat kwam haar op een bijzonder verontwaardigde reactie van de Russische wereldkampioene polsstokhoogspringen Elena Isinbajeva te staan, die vond dat alle atleten de anti-homoregels in Rusland moeten respecteren. 

In Rusland, aldus mevrouw Isinbajeva, leven mannen gewoon met vrouwen en vrouwen met mannen, want dat is historisch zo bepaald.

Zeg maar van dezelfde orde als de bekrompen René van der Gijp met zijn “Er zijn gewoon weinig homofiele voetballers.” Soit, ons voetbalintellect beperkte zich dan nog tot de voetbalwereld. Echte homo’s bestaan daarbuiten wel, aldus meneer Van der Gijp, maar die voetballen niet, want die gaan ’s zaterdags natuurlijk in een leuk kapperszaakje werken.

Goed, de Russen hebben dus hun eigen wetten en mevrouw Isinbajeva verwacht dat de olympische gasten die respecteren. Saillant detail daarbij is dan wel dat mevrouw Isinbajeva tijdens de Olympische Spelen in Sotsji burgemeester van het olympisch dorp zal zijn.

Dat terwijl het Olympisch Handvest stelt dat “Any form of discrimination with regard to a country or a person on grounds of race, religion, politics, gender or otherwise is incompatible with belonging to the Olympic Movement.”

Dat mevrouw Isinbajeva na haar toespraakje op televisie nog burgemeestertje spelen mag zegt opnieuw iets over de fundamentele waarden van het Olympisme.

Tijdens de atletiekfinale liet de Zweedse hoogspringster, op aandringen van de internationale atletiekfederatie IAAF, de regenboogkleuren dan ook braaf achterwege. Mevrouw Green Tregaro had te verstaan gekregen dat ze met haar nagellak de regels in Rusland had overtreden en dus verscheen ze netjes met roodgelakte nagels bij de start.

Na het horen van het interview met meneer Dielissen wil ik mijn eerdere oproep nog maar even herhalen. Boycot Sotchi. Tekent u de petitie *hier* alstublieft ook nog even?

Boeten

Ik heb altijd gemeend dat de mate van vrijheid die burgers in een land genieten mede af te meten is aan de hoeveelheid en aard van kritiek die een overheid zich over zichzelf laat welgevallen. Wat dat betreft scoort Nederland deze week weer heel aardig, al moet daarbij gezegd dat wij met onze klaagcultuur natuurlijk wel bij voorbaat al een lichte voorsprong hebben. Vooral de sterke arm der wet moest het de laatste dagen ontgelden. Zo versleet het Algemeen Dagblad hen voor “enorme brokkenpiloten”, want de dames en heren agenten waren in 2008 en 2009 betrokken bij maar liefst 19.363 aanrijdingen. Een imponerend getal, dat moet gezegd.

Een eenvoudige rekensom leert dat het om een schadegeval per politieregio per dag gaat. Om hoeveel aanrijdingen het nu per voertuig en gereden kilometers gaat – en hoe dat in verhouding staat tot de huis, tuin en keukenauto, die wij burgers gemiddeld 23 uur per dag voor de deur hebben staan, was aardig geweest om te weten. Helaas, aan die gegevens waagt het Algemeen Dagblad zich niet. Aangezien politievoertuigen boldly go waar geen particulier voertuig komt en een spoedrit of achtervolging geenszins te vergelijken is met dagdagelijks woonwerkverkeer is een dergelijke vergelijking misschien unfair, maar ’t is me nu volstrekt onduidelijk in welk perspectief die cijfers staan.

Wel was de politie volgens de krant “vaak zelf de veroorzaker van de ongevallen”. Ik heb geen idee wat “vaak” is, ook daar zwijgt de redactie in alle talen over. Is dat 10% van de gevallen, 20% of meer dan de helft? Ook over enige omstandigheden worden we van deze berichtgeving niets wijzer. Natuurlijk mag je als belastingbetaler verwachten dat oom agent netjes omgaat met het materieel dat hem ter beschikking gesteld wordt. Iedere schade uit pure onachtzaamheid is er dus een te veel en daar mag je als burger de politie inderdaad best vragen verantwoording over af te leggen.

Dat Nederlandse burgers daarin ook kunnen overdrijven blijkt wel uit recente berichtgeving op GeenStijl. Een burger ziet een politiebus over de A28 rijden en tot ergenis van die burger heeft genoemde politiebus er behoorlijk de vaart in. De verontwaardiging (en het Calimerocomplex) is groot bij de bestuurder en diens bijrijdster, want hoe durven ze daar in die politiebus, zo zonder sirene, zonder lichten! Met een mobiele camera op de kilometerteller gericht zetten ze de achtervolging in.

Koud een week later verschijnt eenzelfde filmpje, waarbij een andere man op zijn beurt meent een politiebus een staartje te moeten geven. Hij moet het er maar druk mee gehad hebben, want in tegenstelling tot de eerste filmer ontbeert hij een lieftallige assistente. Terwijl hij met 150 kilometer per uur de politie achtervolgt becommentarieert hij het tafereel én heeft hij zijn mobieltje in een knuist, dat hij al filmend beurtelings op de politiebus in kwestie en het eigen dashboard richt. Met ’s mans verwaten “het gaat lekker met de politie tegenwoordig, jongens” en het lezen van de vele “reaguursels” overvalt mij een vlaag van plaatsvervangende schaamte.

Het is immers zo gelegen dat de politie een vrijstelling heeft van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Die vrijstelling kent een voorbehoud; een en ander moet voor de uitvoering van de politietaak noodzakelijk zijn en het overige verkeer mag niet in gevaar worden gebracht. Dat betekent dat agenten verkeersregels mogen negeren, zelfs al surveilleren ze alleen maar. Jazeker, dat mogen zij dus wel en u en ik niet.

Zij zijn groot en ik is klein en da’s niet eerlijk, o nee…”

Aangezien het voor ons als medeweggebruikers onmogelijk is aan een willekeurig passerend politievoertuig af te zien waar de bemanning op dat moment mee bezig is, is het voor ons ook onmogelijk te zeggen of zij zich aan hun richtlijnen houden. Wat rest is hoe de waard zijn gasten vertrouwt.

Een andere algemene misvatting is dat een agent zulks alleen maar zou mogen doen wanneer hij optische en geluidsignalen voert. Dat is dus niet zo, het voeren van dergelijke signalen is geen voorwaarde voor genoemde vrijstelling. Die toeters en bellen maken het voertuig dat ze voert tot voorrangsvoertuig, hetgeen betekent dat al het andere verkeer hem ruim baan heeft te geven. De reactie van het betreffende korps op de aantijgingen tegen de “A28-racer” mag dan ook geen verrassing heten.

Het is daarmee nog niet uit met de pret. De Telegraaf weet ons vandaag te melden dat Rotterdamse “agenten moeten boeten“. De krant claimt dat ze de hand heeft weten te leggen op een “speciaal contract” van het korps Rotterdam-Rijnmond waarin zou staan dat een diender jaarlijks zo’n 120 bekeuringen per uit moet schrijven, dat is er een per twee werkdagen. Er is jaren geleden veel te doen geweest om prestatiecontracten die politiekorpsen kregen opgelegd en de bonnenquota, die daar onderdeel van waren. Na veel vijven en zessen besloot de politiek uiteindelijk weer van die opgelegde bonnenquota af te stappen, waarbij Guusje ter Horst in haar hoedanigheid van minister wees op de eigen verantwoordelijkheid die de politiekorpsen hebben voor wat betreft hun prestaties.

Ik heb de vele ophef over die bonnenquota nooit erg begrepen, het betrof destijds immers een bon per agent per dag en iedere werkgever stelt criteria om het functioneren van zijn werknemers aan te kunnen toetsen. Tijdens mijn dagelijkse wandelingetje naar mijn werk zou ik al een half bonnenboekje vol kunnen schrijven, want zo wetsgetrouw zijn wij Nederlanders nu eenmaal niet – zeker niet in het verkeer. Een agent die twee dagen lang buiten loopt en geen enkele misdraging ziet heeft zijn ogen in zijn zakken zitten en het is terecht dat hij daarop wordt aangesproken door zijn werkgever.

Onze nationale neiging tot externaliseren, Nederlanders rijden immers niet zo zeer te hard maar worden veeleer “gepakt”, maakt dat we onze schuld graag op de ons betrappende agent projecteren. We verfrommelen het ons uitgereikte gele papiertje en lispelen een boos “ga toch boeven vangen”, maar vergeten daarbij al te licht dat zulks nu juist hetgeen is dat hij zojuist deed.

Dat Rotterdamse agenten gekort zouden worden wanneer ze niet aan de huidige norm die het korps Rotterdam-Rijnmond hen oplegt voldoen, zoals de Telegraaf beweert, gaat echter ook mij te ver. Natuurlijk, een agent moet zijn werk naar behoren doen en het uitschrijven van boetes voor gedragingen die hij signaleert hoort daar gewoon bij. Dat een korps een manier verzint om die werkzaamheden te kunnen monitoren is ook prima. Boetes zijn echter eerst en vooral bedoeld om misdragingen te corrigeren en daarbij zie ik de discretionaire bevoegdheid van agenten graag gewaarborgd. Het besluit een bon te schrijven danwel het bij een waarschuwing te laten moet afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden tijdens zo’n bekeuringsituatie en niet van het al dan niet in moeten leveren van een periodiek.

Gelukkig beseft ook het korps Rotterdam-Rijnmond dat en van agenten die op hun salaris gekort zouden worden omwille van een te weinig aan uitgeschreven bekeuringen blijkt geen sprake.

Tot zo ver de Telegraaf, de weinig wakkere krant van makkelijk op te naaien Nederland.

Schofterig journaille

Vanochtend, tijdens mijn dagelijkse rondje headlines, viel mijn oog op de kop “Telegraaf belt 9-jarige overlevende vliegramp“. Ik was er even stil van. Gaandeweg het artikel stegen mijn verbazing en ontzetting, op de voet gevolgd door mijn bloeddruk.

Ruben, de negenjarige jongen om wie het gaat, overleefde als enige een vliegramp. Op 12 mei jongstleden zou hij samen met zijn ouders en broertje van Johannesburg naar Londen vliegen, met een geplande tussenstop in het Libische Tripoli. Een kleine kilometer voor de landingsbaan van Tripoli International ging het mis. Het vliegtuig, met meer dan honderd zielen aan boord, verongelukte. Rubens ouders en broertje kwamen om.

Nu ligt de jonge Ruben in het verre Libië gewond in een ziekenhuis, een sole survivor. Een oom en tante vlogen over om hem bij te staan.

De NOS eigende zich de vliegramp toe en twittert al dagen over de “nosvliegramp”. Verslaggevers mogen kennelijk tussen de brokstukken door struinen en een van hen vindt een dagboek. Zonder enige schroom of schaamte citeert verslaggever Menno Reemeijer uit dat dagboek, onderwijl artikel 21 van de Code voor de Journalistiek negerend. De doden behoeven duidelijk geen privacy.

De levenden overigens ook niet. Ook al is dat er maar één en is hij nog maar een weerloos kind. Ruben bleek van meet af aan publiek bezit. Beelden van een negenjarig jongetje, een verband om zijn hoofd en een zuurstofmasker op zijn snoet, werden breed uitgemeten in het nieuws. Al gauw werd schaamteloos gespeculeerd over wie hij is, even was hij zelfs een meisje, en daags na de ramp wisten we allemaal zijn naam en toenaam. Je zult thuis voor de buis je bloedeigen neefje zo tijdens een nieuwsuitzending de revue zien passeren, misschien zelfs via diezelfde nieuwsuitzending moeten vernemen dat je broer of zus en diens partner niet meer thuis zullen komen.

Jolande van der Graaf, een journaliste van (hoe kan het ook anders) de Telegraaf ging nog veel verder. Een brutaal mens heeft de halve wereld moet ze gedacht hebben en ze pakte de telefoon. Ze wist een van de behandelend artsen aan de lijn te krijgen en kreeg de arts zo ver dat hij zijn mobiele telefoon aan zijn patiëntje gaf. Of, zoals ze het zelf brengt; “de arts gaf zijn mobiele telefoon plotseling aan Ruben door”.

De toon deed mij meteen aan die reclame denken, waarin de eigenaresse van een grote hond die zojuist een passerende chihuahua opvrat uitroept “dat doet ‘ie anders nooit hoor!” -U kent hem vast nog wel. Nog bonter wordt het wanneer de redactie van de Telegraaf in de bres springt voor haar journaliste en spreekt van een “onverwacht ontstaan telefoongesprek“. Misschien komt het doordat ik mij in liet schrijven bij het Bel-me-niet Register, maar nog nooit kwam ik op onverwachte wijze plotsklaps in contact met een ziekenhuispatiënt te Tripoli.

Het artikel vervolgt met de observatie dat “de jongen aanvankelijk emotioneel reageerde, maar kalmeerde toen bleek dat hij geen familielid aan de telefoon had”.

Kennelijk was Ruben dus in de overtuiging dat hij familie uit het verre Nederland aan de lijn zou krijgen. Je vraagt je af of mevrouw de journaliste zich misschien anders voorgedaan heeft en onder valse voorwendselen toegang tot de jongen heeft gezocht. In dat geval is er van het “open vizier” uit de Code voor de Journalistiek geen sprake meer. Ik kan me in ieder geval simpelweg niet voorstellen dat een arts op een intensive care van een kinderafdeling nolens volens zijn patiënten een babbeltje met het journaille laat maken.

En ook dat is nog niet alles. Desgevraagd vertelt Ruben zijn belaagster dat hij zich van het ongeval niets kan herinneren. Dan komt het; Ruben “was nog niet op de hoogte gebracht van het verlies van zijn ouders Patrick en Trudy en zijn broertje Enzo (11)”.

Wat fijn dan, dat Jolande de honneurs even heeft waargenomen, ook voor een negenjarige is een plus een immers nog altijd twee.

Wrang gegeven is dat juist deze Jolande en consorten, met Telegrafesque opperhoofd Sjuul Paradijs voorop, om het hardst schande riepen van een schending van Jolandes privacy door de AIVD. De privacy van een kind van negen wordt echter door deze zelfde lieden zondermeer te grabbel gegooid. Nu was Ruben natuurlijk ook wel fijn een makkelijk slachtoffer voor deze bloedzuigers. Van een negenjarig kind, gewond in een ziekenhuis en volledig van streek hoef je immers weinig tegenspraak te verwachten.

Natuurlijk valt het de dames en heren journalisten te verwijten dat nieuwsgaring vandaag de dag over lijken gaat. Met regelmaat treden ze hun eigen Code voor de Journalistiek met voeten.Wanneer ik lees dat een nabestaande van een slachtoffer “te aangeslagen was om te reageren” moet logischerwijze in elk geval een stuks journaille de stoute schoenen hebben aangetrokken en genoemde nabestaande gebeld hebben of er even aan de deur geweest zijn. Dat gaat alle ethische perken te buiten, maar alles is nieuws en nieuws moet -desnoods over de rug van een zojuist wees geworden jongetje.

Wanneer televisieprogramma’s onderbroken worden voor “breaking news” zoals tijdens de hype rond de vermoorde Milly Boele en dat nieuws dan louter en alleen bestaat uit het gegeven dat een verslaggever ter plaatse een blik wist te werpen over een van de anti-kijkschermen consumeren wij dat allemaal met verve. Als consumenten van al dat nieuws hebben ook wij een verantwoordelijkheid. We laten ons afschepen met beelden van een verhitte verslaggever met op de achtergrond dat vermaledijde anti-kijkscherm. Niet-nieuws gaat er evengoed in als koek, om over de vele speculaties nog maar niet te spreken. Harde feiten zijn niet afdoende, we kopen kranten om de hypes, de speculaties en de wilde verhalen; wij zijn het draagvlak voor journaille als Jolande van der Graaf.

Het is hoog tijd te consuminderen, te beginnen bij het vlaggeschip van de unfaire journalistiek. Boycot de Telegraaf!