Miep Gies

Hermine Gies-Santrouschitz, de vrouw die bekend zou worden als helpster van de familie Frank en de andere onderduikers in het Achterhuis, werd op 15 februari 1909 geboren in Wenen. 

Haar geboorteland Oostenrijk nam deel aan de Eerste Wereldoorlog en in de jaren daarna was er een voedselschaarste. Miep kreeg tuberculose en was een van de duizenden (veelal ondervoede) Oostenrijkse arbeiderskinderen die een poos naar Nederland overgebracht werden om hier aan te kunnen sterken. Miep kwam terecht bij het gezin Nieuwenburg uit Leiden, dat al vijf kinderen had en van een bescheiden salaris rond moest komen. Toch deelden ze alles wat ze hadden met het jonge meisje dat zij onder hun hoede namen en stuurden haar naar een goede school.

In 1920, op elfjarige leeftijd, werd Miep door dit gezin geadopteerd. Haar ouders gingen daarmee akkoord in de wetenschap dat de situatie in Oostenrijk onveranderd was en hun dochter nog altijd met haar gezondheid tobde.

Deze ervaring vormde Miep Gies wezenlijk en bepaalde haar latere beslissing de onderduikers in het Achterhuis te helpen.

“Ik kan mij herinneren dat ik zo nu en dan huilend in een trein zat met een koordje om mijn nek waaraan een kaartje hing met mijn naam: Hermine Santruschitz. Na een treinreis van 1.100 km kwam ik in Nederland aan en werd opgenomen in een familie die een vreemde taal spraken. Ze hadden al 5 kinderen en leefden van een bescheiden salaris. Toch deelde ze alles met mij en zonden mij naar een goede school. Nu kon ik iets terug doen door andere mensen te helpen! Het leek mij dat als ik nu niet hielp ik daar wroeging over zou krijgen. Ik hoop dat iedereen mijn handelen begrijpt en het navolgt.”


Toen Miep vierentwintig was vond ze werk als secretaresse bij een van de bedrijven van Otto Frank, Opekta, een handel in specerijen en pectine. Miep trouwde op 16 juli 1941 met haar grote liefde Jan Gies. Ze zouden samen één zoon krijgen, Paul Gies, die in 1950 het levenslicht zou zien. 

Tweede Wereldoorlog

Miep Gies verklaarde zich direct bereid het gezin Frank te helpen toen Otto Frank vertelde dat zij zouden moeten onderduiken. De onderduikers, de families Frank en Van Pels en tandarts Pfeffer, namen hun intrek in het beroemd geworden Achterhuis van de Prinsengracht 263 in Amsterdam. Miep zou de onderduikers, acht in totaal, eten en nieuws brengen. Dat zou ze doen met haar man Jan Gies en Johannes Kleiman, Victor Kugler, Bep Voskuijl en Johan Voskuijl. Deze helden wisten de acht Joodse onderduikers twee jaar lang in leven te houden. 

Naast deze acht nam Miep Gies nog een negende onderduiker, een student, onder haar hoede en wel in haar eigen huis. Deze student, Kuno van der Horst weigerde de studentenloyaliteitsverklaring te tekenen en werd daarom gezocht door de Duitsers. 

Om aan eten voor al deze mensen te kunnen komen regelde Jan Gies, die bij de gemeente werkte en lid was van een verzetsgroep van ambtenaren in Amsterdam, op illegale wijze voedselbonnen. Miep stroopte daar heel wat winkels mee af, niet alleen omdat veel goederen en etenswaren schaars waren, maar ook om geen achterdocht te wekken met grote hoeveelheden koopwaar. 

Hallo, Miep, is er nog nieuws?

Op 4 augustus 1944 sprak Miep Gies Anne Frank voor de laatste maal. Het was zonnig en warm, een mooie zomerdag. Miep ging langs het Achterhuis om samen met de bewoners een lijstje met boodschappen op te stellen. Anne begroette haar: Hallo, Miep, is er nog nieuws?”

Later diezelfde dag marcheerde de Oostenrijkse nazi SS Oberscharführer Karl Silberbauer het pand aan de Prinsengracht binnen, op de hielen gevolgd gevolgd door de Nederlandse NSB’ers Gezinus Gringhuis, Willem Grootendorst en Maarten Kuiper. De onderduikers waren verraden. Wie dat verraad op zijn geweten heeft is nog altijd een raadsel.

Naast de onderduikers werd ook een aantal van hun helpers gearresteerd. De hulp aan Joodse onderduikers werd doorgaans bestraft met deportatie naar een concentratiekamp.  

Silberbauer, net als Miep Gies een Oostenrijker, moet onaangenaam verrast gereageerd hebben tot bleek dat Otto Frank tijdens de Eerste Wereldoorlog voor Duitsland gevochten had en een hogere rang had genoten dan Silberbauer zelf. In een vreemd gevoelen van noblesse oblige pakte hij de zaken rond de arrestaties rustig aan.

Miep Gies werd ook door hem verhoord. Van haar weten we dat hij haar “Schämen Sie sich nicht, Judenbagage zu helfen?” heeft toegeblaft. Haar mededeling dat ze, net als hij, uit Wenen kwam deed hem kennelijk opnieuw aarzelen en hij besloot “aus persönlicher sympatie” dat Miep en haar collega Bep Voskuijl op kantoor mochten blijven. Hij waarschuwde beide vrouwen dat vluchten er niet meer bij was en hij terug zou keren. Johannes Kleinman en Victor Kugler werden echter met de acht onderduikers samen weggevoerd.

Heldenmoed

Na de inval in het Achterhuis haalde Miep Gies geld op bij iedereen in het bedrijf, trok de stoute schoenen aan en toog met knikkende knieën naar het hoofdkwartier van de Sicherheits Dienst. Haar plan was de nazi’s om te kopen en zo te helpen om de onderduikers en de gearresteerde helpers vrij te krijgen.

In het hoofdkwartier van de SD liep ze opnieuw Oberscharführer Silberbauer tegen het lijf en hij verwees haar door naar een hoger gelegen verdieping. Daar trof ze een deur half open. Ze ging door die deur een kaal vertrek binnen en trof daar een groep hoge nazi-omes die naar de BBC stonden te luisteren. Die waren zo verbouwereerd dat ze de kans kreeg het gebouw weer uit te vluchten.

Het Dagboek van Anne Frank

Nadat de onderduikers waren weggevoerd zijn Miep Gies, haar collega Bep en magazijnchef Van Maaren het Achterhuis in gegaan. Ze verzamelden Annes schrijfsels en Miep heeft ze daarna trouw bewaard. Lang lagen ze, ongelezen, in haar bureaulade. Wachtend op de jonge schrijfster, die niet terugkeerde. 

Na de oorlog gaf Miep Gies ze aan Otto Frank, die als enige van de acht onderduikers de concentratiekampen overleefde. Hij zou er in 1947 voor zorgen dat de erfenis van zijn jongste dochter werd uitgegeven. Hij gaf het werk de titel “Het Achterhuis” mee. 

Miep Gies stierf op 11 januari 2010. Ze werd honderd jaar.

Ter ere van haar geboortedag blader ik vandaag nog eens door haar “Herinneringen aan Anne Frank”, dat ze samen met de Amerikaanse Allison Leslie Gold schreef. Het boek raakt en ontroert, ondanks de vlakke verteltrant. Soms is het zelfs zo saai geschreven dat je bijna zou vergeten hoe moedig de al te bescheiden Miep Gies werkelijk was. 

Room

Jack is vijf. Net geworden, want gisteren ging hij slapen in Kast en was hij nog vier. Vanochtend werd hij wakker in Bed en was hij vijf.

Samen met Ma leeft hij in Kamer. Als sinds hij ter wereld kwam bestaat zijn hele wereld uit die ene ruimte, met een elektrisch Fornuis, een Tafel, Bad en een televisie. Er is ook een Deur, van staal. Deur gaat alleen open voor Old Nick, die Ma en Jack eten brengt en elke zondag een extraatje. Ma houdt zichzelf en haar Jack fit; elke dag verzint ze fysieke en mentale oefeningen en ze zorgt dat Jack gezond eet, zich goed wast en elke dag zijn tanden poetst.

Jack heeft Old Nick nog nooit gezien, die komt bijna elke avond langs maar Jack ligt dan al in zijn Bed in de Kast. Wanneer Old Nick boos is mishandelt hij Jacks Ma. Hij heeft zelfs haar pols eens gebroken. Op een dag schakelt hij zelfs de stroom uit en hult Kamer dagenlang in het donker.

Ma bedenkt een ontsnappingsplan en Jack moet de held zijn.

Dat Room in 2010 de Man Booker Prize niet won is onbegrijpelijk. Het is sowieso het beste dat ik in tijden las. Het boek is aangrijpend, beklemmend, claustrofobisch en tegelijkertijd hartverwarmend.

Schrijfster Emma Donoghue werd in 2008 diep geraakt door de nieuwsberichten over de zaak Fritzl. De Oostenrijkse Elisabeth Fritzl werd vierentwintig jaar lang door haar eigen vader in een kelder opgesloten. Hij misbruikte haar en ze raakte meermaals zwanger van hem. Een drietal van de kinderen nam Joseph Fritzl zelf in huis, maar drie anderen verbleven bij hun moeder. Toen zij bevrijd werden zag de vijfjarige Felix Fritzl voor het eerst de wereld buiten die vreselijke kelder.

Room gaat over die bijna-magische reis van een kind, van de ene wereld naar de andere en het allereerste begin van het volwassen worden. De kinderlijke onschuld waarmee de innemende vijfjarige Jack het verhaal vertelt maakt het boek beklemmend maar ook ontzettend aandoenlijk. Room is intens en controversieel.

By the mark twain

Op 30 november 1835 kwam Samuel Langhorne Clemens ter wereld in Florida, Missouri. Samuel, zoon van een plattelandskoopman, was de zesde van zeven kinderen. Toen Samuel vier jaar oud was verhuisde het gezin Clemens naar de plaats Hannibal, ook in Missouri.

Het gezin werd geplaagd door verschillende noodlottige gebeurtenissen; van de zeven kinderen stierven er drie tijdens hun kindertijd en vader Clemens overleed toen Samuel elf jaar was.

Een jaar later werd Samuel leerling bij een drukkerij en op zijn zestiende begon hij met het werk van letterzetter. Een van zijn broers, Orion Clemens, was eigenaar van de Hannibal Journal en daar schreef de jonge Samuel artikelen en humoristische verhaaltjes voor. Zo gauw hij achttien jaar werd verliet hij Hannibal.

Samuel werkte vier jaar lang als drukker in New York City, Philadelphia, St. Louis en Cincinnati. Hij werd lid van de vakbond en in de avonduren zat hij in openbare bibliotheken op eigen houtje te studeren. Daar stak hij meer op dan hij op een gewone school ooit gedaan zou hebben.

Op zijn tweeëntwintigste keerde hij terug naar Missouri. Met een stoomboot reisde hij naar New Orleans, stroomafwaarts over de Mississippi. De loods van die stoomboot, Horace E. Bixby, maakte Samuel enthousiast voor een baan als stoombootloods. Twee jaar lang bestudeerde Samuel de roerige wateren van de Mississippi en in 1859 haalde hij zijn loodsdiploma. Zijn jongere broer Henry had hij op sleeptouw genomen, maar die kwam om het leven toen de stoomboot Pennsylvania explodeerde.

Samuel, die de dood van Henry in een droom voorzien had, vergaf zichzelf zijn leven lang niet voor het overlijden van zijn broer. Aan Samuels carrière als loods kwam in 1861 einde met het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog.

Naar het Westen

Samen met Orion, die inmiddels benoemd was tot secretaris van de gouverneur van Nevada, reisde Samuel per postkoets over de Great Plains en de Rocky Mountains. Ze bezochten de Mormonen in Salt Lake City. Voor Samuel eindigde die lange reis in een zilvermijnstad, Virginia City, in Nevada. Hij mislukte daar jammerlijk als mijnwerker en pakte zijn oude stiel weer op bij een plaatselijke krant, de Territorial Enterprise. Samuel Clemens gebruikte ontzettend veel pseudoniemen, maar in Virginia City ondertekende hij voor het eerst een schrijven, een humoristisch reisverslag, met de naam Mark Twain. De naam waaronder hij bijna vijftig jaar lang zou schrijven en waarmee hij wereldberoemd zou worden.

De avontuurlijke Samuel pakte vervolgens zijn boeltje weer op en reisde naar San Francisco. Daar werkte hij opnieuw als journalist, bij verschillende kranten, en gaf er lezingen. In 1866 trok hij verder; naar Hawaii, terug naar Missouri, dan naar New York. Een jaar later begon hij aan een uitgebreide reis door Europa en het Midden-Oosten. De verslagen van die reis zouden hem in 1869 zijn eerste bestseller opleveren: Innocents Abroad. Mark Twain zou later een tweede reis door Europa maken, die hij beschreef in het in 1880 verschenen boek A Tramp Abroad. In zijn reisverslagen bleek zijn bijtende zelfspot al, zijn humor – en zijn maatschappijkritische houding.

Olivia

Eenmaal terug in Amerika raakte hij smoorverliefd op Olivia Langdon. Honderden liefdesbrieven later traden ze 1870 met elkaar in het huwelijk en, na een kort verblijf in Buffalo, settelden ze zich in Harford, Connecticut. Olivia was van grote invloed op Samuel. Via haar maakte hij kennis met een veelvoud aan progressieve mensen; voorvechters van de afschaffing van de slavernij, atheïsten en lieden zich hard maken voor vrouwenrechten en gelijkheid.

Het paar kreeg vier kinderen; Langdon, Susy, Clara en Jean. Hun zoontje Langdon stierf in 1872 op tweejarige leeftijd, het ventje bezweek aan difterie.

Mark Twain liet in Connecticut de journalistiek achter zich en begon boeken en novellen te schrijven. Zijn Roughing It verscheen in 1872, Tom Sawyer in 1876 en in 1884 zag zijn meesterwerk het literaire levenslicht: The Adventures of Huckleberry Finn. Olivia was erg betrokken bij Samuels schrijven, zijn hele leven lang zou ze zijn redactrice en censor zijn.

Invloeden

Tijdens zijn leven ontmoette Mark Twain veel bijzondere mensen. Zo maakte hij kennis met de bijzondere doofblinde taalkundige en voorvechtster voor vrouwenrechten Hellen Keller. Hij raakte innig bevriend met industriemagnaat Henry H. Rogers. Zo ook met Nicola Tesla, met wie hij zijn fascinatie voor de wetenschap delen kon. Hij trok op met voormalig slaaf en pedagoog Booker T. Washington.

In de jaren na Huck Finn haalde Mark Twain zich heel wat zakelijke problemen op de hals. Hij was  een uitgesproken anti-kapitalist maar investeerde ironisch genoeg toch veel geld in allerlei uitvindingen in hoop er goed geld mee te verdienen. Voornamelijk in de verkeerde zaken en meermaals dreigde een faillissement. Om de eindjes aan elkaar te knopen raffelde hij soms zijn boeken af en schreef hij vlammende boekrecensies.

Laatste jaren

In 1896, tijdens een verblijf in Engeland, kreeg Mark Twain te horen dat zijn dochter Susy was overleden aan meningitis. Hij raakte depressief. In 1904 stierf zijn vrouw Olivia en in 1909 stierven zowel zijn dochter Jean als zijn boezemvriend Henry H. Rogers. Een jaar later stierf hij zelf.

Mark Twain. Anti-imperialist. Anti-kapitalist. Anti-slavernij. Pacifist én revolutionair. Voorvechter van het vrouwenkiesrecht. Fervent tegenstander van vivisectie. Groots criticus van georganiseerde religie. Vrijmetselaar. Avonturier. Humorist. Schrijver.

Van zijn hand is het citaat dat me mijn hele leven al achtervolgt. Omdat het zo waar is.

Man is a Religious Animal. He is the only Religious Animal. He is the only animal that has the True Religion – several of them. He is the only animal that loves his neighbor as himself and cuts his throat if his theology isn’t straight. He has made a graveyard of the globe in trying his honest best to smooth his brother’s path to happiness and heaven… The higher animals have no religion. And we are told that they are going to be left out in the Hereafter. I wonder why? It seems questionable taste.

Ik heb veel van de boeken van zijn hand in mijn bibliotheekje staan. Het mij meest dierbare is een klein, bijna onbeduidend dunne paperback: A Horse’s Tale. Mark Twain vertelt daarbij het verhaal van Buffalo Bill, vanuit het perspectief van diens paard Soldier Boy.

Mark Twain laat de paarden Mongrel en Sage-Brush een gesprek bespreken, dat ze mensen onder elkaar hebben horen voeren over het stierengevecht. Ik moest er aan denken toen ik Angora schreef en wil het u toch niet onthouden.

“Sage-Brush, you have been listening?”

“Yes.”

“Isn’t it strange?”

“Well, no, Mongrel, I don’t know that it is.”

“Why don’t you?”

“I’ve seen a good many human beings in my time. They are created as they are; they cannot help it. They are only brutal because that is their make; brutes would be brutal if it was THEIR make.”

“To me, Sage-Brush, man is most strange and unaccountable. Why should he treat dumb animals that way when they are not doing any harm?”

“Man is not always like that, Mongrel; he is kind enough when he is not excited by religion.”

“Is the bull-fight a religious service?”

“I think so. I have heard so. It is held on Sunday.”

(A REFLECTIVE PAUSE, LASTING SOME MOMENTS.) Then:

“When we die, Sage-Brush, do we go to heaven and dwell with man?”

“My father thought not. He believed we do not have to go there unless we deserve it.”


H&M ondertussen, heeft laten weten dat ze het huidig assortiment producten van angorawol toch blijft verkopen. Weer een illusie armer en een inzicht rijker.

 

Dagboek van een beul

Frantz Schmidt onthoofdt Hans Fröschel, 18 mei 1591

Frantz Schmidt, geboren in 1554, was zoon van een beul en dus werd hij beul. Zo werkte dat, in die tijd. Het beroep van beul was zo oneervol en werd zo geminacht dat ook de zoons van zo iemand in geen enkel ander beroep welkom waren. Een erfelijke schande.

Al vanaf een jaar of tien vergezelde de jonge Frantz zijn vader Heinrich dus naar executies, keek de fijne kneepjes van het vak af en hielp bij de kleinere “klusjes”. De jonge Frantz bekwaamde zich met het verloop van de jaren in almaar moeilijkere manieren van executie én marteling. In huize Schmidt hing het executiezwaard op een ereplaats boven de haard en met dat zwaard oefende de jongeling in de tuin, eerst op pompoenen en bossen pezige rabarberstelen, later op zwerfhonden en “redeloos” vee.

Vader Schmidt was overigens niet altijd beul geweest, hij was van origine houthakker en vogeljager. Een in ongenade gevallen markgraaf liet op een kwade dag drie wapensmeden arresteren, die hij van een complot tegen zijn leven verdacht. Hij droeg een toevallig voorbijkomende passant op het drietal om het leven te brengen. Die voorbijganger, Heinrich Schmidt, had het ongeluk een neef in de familie te hebben, die het oneervol beroep van beul uitoefende en daarom was hij het haasje. Hij protesteerde luid: was hij eenmaal beul dan zouden ook hij en zijn gezin uit de “eerzame maatschappij” verstoten worden. De markgraaf gaf hem een keuze; beul of de strop.

Het werd het eerste en niet veel later kwam zijn zoon Frantz ter wereld. Voorbestemd tot een leven vol geweld.

Dagboek

Meester Frantz, zoals Frantz Schmidt door het leven zou gaan, hield een dagboek bij. Daarin staat vijfenveertig jaar aan executies en folteringen opgetekend. Dat dagboek werd door historicus Joel Harrington herontdekt en in zijn boek “Dagboek van een Beul” gaat hij op zoek naar wat de Duitse scherprechter moet hebben bewogen. Naar de mens achter de beul. Hij ontdekt een standvastig, onverzettelijk, loyaal en vroom man. Een de bijklust als heelmeester, maar ook een die mensen doodt, geselt, brandmerkt en hen de vingers, oren en tongen afhakt.

In zijn dagboek houdt Meester Frantz alle doodstraffen bij, die hij voltrekt. Hij geeft boeiende beschrijvingen van de “arme zondaars” die zijn beulskunsten ondergaan. Naam, beroep, geboortestad, het gepleegde misdrijf en de vorm en plaats van hun straf. Over zijn eigen leven en gedachten schrijft hij bijna niets, het is een bepaald onpersoonlijk document.

Van Meester Frantz, zij het opgetekend door een notaris, is nochtans een tweede document bewaard gebleven: een verzoek aan keizer Ferdinand II om de goede eer en naam van zijn familie in ere te herstellen. Dat is al die jaren het levensdoel van de oude beul geweest en hoogstwaarschijnlijk is dat de reden waarom hij zijn dagboek bijhield. Meester Frantz is dan zeventig, ongewoon voor een beul is hij een gerespecteerd man geworden, en zijn pleit voor eerherstel is juist zeer persoonlijk.

De beul kreeg zijn eerherstel. Op zijn grafsteen, die nog altijd vagelijk leesbaar is, wordt zelfs in het geheel niet gerept over het oneervolle vak, dat hij zo lang beoefende.

Joel Harrington gaat in zijn boek op zoek naar de mens Frantz Schmidt en geeft een gedegen inkijk in de sociale geschiedenis van de zestiende eeuw.

Genade

De beul gebruikt het woord ‘genade‘ opvallend veel in zijn dagboek. Daarmee bedoelt hij niet zo zeer het verlichten van de straf die hij uitvoeren moet, al doet hij dat geregeld wel. Zo legt hij iemand, die hij verbranden moet, een zijden strop om de hals. Nog voor het vuur het slachtoffer verzengen kan, zo is de bedoeling, wurgt zijn knecht hem. Iets waarin de knecht bij in elk geval deze executie niet erg bedreven blijkt, tot ongeluk van de gestrafte. Meester Frantz, een vroom man zoals gezegd, was ervan overtuigd dat ieder mens voor de zonde bestemd was en beoogde voor veroordeelden naast een aardse ook een hemelse verlossing te bereiken. Hij zocht naar zichtbare tekenen van wroeging, van berouw.

Wanneer hij die ziet meent hij dat zijn slachtoffer stierf “als christen”.

De wereld van de vroegmoderne mens

De vroegmoderne wereld van vader en zoon Schmidt verschilde met die van ons, in de zin dat het leven lang zo zeker niet was als het nu is en de dood prominent deel uitmaakte van het dagelijks leven. Zo’n beetje een derde van de zwangerschappen eindigde al voortijdig in een miskraam of met een doodgeboren kind. Kinderen die levend ter wereld kwamen hadden vijftig procent kans het twaalfde levensjaar te bereiken.

Dodelijke epidemieën, branden, natuurgeweld, misoogsten, armoede, ruziënde edellieden, oorlogen, roofbaronnen, bendes bandieten en struikrovers, bloedvetes – in die tijd was niemand zijn leven zeker, zelfs niet binnen de stadspoorten. Geweld en eigenrichting waren gemeengoed. Publieke executies waren, behalve voor de beul en zijn slachtoffer, een vorm van vertier. Tel daarbij op dat mensen destijds een scala aan bovennatuurlijke belagers vreesden en je vraagt je af hoe de vroegmoderne mens überhaupt de dag door kwam zonder een Oxazepammetje.

Toch blijft de vraag hoe het geïnstitutionaliseerd staatsgeweld van de scherprechter zich verhoudt met de christelijke moraal van die tijd én de moraal van ons, “moderne mensen”. Het boek wil dan ook een bespiegeling zijn over de menselijke natuur en onze sociale vooruitgang. Martelingen en doodstraffen (zeker zoals die door beulen als Meester Franz werden uitgevoerd) doen de meeste mensen vandaag de dag walgen. Aan de andere kant is de praktijk van justitiële foltering en publieke executies nog wijdverbreid.

De vraag is dan ook of we met het verloop van de eeuwen werkelijk zo wezenlijk getransformeerd zijn – de drang tot vergelding zit nog altijd diep verankerd in de menselijke natuur. Net als de onbegrensde wreedheid, jegens andere mensen en dieren.

Geweld en vergelding

De langste notitie in het dagboek van de beul gaat over de gruwelijkheden door de gewetenloze struikrovers Georg Hörnlein en Jobst Knau. Dit tweetal pleegde verschillende moorden, de gruwelijkste daarvan zijn die op twee pasgeboren baby’s. Tijdens folteringen bekende Hörnlein dat hij meermaals de handjes van pasgeboren jongetjes had afgehakt, omdat zo’n handje magische eigenschappen hebben zou.

Meester Frantz beschrijft met onverholen walging over de daden van Hörnlei en Knau en met even onverholen genoegen hoe hij met een gloeiendhete tang de armen en benen van de twee kindermoordenaars bewerkte en hen vervolgens op langzame en pijnlijke wijze op het rad executeerde.

Honderden jaren later lees ik dat relaas en ik begrijp ’s mans walging. Ik begrijp zelfs het genoegen waarmee Meester Frantz met die gloeiendhete tang in het vlees van Hörnlei en Knau kneep. 

Daar ben ik zelf even stil van. Ook al is volgens mijn moreel kompas het onder geweld doen bekennen, marteling en de doodstraf volstrekt onaanvaardbaar, ik begrijp de beul en ik begrijp wat hem drijft.

Sterker nog, ik vind Meester Frantz na 352 pagina’s zelfs helemaal geen onsympathiek mens.

Inferno

Op 12 maart van het vorige jaar schreef ik in “Cerca Trova“: In Florence heeft men achter een beschilderde muur van het Palazzo Vecchio mogelijk sporen aangetroffen van een verloren fresco van Leonardo da Vinci; De Slag van Anghiari. Het is een verhaal dat zo door Dan Brown zou kunnen zijn geschreven.

Dan Brown is een van mijn vele schrijvershelden. Ik volg hem op de voet. Zijn “Inferno” heb ik dan ook weken geleden al gereserveerd, want wat is er leuker dan zo’n boek op de dag van verschijnen al in handen te hebben? Wel, de ontdekking dat die twee woorden “Cerca Trova” een centraal thema vormen in Inferno!

Hij schreef weliswaar het verhaal over de ontdekking van Leonardo’s fresco niet, maar maakt “Cerca Trova” wel onderdeel van de nieuwe avonturen van Harvard-professor Robert Langdon.

Op het literaire vlak krijgt Dan Brown veel kritiek, maar bij veel critici krijg ik het idee dat ze met al te hoge verwachtingen een thriller hebben opengeslagen. Natuurlijk, de literaire snob in mij fronste ook heel even toen ze Dan Brown in haar favoriete boekwinkeltje schouder aan schouder zag liggen met de grote Dante. Ik heb haar gepaaid door hen allebei mee te nemen; Dante voor een literair hoogtepunt en Brown om mijn honger naar spannende verhalen te stillen.

Elck wat wils, zal ik maar zeggen.

Nu valt er ongetwijfeld ook wat af te dingen op Browns consequent gebruik van codes en (voornamelijk) religieuze symbolen en hij heeft in sommige kringen geen vrienden gemaakt met de manier waarop hij met bijvoorbeeld de Bijbel omsprong. De vraag is misschien ook wat er van de verhaallijn overblijft zou je al die mysterieuze gegevens weglaten.

Wie niet van stoffige colleges houdt zal professor Langdon en zijn uiteenzettingen waarschijnlijk minder waarderen, maar wat mij betreft máken ze het boek. Ze halen de vaart her en der uit het verhaal, maar zijn wel in character met de professor in zijn wollen Harris Tweed-jasje.

Ik heb het boek gelezen met mijn Ipad onder handbereik, de feitjes en beschrijvingen die me interesseerden kon ik zo meteen eens opzoeken. Dan Brown maakt geen half werk van zijn research en de zeldzame kleinigheden die niet kloppen dienen het verhaal. Ze hoeven ook niet zo zeer te kloppen met de werkelijkheid, Inferno heeft niet voor niets het onderschrift “a novel“, maar dat het allemaal zo gedegen in elkaar steekt is wat Inferno weer een echte gedegen “Dan Brown” maakt.

In Inferno brengt Dan Brown de dichter Dante Alighieri ten tonele. Diens bekendste werk is het ellenlange gedicht  La divina commedia en Brown spitst zich vooral toe op het eerste van de drie delen waar dit gedicht uit bestaat; Inferno, de Hel.

In plaats van de eeuwenoude complotten, waar Brown zo bekend mee werd, schotelt hij ons met zijn laatste pennenvrucht een uitermate modern probleem voor; onze enorme overbevolking. Daarbij verwijst hij heel kort nog even naar An Essay on the Principle of Population van de Engelse demograaf Robert Malthus. Malthus becijferde in 1798 de gevolgen van onze exponentiële bevolkingsgroei en de hongersnood, een Malthusiaanse catastrofe, die ons lot zal zijn wanneer we die niet in toom zouden houden.

Niets voor niets wordt in het boek een koppeling gelegd tussen de decimatie van de bevolking door de pest en de Renaissance, die daardoor kon opbloeien. De tegenspeler van Robert Langdon, een even geniale als gekke wetenschapper Bertrand Zobrist, vat het plan dan ook op de menselijke kudde uit te dunnen.  

Aan professor Langdon, uiteraard, om de wereld te redden. Zijn omzwervingen voeren ons mee, naar het Palazzo Vecchio, naar Venetië en Istanboel. De beschrijvingen van die steden en hun eigenaardigheden vind ik heerlijk. Kers op de taart, voor mij, zijn de bronzen hengsten van de Basiliek van San Marco. Onvoorstelbaar dat deze schoonheden door een kunstenaar uit de tweede eeuw gemaakt werden en zo voorstelbaar, dat ze gedurende hun lange geschiedenis zo veel gestolen werden.

 
 
 
I always try to choose the grey area and argue both sides,” aldus Dan Brown. “If I’ve done my job, you close this book saying ‘Oh my God, what an enormous problem, and there is no simple solution, and I kind of see Zobrist’s point.'”
 
Meneer Brown is, wat mij betreft, in zijn opzet geslaagd. Natuurlijk wil ik hier niets van de ontknoping verraden, ik zou graag willen dat u daar heerlijk onbevangen van geniet. Inferno is het lezen meer dan waard, maar geeft me ook zeker stof tot nadenken.



De legende van de Kapers

Na Batavia’s Graveyard ben ik direct in de volgende historische roman begonnen want o, wat houd ik toch van dit genre. Van De legende van de Kapers van Jane Johnson heb ik, zo mogelijk, nog meer genoten. Het boek speelt zich deels in het heden af en deels in de zeventiende eeuw, slechts drie jaar voordat de Batavia schipbreuk leed. In het raamwerk van een lekker weglezend hedendaags avontuur vertelt Johnson ons van de Barbarijse kapers.


Het boek
Op de avond dat de minnaar (en de man van een van haar beste vriendinnen) van Julia Lovat de relatie met haar verbreekt geeft hij haar een oud boek cadeau bij wijze van afscheidsgeschenk. Het is De trots van de naaldkunstenares en op het oog is het een boekje over borduurwerk. Tussen de regels ontdekt Julia echter het verhaal van Catherine Tregenna, die in het boek een dagboek heeft bijgehouden.

De jonge Catherine leefde in het Cornwall van de zeventiende eeuw en was een begenadigd borduurster. Zij kreeg De trots van de naaldkunstenares ook van een man, haar neef Robert aan wie ze, tegen haar zin, beloofd was. Op een zomerse zondagmorgen in 1625 woonde Catherine een kerkdienst bij en stormde er plots een groep Barbarijse zeerovers de kerk binnen. Zij ontvoerden de kerkgangers, zestig mensen in totaal, mannen, vrouwen en kinderen, en de kapers namen hen mee naar het Marokkaanse Salè om hen daar als slaven te verkopen.


Julia raakt geïntrigeerd door het verhaal van Catherine en reist, op zoek naar de afloop van dat verhaal, af naar Marokko. Michael ondertussen, heeft spijt van zijn gift en niets gaat hem te ver om het boek terug te krijgen.  

De legende van de kapers is een vlot geschreven boek, heerlijk spannend. Uit de beschrijvingen van het kleurrijke, exotische Marokko en haar inwoners, in het heden en tijdens de hoogtijdagen van de Barbarijse kapers, proef je de liefde voor het land bij de schrijfster. De welig tierende slavenhandel in die regio en het schrikbewind dat de Barbarijse kapers destijds over de Middellandse Zee voerden is een stuk onderbelichte geschiedenis, die door Jane Johnson virtuoos tot leven wordt gebracht.
Al sinds de kruistochten voeren kapers en zeerovers uit Marokkaanse havens als Salè uit om handelsschepen buit te maken, kustdorpen te overvallen en slaven te verkrijgen. De kusten van Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk, Ierland tot aan die van IJsland aan toe werden door de kapers “bezocht” en zo ook de eilanden van de Caraïbische zee. Ook Nederland deden ze aan. In totaal moeten ze meer dan een miljoen, vooral christelijke, slaven gemaakt hebben.

Dat is bijna weinig, als je het vergelijkt met bijvoorbeeld de naar schatting
elf miljoen Afrikanen die door de Engelsen, Fransen en Nederlanders onder erbarmelijke omstandigheden over de Atlantische Oceaan werden vervoerd. Ook de Arabische Afrikaanse slavenhandel was beduidend groter van schaal, die vanaf de zesde eeuw na Christus ergens tussen de vijftien en achtentwintig miljoen mensen moet hebben betroffen. Nochtans vind ik het verwonderlijk hoe de Barbarijse slaven bijna vergeten lijken te zijn.


Onder de Barbarijse kapers bevonden zich na het midden van de zestiende eeuw ook veel Europeanen, veelal renegaten en onder deze renegaten bevonden zich tientallen Nederlanders. Zo was er Suleyman Reis, die eigenlijk Ivan Dirkie De Veenboer heette, en diens rechterhand Jan Janszoon (de de naam Murad Reis aannam). Een andere bekende is Simon de Danser, die in tegenstelling tot De Veenboer weigerde zich tot de islam te bekeren en daarom de bijnaam “Kapitein Duivel” kreeg.


Een van Nederlands zeehelden, Michiel de Ruyter, ging tussen 1661 en 1663 het conflict aan met de Barbarijse zeerovers en hij wist hen een verdrag af te dwingen. Dat verdrag was echter geen lang leven beschoren. Het duurde tot na de napoleontische oorlogen eer men een einde wiste te maken aan de Barbarijse kaperactiviteiten. De Britse marine bombardeerde in 1816 samen met zes Nederlandse schepen een van de laatste kapersnesten, Algiers. Nadat Frankrijk het gebied in 1830 bezette kregen de kapers eenvoudig weg de gelegenheid niet meer zich opnieuw te organiseren.
Sindsdien zijn ze geschiedenis, die Barbarijse kapers.

Pompeii

Ziek thuis, ik heb het weer eens benauwd, en ben dus tijdelijk even tot vervelens toe aan huis gebonden. Lezen is op dit moment dan ook mijn voornaamste activiteit, met als bijkomstig voordeel dat ik daar niet van buiten adem raak. Gelukkig stonden er nog nieuwe titels naar me te lonken in de boekenkast.

Zo ook Pompeii van Mary Beard. Pompeii, de door een uitbarsting van de vulkaan Vesuvius midden in het leven bedolven en dus geconserveerde Romeinse stad, heeft mijn interesse al sinds ik een jong meisje was. In een boek over archeologie kwam ik een foto tegen van een afgietsel in gips van de overblijfselen van een van de vele waakhonden die de stad rijk was. Het dier ligt krampachtig in een bocht gewrongen, bewaard in zijn doodsstrijd. Het is een indringend beeld, net zoals dat van de man wier gipsen afdruk nog altijd laat zien hoe hij op het moment van zijn sterven zijn gezicht in zijn handen verborg. Pompeii is nooit een obsessie voor me geworden zoals Rennes-le-Château dat is, maar het staat zeker wel op de lijst van plaatsen die ik bezocht wil hebben.

Het boek Pompeii heeft ook nog eens een prachtig jasje aan en is met zorg samengesteld. Tientallen figuren en afbeeldingen illusteren het verhaal, wat zeker een prettige bijkomstigheid is wanneer Beard vertelt over de indeling van de huizen. Mary Beard, gerespecteerd hoogleraar klassieke geschiedenis te Cambridge, gaat gedegen te werk.

Ze begint haar verhaal door haar lezer aan een aantal inwoners van Pompeii voor te stellen en neemt ons mee naar de vroege ochtend van 25 augustus anno domini 79. Vesuvius barstte de dag ervoor uit en op het moment dat Pompeii een aanvang neemt zien de Pompeiianen een kansje de stad te ontvluchten als de regen van as en puimsteen even afneemt.

Aan de hand van de spulletjes die ze bij zich droegen en hoe hun resten uiteindelijk zijn aangetroffen rechercheert Beard terug in de tijd naar hun vluchtwegen en hun hoop het vege lijf te redden. Dat maakt de anonieme gipsfiguren uit het Pompeiiaanse straatbeeld ontstellend menselijk; de wanhoop die spreekt uit de enkele sleutel en de olielamp die een stel op hun vlucht meenam spreekt van de hoop ooit naar huis en haard terug te keren. In een achterkamer van een van de huizen vonden twaalf mensen de dood. Hun reden niet te vluchten moet een van de leden van hun gezelschap geweest zijn, een jonge vrouw die hoogzwanger was. De kleine botjes van haar kind lagen nog in haar schoot.

Beard gaat verder dan de ramp en haar slachtoffers alleen. Ze neemt ons verder mee, op een tocht langs de huizen, hun mozaïeken en muurschilderingen, de graffiti op hun muren. Waar nodig maant ze ons door de hedendaagse restauraties te kijken, zeker waar de oude huizen opnieuw zijn opgebouwd nadat de geallieerden Pompeii in 1943 bombardeerden. Ze wijst ons de vele archeologische vondsten, rijkt ons af en toe een stukje klassieke literatuur aan en vertelt over het leven van alledag in Pompeii. Ondertussen hanteert ze een prettige verhalende schrijfstijl. Ze bewaart netjes haar objectiviteit wanneer wetenschappelijke meningen uiteen lopen en achterhaalt menige mythe. Niet alleen met moderne wetenschappers is Beard het overigens somtijds oneens, ook met Plinius de Jongere verschilt zij respectvol van mening waar het om de datum van de uitbarsting gaat. Als die, zoals Plinius beweert, werkelijk plaats had in augustus, waarom werden er dan zo veel restanten van herfstfruit en warme wollen kleding aangetroffen?

Ze gaat ook heel systematisch te werk. Het leven op straat, dagelijkse werkzaamheden, het stadsbestuur en de baden, alles komt aan bod in overzichtelijke hoofdstukken. Ook de Pompeiianen zelf leren we kennen, hoe ze woonden, wat ze aten en dronken, hun seksuele mores, hoe ze aan de kost kwamen; niets ontsnapt aan het oplettend oog van Mary Beard.

De opgravingen in Pompeii gaan nog altijd door, eenderde van de stad ligt nog bedolven. Ondertussen sterft het gedeelte van de stad dat al is opgegraven een tweede dood; de wandschilderingen die niet van hun muren zijn afgebikt om in musea te worden tentoongesteld vervagen. De oude muren zelf raken in verval. Reden te meer, tesamen met het enthousiasmerende verhaal van Mary Beard, om er zelf eens een kijkje te gaan nemen.

Viking

Dat uitgerekend Odin de Reiziger zijn opwachting maakt in het epische verhaal “Viking” van de hand van Tim Severin is geen verrassend gegeven, zeker wanneer je weet dat de man behalve schrijver ook ontdekkingsreiziger is. Zo nam hij deel aan de Marco Polo Expeditie en reed daarbij op een motorfiets van Oxford naar Venetië, India en Afghanistan. Ook zeilde hij in een ossenleren sloep van Ierland naar Amerika. Gewoon, om eens te zien of de Reis van Sint-Brandaan op waarheid zou kunnen berusten. Hij reed zelfs te paard in de voetsporen van de eerste Kruisvaarders. Nu hij zich dan eindelijk aan het schrijven van fictie waagt leggen die ervaringen hem bepaald geen windeieren.

De reis van hoofdpersoon Thorgils Leifsson begint al in zijn kinderjaren. We maken kennis met hem in het eerste deel van Severins trilogie, Odinn’s Child. Het jaar is 1001 en de jonge Thorgils moet het in zijn kleuterjaren al zonder zijn ouders stellen; zijn moeder Thorgunna komt te overlijden en zijn vader, Leif de Gelukkige, wil niets van zijn bastaardzoon weten. Verschillende mensen nemen hem beurtelings onder hun hoede, brengen hem de oude Noordse religie bij en waarschuwen hem voor de in opkomst zijnde Christus. Hij gaat mee op een expeditie van zijn tante Guðrid, die een nieuwe nederzetting in Vinland beoogt te beginnen.

De aandacht die Severin heeft voor de geschiedenis, de feiten die hij in zijn verhalen weet te verweven en zijn beschrijvingen van het Noordse leven van alledag maken dat het verhaal helemaal tot leven komt.

De lust tot reizen zit Thorgils in het bloed, net als de gave flarden van de toekomst te kunnen zien. Deze helderziendheid, “second sight”, wordt ook aan bijvoorbeeld Merlijn toegeschreven en komt veelvuldig voor in de Keltische en Noordse saga’s. De wijze Odin wordt met deze gave in verband gebracht. Odin, altijd onder de mensen in zijn reizigersgedaante om nieuwe kennis op te doen, offerde een van zijn ogen op om van de bron van wijsheid te mogen drinken. De god weet dat Ragnarök, de catastrofale eindstrijd en uiteindelijk zelfs ondergang van de goden en de wereld, onvermijdelijk is. Al wat hij kan doen is Ragnarök uitstellen. Thorgils wordt een ware Odin-adept, wat niet zonder risico is aangezien de god zijn volgelingen niet altijd even gunstig gezind is.

Wanneer de kolonie van zijn tante na een bloedbad achtergelaten wordt, waarmee de kolonisatie van Noord-Amerika definitief een mislukking genoemd mag worden, belandt hij in IJsland en raakt hij betrokken bij een vete tussen twee families. Wanneer hij tijdens verdere omzwervingen in Ierland terechtkomt raakt hij nog meer in de problemen en wordt gevangen genomen, om vervolgens als slaaf verkocht te worden. Zijn nieuwe meester leent hem als lijfeigene uit aan een klooster, waar men zijn bovenmatige intelligentie en talenknobbel ontdekt. Thorgils ontmoet zijn eerste liefde en deze loopt dramatisch af, waarna hij zich genoodzaakt ziet het klooster te ontvluchten. Daarbij steelt hij een paar halfedelstenen, die hij loswrikt van de omslag van een van de waardevolle boeken uit de kloosterbibliotheek. Dat komt hem duur te staan…

Severin vat de avonturen van de reislustige Thorgils in een raamwerk van correspondentie tussen een monnik en zijn abt, waarbij de monnik bericht van de ontdekking van de geschriften van Thorgils, die deze op zijn oude dag in een kloosterbibliotheek verstopte.

In het tweede deel vergaat het leven de inmiddels negentienjarige Thorgils niet minder tumultueus. Hij gaat in de leer bij een bard en raakt verzeild aan het hof van koning Knut. Daar valt hij voor de charmes van koningin Aelfgifu en een dergelijke affaire blijft natuurlijk niet lang ongestraft. Thorgils heeft behalve een rusteloze aard ook het talent zichzelf met de beste bedoelingen in de nesten te werken en opnieuw moet hij op de vlucht. Hij sluit zich aan bij de Jomsvikings, ooit een berucht gezelschap dat inmiddels haar nadagen beleeft.

Thorgils ontmoet de vogelvrije Grettir, met wie hij een vriendschap en uiteindelijk zelfs een bloedbroederschap sluit. Grettir, sterk als een paard, vervalt nogal eens in gewelddadigheden en is daarom vogelvrij verklaard. Hij staat buiten de wet, hoeft nergens op onderdak te rekenen en ieder die dat zint mag hem ongestraft naar het leven staan. Tijdens hun ballingschap haalt Grettirs lot hem in en wordt hij om het leven gebracht. Thorgils heeft zijn vriend beloofd na diens dood te gaan doen wat voor Grettir onmogelijk was; reizen. Hun vriendschap duurt zo tot voorbij de dood voort en in nagedachtenis van zijn bloedbroeder reist Thorgils naar Byzantium. In Constantinopel is Thorgils uiteindelijk getuige van hoe Grettir gewroken wordt.

We schrijven inmiddels 1035 en Thorgils verblijft nog altijd te Constantinopel. Hij heeft dienst genomen bij de Varangiaanse Wacht, een Byzantijns keurkorps dat uit Noren, Normandiërs en Franken bestond. Dat geeft Severin de gelegenheid ons te trakteren op de intriges van het keizerlijk hof en dat doet hij met verve.

Harald Sigurdsson maakt zijn entree, een meedogenloos krijgsheer die in het oude Byzantium zijn fortuin probeert te maken, waarmee hij zijn claim op de troon van Noorwegen kracht bij hoopt te zetten. Arabische piraten maken het de Byzantijnse vloot moeilijk en het is aan de Vikingen daar een einde aan te maken. Dat lukt en Harald keert met goud beladen terug naar Noorwegen, waar hij zijn troon voor zich weet te winnen. Thorgils, die de kerverse Noorse koning trouw heeft gezworen, wordt diens adviseur. Zijn terugkeer naar Noorwegen doet Thorgils’ geloof in Odin opleven en het wordt hem pijnlijk duidelijk hoe de opkomst van het Christendom de oude religie bedreigt. Hij neemt zich voor alles in het werk te stellen zijn vikingerfenis veilig te stellen.

In 1066 zeilt Harald met een invasiemacht naar Engeland, de troon van Noorwegen is hem niet genoeg en hij heeft zijn zinnen inmiddels ook op die van Engeland gezet. In de aanloop naar deze veldtocht heeft hij zijn raadsheer Thorgils op een geheime missie gestuurd, om een pact te sluiten met Willem de Bastaard, die later als Willem de Veroveraar de annalen in zal gaan. Thorgils, die zich daartoe als monnik vermomt, weet de hertog te bereiken. Het plan is om gelijk op te trekken naar Engeland en het land, nadat het veroverd is, te verdelen tussen Harald en Willem.

Thorgils voorziet in een droom het verraad van hertog Willem en begint een race tegen de klok om zijn koning op tijd te waarschuwen. Dat is het begin van een geweldige climax, de Slag bij Hastings.

Thorgils omzwervingen zijn een Sint-Brandaan waardig. Severin doet eer aan de oude saga’s zoals Grettir’s Saga en het verhaal van Erik de Rode (Eiríks saga rauða) waarin Thorgils summier genoemd wordt en timmerde een spannend epos in elkaar. Moed, liefde, verraad, eer, hebzucht, wreedheid, bijgeloof, het vertrouwen in onbetrouwbare goden, loyaliteit en onversneden lef maken de personages, de historische figuren in het bijzonder, levensecht.

Een minpunt; het verhaal is me zeker nog een paar honderd bladzijden te kort.