Christina Rossetti

Op 5 december 1830 kwam Christina Georgina Rossetti ter wereld, de vrouw die we nu rekenen tot de grote Engelse mystieke dichters en die in een adem genoemd wordt met andere grootheden als John Donne en William Blake. Ze was de jongste telg van het gezin Rossetti. Haar vader was Gabriele Rossetti, een Italiaanse dichter en politiek vluchteling die vanuit Napels naar het Engelse Londen was geëmigreerd, en Frances Polidori. Gabriele Rossetti vond in Londen werk als leraar Italiaans en werd in 1831 professor aan het King’s College London.

Het gezin Rossetti stond werkelijk waar bol van het kunstzinnig talent. De twee zoons waren dichter en kunstschilder Dante Gabriel Rossetti en de schrijver en kunstcriticus William Michael Rossetti en de oudste dochter was schrijfster Maria Francesca Rossetti.

De jonge Christina was een levendig kind met een rijke fantasie, dat door haar ouders thuis onderwezen werd. Daar maakten vader en moeder Rossetti buitengewoon veel werk van; zij brachten haar in aanraking met sprookjes, religieuze werken, de klassieken en de Engelse en Italiaanse literatuur. Huize Rossetti werd daarnaast druk bezocht door Italiaanse kunstenaars, dissidenten en geleerden.

In de jaren na 1840 werd vader Rossetti ernstig ziek, hij leed aan chronische bronchitis, geraakte blind en zakte weg in een diepe depressie. Hij raakte zijn werk als professor kwijt en daardoor kwam het gezin Rossetti financieel in de problemen. Om niet aan de bedelstaf te raken ging Frances Polidori aan het werk als lerares en Maria Francesca werd gouvernante. Op veertienjarige leeftijd kreeg Christina een zenuwinzinking en ze zou de rest van haar leven met regelmaat te lijden hebben van depressies. In die jaren kwamen Frances, Maria Francesca en Christina in aanraking met de Anglicaanse kerk en die religieuze overtuiging zou een grote rol in hun levens blijven spelen.

In 1842 schreef Christina Rossetti haar eerste gedichten en in 1848 publiceerde ze op achttienjarige leeftijd haar “Death’s Chill Between” en “Heart’s Chill Between”. Veel van haar vroege werk is diepreligieus en wat zwaarmoedig en heeft sombere thema’s als de dood en het verlies van een geliefde. In 1850 publiceerde ze, onder het pseudoniem Ellen Alleyne in het literaire blad “The Germ” van het genootschap van de prerafaëlieten, Pre-Raphaelite Brotherhood en daarmee nam haar carrière als dichter een vlucht.

Drie mannen vroegen om haar hand, met twee van hen verloofde ze zich maar ze verbrak beide keren ook de verloving weer. De eerste, schilder James Collinson, bekeerde zich tot het katholicisme en dat was reden voor de jonge Christina hun verloving verbreken. Ook de verloving met haar tweede verloofde verbrak ze om religieuze redenen.

Christina Rossetti had een grote vriendenkring en was sociaal geëngageerd. Ze was gekant tegen de slavernij, tegen wreedheid jegens dieren en maakte zich hard tegen de seksuele uitbuiting van meisjes. Van 1859 tot 1870 werkte ze als vrijwilliger in het St. Mary Magdalene “house of charity” in Highgate, een opvanghuis voor voormalige prostituees.

In 1862 verscheen de bundel Goblin Market and Other Poems. Deze bundel met gedichten werd geloofd en gelauwerd en maakte Christina Georgina Rossetti de meest gevierde dichteres van haar tijd. Men vond in haar een waardig opvolger van de in 1861 overleden Elizabeth Barrett Browning.

Tien jaar na de verschijning van Goblin Market and Other Poems, in 1872, bleek Christina Rossetti te lijden aan de ziekte van Graves, een auto-immuunziekte. In 1893 werd er borstkanker bij haar ontdekt, waaraan ze werd geopereerd. Met weinig succes, de tumor kwam in 1894 terug en in september dat jaar liet Christina Georgina Rossetti het leven.

Christina Georgina Rossetti is een van mijn Grote Vrouwen.

Goblin Market

Goblin Market is het beroemdste gedicht van Christina Rossetti. Het bestaat uit niet minder dan 567 onregelmatig rijmende versregels en met dit gedicht vertelt Rossetti ons het verhaal van de zussen Laura en Lizzie.

Elke ochtend en elke avond horen Laura en Lizzie kobolden, die fruit verkopen, hun waar aanprijzen. De kobolden bezingen de heerlijkste vruchten en uiteindelijk bezwijkt de jonge Laura aan de verleiding een eet van het koboldenfruit. Daarna hongert Laura naar meer, maar is doof voor de kobolden. Ze hoort hen hun waar niet meer aanprijzen en kwijnt letterlijk weg van verlangen naar wat ze nooit meer zal kunnen krijgen.

Lizzie ziet haar zusje verkommeren en probeert haar te helpen. Wat ze ook doet, niets helpt, en uiteindelijk gaat zij op haar beurt naar de kobolden om koboldenfruit. Ze betaalt hen en houdt haar schort op, zodat het fruit niet ook haar vergiftigen kan, waarop de kobolden in woede ontsteken. Ze proberen Lizzie te dwingen van het fruit te eten en proberen het in haar mond te steken – maar Lizzie weerstaat hen en de verleidelijke vruchten. Met een gezicht dat druipt van het vruchtensap en pulp spoedt ze zich huiswaarts, waar ze Laura vraagt haar te kussen. Laura kust het sap en de pulp van haar mond en wordt zo genezen.

Goblin Market is op velerlei manieren uit te leggen, het zou een allegorie kunnen zijn over verleiding en verlossing, het zou een verbloemd commentaar kunnen zijn op de rolpatronen uit de Victoriaanse tijd en Christina Rossetti zou zich zelfs hebben kunnen laten inspireren door de gevallen vrouwen van St. Mary Magdalene.

Voor mij niets van dat al. Voor mij is Goblin Market altijd een symbool geweest van de onvoorwaardelijke liefde tussen twee zussen, die voor elkaar door het vuur gaan. No matter what.

Want zo’n zus heb ik. *trots*

For there is no friend like a sister
In calm or stormy weather;
To cheer one on the tedious way,
To fetch one if one goes astray,
To lift one if one totters down,
To strengthen whilst one stands.






Week van Kinderen Veilig

Vandaag is de aftrap van de Week van Kinderen Veilig. Mag ik u deze even warm aanbevelen?

Tijdens deze week staat het thema kindermishandeling centraal. Aandacht voor dit fenomeen is bittere noodzaak: Jaarlijks worden alleen in Nederland 119.000 kinderen mishandeld. Fysiek en seksueel geweld, emotionele en fysieke verwaarlozing, het getuige zijn van huiselijk geweld en de gevolgen van vechtscheidingen zijn allemaal vormen van kindermishandeling, en gemiddeld is een kind per klas er slachtoffer van.

De Week van Kinderen Veilig is een initiatief van de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik. De Week vindt plaats rondom 20 november, de internationale Dag van de Rechten van het kind. In het hele land worden activiteiten georganiseerd die kindermishandeling en het seksueel misbruik van kinderen als thema hebben. Hoe herken je het, hoe meld je en hoe doe je het stoppen.

Voor de meeste activiteiten moet u zich van tevoren even aanmelden. Kijk dus even op de site.

De Taskforce doet een maatschappelijk appel op ons allemaal om sámen elke vorm van kindermishandeling en seksueel misbruik te stoppen. Het is een zaak die ons allemaal aangaat; ouders, familie, buren, leerkrachten, zorg- en hulpverleners, politieagenten, iedereen.

Het Erasmus MC-Sophia en de Gemeente Rotterdam houden een bijzondere actie in Rotterdam, daar krijgen alle groep 4 basisschoolleerlingen van Rotterdam het leesboek ‘Ik ben de Sterkste’. Het boek werd speciaal ontwikkeld voor basisschoolleerlingen met als doel hen weerbaarder maken en hen te leren onveilige situaties te herkennen. Ook een aanrader!

Week van de Alfabetisering

Feiten & Cijfers 2014

Wist u dat vandaag de Week van de Alfabetisering is begonnen? Nee? Dan weet u dat nu.

Nederland telt, naar schatting, 250.000 mensen die niet kunnen lezen of schrijven. Dat is 1,5% van de bevolking. Daarnaast zijn er 1,3 miljoen laaggeletterden, die wel losse woorden kunnen lezen maar een wat langere tekst niet kunnen behapstukken. Laaggeletterdheid kost de maatschappij 556 miljoen euro per jaar. Wat u daarbij wellicht niet zult verwachten is dat twee derde van die 1,3 miljoen laaggeletterden van Nederlandse afkomst is. Tien procent van onze 15-jarigen is een zogeheten zwakke lezer.

Nu verbaas ik me inderdaad geregeld over de geringe woordenschat van vooral de jeugdigen om me heen. Dat is een handicap, want bijna alles van waarde wordt overgedragen middels het geschreven woord. Niet alleen de literatuur, maar de wetenschap, het recht, de filosofie, de geschiedenis – noem ze allemaal maar op.

Niet kunnen lezen. Mijn hemel wat lijkt me dat vreselijk, voor mij is lezen bijna net zo belangrijk als ademhalen. Ik zou niet zonder kunnen. Ik heb zelfs moeite me dat voor te stellen, helemaal niet kunnen lezen. Hoe moeilijk moet het leven zijn wanneer je niet kunt lezen wat er in een contract staat, in een huurovereenkomst, een partijprogramma, een bijsluiter van medicijnen of zelfs op een straatnaambord?

Kinderen en jongeren die veel jeugdliteratuur lezen belanden zelfs hoger op de maatschappelijke ladder dan hun niet-lezende evenknieën. Mevrouw Suzanne Mol keek naar niet minder dan 146 internationale, wetenschappelijke studies over meer dan 10.000 kinderen en studenten van 2 tot 22 jaar. Wat bleek? De boekenlezers scoren hoger op taal- en leesvaardigheid, schoolsucces en intelligentie.

Wilt u meer weten? Of misschien zelfs wat doen? Neem dan eens een kijkje bij de Stichting Lezen & Schrijven.

De Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry, dat vind ik nog altijd het mooiste kinderboek ooit geschreven. Wat was uw favoriet?

Elizabeth Barrett Browning

Op 29 juni 1861 blies Elizabeth Barrett Browning haar laatste adem uit. Ze was een van de grootste dichters uit de Victoriaanse tijd, bewonderd door Edgar Allen Poe en Alfred, Lord Tennyson. Abolitioniste, feministe en een van mijn heldinnen, mijn Grote Vrouwen.

Jeugd

Elizabeth Barrett werd op 6 maart 1806 geboren in Ledbury. Ze groeide in rijkdom op, de streng christelijke familie Barrett had een fortuin vergaard op de suikerplantages van Jamaica. Ze genoot thuisonderwijs en benijdde haar broers die wel naar school mochten, omdat ze jongens waren.

Ze was een wonderkind, haar eerste gedicht, On the Cruelty of Forcement to Man, componeerde ze al toen ze zes of acht jaar oud was. Ze leerde Grieks op haar tiende en raakte verslingerd aan de klassieken. Toen ze veertien jaar was schreef ze The Battle of Marathon en haar vader Edward Moulton Barrett liet dit gedicht in eigen beheer drukken. Op haar vijftiende geraakte Elizabeth ziek, ze leed aan hoofd- en rugpijnen die haar de rest van haar leven zouden achtervolgen. Ze gebruikte laudanum tegen de pijn.

Een jaar later schreef Elizabeth An Essay on Mind, een lang filosofisch gedicht, dat aanleiding gaf tot de publicatie van haar eerste dichtbundel: An Essay on Mind and Other Poems.

Tijdens de dertiger jaren van haar eeuw ontmoette Elizabeth dankzij haar neef John Kenyon verschillende literaire grootheden; William Wordsworth, Mary Russell Mitford, Samuel Taylor Coleridge en Alfred, Lord Tennyson.

Later leven en de liefde  

In 1833 vertaalde ze de Griekse tragedie Prometheus Geboeid van Aischylos in het Engels. Vader Edward Browning moet de afschaffing van de slavernij in datzelfde jaar met lede ogen aangezien hebben. Financieel had hij daaronder te lijden en hij zag zich genoodzaakt eerst naar Sidmouth en later naar Londen te verhuizen. Elizabeth was juist fel gekant tegen de slavernij.

In 1838 verschijnt de eerste ‘volwassen’ dichtbundel The Seraphim and Other Poems van Elizabeths hand. Haar gezondheid ging verder achteruit, waarschijnlijk kreeg ze ook nog eens tuberculose. Nadat een van haar broers bij een zeilongeluk omkwam kwam ze haar slaapkamer een poos zelfs niet meer uit.

Tussen 1841 en 1844 schreef Elizabeth als een bezetene. Ze schreef ettelijke gedichten, vertaalde meerdere werken en schreef proza. The Cry of the Children verscheen in 1843 en Poems in 1844. Daarnaast maakte ze zich hard tegen de slavernij en kinderarbeid. Elizabeths ster was rijzende en ze kreeg almaar meer naamsbekendheid.

In die tijd ontmoette ze Robert Browning, schrijver en bewonderaar van haar werk. Hij was zes jaar jonger dan zij. Ze schreven met elkaar, van het een kwam het ander en ze raakten verliefd. In die tijd schreef Elizabeth Browning haar prachtige Sonnets from the Portuguese

Een van mijn favorieten doe ik u vandaag cadeau:

XXIV
Let the world’s sharpness like a clasping knife
Shut in upon itself and do no harm
In this close hand of Love, now soft and warm,
And let us hear no sound of human strife
After the click of the shutting. Life to life –
I lean upon thee, Dear, without alarm,
And feel as safe as guarded by a charm
Against the stab of worldlings, who if rife
Are weak to injure. Very whitely still
The lilies of our lives may reassure
Their blossoms from their roots, accessible
Alone to heavenly dews that drop not fewer;
Growing straight, out of man’s reach, on the hill.
God only, who made us rich, can make us poor.



Ze trouwden in het geheim, omdat Elizabeth dacht dat haar vader die verbintenis zou afkeuren. Dat deed hij inderdaad en hij onterfde Elizabeth toen hij er eenmaal van hoorde. Dat stond de liefde tussen Elizabeth en haar Robert echter niet in de weg en het stel verhuisde in 1846 naar Italië.

Ze betrokken een herenhuis, Casa Guidi, in Florence. Het huis staat er nog en is nu een museum. Elizabeth schreef daar Casa Guidi Windows, dat politiek getint is en waarbij ze beïnvloed werd door de Italiaanse eenwordingsstrijd. Ze kregen in 1849 een zoon Robert Barrett Browning, ze noemden hem “Pen”.

Robert en Elizabeth ontmoetten in 1953 Harriet Hosmer in Rome. Kort na die ontmoeting vroeg Hosmer het stel of zij een beeltenis van hun handen maken mocht. Op voorwaarde dat de beeldhouwster in eigen persoon een afgietsel zou maken gingen ze akkoord. Harriet Hosmer vereeuwigde hun handen in brons.

Aurora Leigh

In 1856 verscheen Aurora Leigh, het absolute hoogtepunt van Elizabeths schrijverschap en haar meest ambitieuze onderneming. Het is een episch gedicht, een roman in verzen, een verhaal in lagen en feministisch bovendien. Het laat ons kennismaken met Aurora Leigh, die ons vertelt over haar lotgevallen en omzwervingen. Het idee de heldin van het verhaal haar eigen verhaal te laten vertellen was een literair novum. Aurora vertelt hoe ze op jonge leeftijd haar eerst haar moeder en dan haar vader verliest, waarna ze bij haar vaders kille en harteloze zus komt te wonen. Ze vertelt over haar ontmoeting met haar neef, Romney Leigh, met wie ze hartgrondig van mening verschilt over de “roeping” van vrouwen en hun plaats in de maatschappij en het belang van de schone kunsten. Romney meent dat vrouwen helemaal geen poëzie van belang kunnen schrijven, daar hebben ze het talent niet voor. Ze wijst zijn huwelijksaanzoek af en verkiest een leven alleen, als schrijfster – met met succes.

Voor de romantici onder u, het komt ook weer goed hoor tussen Aurora en Romney. 

Dood

Elizabeth Barrett Browning tobde haar hele leven met haar gezondheid. Ze stierf op 55-jarige leeftijd in de armen van haar grote liefde Robert Browning, met een glimlach op haar gezicht.
Het laatste wat ze zei was “Beautiful”.

XLIII
How do I love thee? Let me count the ways.
I love thee to the depth and breadth and height
My soul can reach, when feeling out of sight
For the ends of Being and ideal Grace.
I love thee to the level of everyday’s
Most quiet need, by sun and candle-light.
I love thee freely, as men strive for Right;
I love thee purely, as they turn from Praise.
I love thee with the passion put to use
In my old griefs, and with my childhood’s faith.
I love thee with a love I seemed to lose
With my lost saints,—I love thee with the breath,
Smiles, tears, of all my life!—and, if God choose,
I shall but love thee better after death. 

Bertha von Suttner

Op 9 juni 1843 kwam Bertha Sophie Felicitas barones von Suttner, geboren gravin Kinsky von Wchinitz und Tettau in Praag ter wereld. Ze was een telg uit een Boheemse adellijke familie. Haar vader, een generaal, stierf nog voor ze geboren werd. Ze groeide op in een aristocratisch milieu. Omdat ze een meisje was mocht ze niet studeren, wel werd ze door privéleraren onderwezen in meerdere talen en muziek.

Bertha’s moeder was een onverbeterlijk gokker, die het fortuin van de generaal kwijtspeelde. De jonge Bertha ambieerde een poos een carrière als operazangeres, maar had daar niet genoeg talent voor. Huwelijkskandidaten meldden zich niet, niet in het minst omdat Bertha’s erfenis door haar moeder vergokt was. In 1873 nam Bertha daarom een betrekking als gouvernante aan. Zo kwam ze terecht in het gezin van industrieel en baron Karl Gundacar Freiherr von Suttner, waar ze de dochters des huizes op haar beurt lessen gaf in taal en muziek. Bertha, toen 30 jaar oud, raakte smoorverliefd op de 23-jarige zoon van haar werkgever, Arthur von Suttner. De gevoelens waren wederzijds, hetgeen het schandaal wel compleet maakte, en Bertha werd daarom onmiddellijk ontslagen.

Ze zocht haar heil in Parijs. Daar werd ze de privé-secretaresse van niemand minder dan Alfred Nobel, waar ze de rest van zijn leven mee bevriend zou blijven. De liefde voor Arthur bleef echter en ze keerde spoorslags terug naar Wenen toen Arthur haar in een brief liet weten niet zonder haar te kunnen leven. In 1876 trouwden Bertha en Arthur, in het geheim want hun beider families waren erg op deze verbintenis tegen. Arthur werd onterft.

Op uitnodiging van prinses Ekatarina, een oude vriendin van Bertha’s gokverslaafde moeder, reisden Bertha en Arthur af naar Georgië. Beide echtelieden gaven les en begonnen journalistiek werk te doen. Ze versloegen de Russisch-Turkse oorlog.

‘Die Waffen Nieder’

De verschrikkingen die Bertha tijdens die oorlog zag maakten een intense indruk op haar en vervulden haar met afschuw. Ze inspireerden haar tot het schrijven van een boek: ‘Die Waffen Nieder’. De roman was een trendbreuk met de manier waarop voordien over de oorlog geschreven werd; met de nadruk op heldenmoed en -verering, trots militarisme en vaderlandsliefde. In ‘Die Waffen Nieder’ werden juist de verschrikkingen van al dat bloedvergieten onverbloemd en realistisch beschreven en dan ook nog uit het oogpunt van een soldatenvrouw, die een eerste en zelfs een tweede echtgenoot in de oorlog verliest.

“In de buurt van de kanonnen liggen de doden, de halfdoden en de dode paarden door elkaar. Letterlijk kapotgeschoten. Je ziet halfdoden overeind krabbelen – voor zover ze nog voeten hebben – en weer neervallen en opnieuw overeind komen, totdat ze alleen nog hun hoofd kunnen opheffen om hun van pijn vervulde doodskreten te slaken.”

Bertha had daardoor zelfs moeite het boek uitgegeven te krijgen. Toen het boek in 1889 eindelijk gepubliceerd werd was het direct een eclatant succes. Honderdduizenden exemplaren gingen over de toonbank en het werk werd in zestien talen vertaald. Het boek was van meet af aan ook erg omstreden en het bracht Bertha zowel lof als hoon – en internationale bekendheid. Bertha werd “Friedens-Furie”

Tolstoi noemde haar boek ‘Die Waffen Nieder’ “net zo belangrijk voor de vredesbeweging als De hut van oom Tom voor de afschaffing van de slavernij”.

In dezelfde tijd dat ‘Die Waffen Nieder’ uitkwam richtte Arthur von Suttner een vereniging op tegen het antisemitisme. Bertha steunde hem daarin, hetgeen haar ook nog eens op de bijnaam “Juden-Bertha” kwam te staan.

In 1885 keerde het stel terug naar Wenen, waar ze zich met de familie Von Suttner wisten te verzoenen.

Vredesactiviste

Bertha von Suttner ontpopte zich als een bevlogen en onvermoeibaar vredesactiviste. Ze schreef artikelen, hield lezingen, initieerde vredescongressen en richtte een aantal vredesbewegingen op. Ze maakte zich hard voor vrouwenrechten, gelijke sociale en politieke rechten en meer democratie. Ze was een van de voornaamste pleitbezorgers voor een internationaal Hof van Arbitrage, dat in 1899 tijdens de Eerste Vredesconferentie in Den Haag ook daadwerkelijk werd opgericht. 
Omdat Bertha von Suttner een vrouw was mocht zij overigens niet lijfelijk niet aan die conferentie deelnemen. Ze liet zich echter niet op haar kop zitten en organiseerde gevoeglijk haar eigen bijeenkomst in het Kurhaus, die werd bijgewoond door een schare journalisten, politici en pacifisten. 
Onder haar bewonderaars waren Andrew Carnegie en Alfred Nobel. Bertha von Suttner inspireerde Alfred Nobel de Nobelprijs voor de Vrede in te stellen, die zij op 10 december 1905 zelfs zelf mocht ontvangen. Ze was de eerste vrouw die deze eer te beurt viel. Andrew Carnegie, staalmagnaat en filantroop, schonk het geld voor de bouw van het Vredespaleis, waar het Permanent Hof van Arbitrage en het Internationaal Gerechtshof van de Verenigde Naties zijn ondergebracht. 

In 1902 overleed Arthur na een ziekbed. Bertha bleef strijdbaar, ze bleef artikelen publiceren en woonde in 1904 Internationale Vrouwenconferentie in Berlijn bij en de wereldvredesconferentie in Boston. In Amerika werd ze door president Roosevelt op het Witte Huis ontvangen.

In 1907 bezocht ze de tweede vredesconferentie in Den Haag, waar ze probeerde te wijzen op de gevaren van internationale bewapening en de bemoeienis van de wapenindustrie.

Bertha von Suttner overleed in Wenen op 21 juni 1914, zeventig jaar oud. Op 28 juli dat jaar brak de Eerste Wereldoorlog uit.

“Merkwürdig, wie blind die Menschen sind! Die Folterkammern des finsteren Mittelalters flößen ihnen Abscheu ein; auf ihre Arsenale aber sind sie stolz.”

Oorlog en vrede

“Mensen zijn niet geschapen voor oorlog. Mensen zijn geschapen voor vrede.”

Mooie woorden van de Rotterdamse burgervader vandaag, tijdens de herdenking bij het Nationaal Koopvaardijmonument De Boeg. Het is een van de mooiste monumenten in de stad, vind ik. De bijna vijftig meter hoge boeg die golven van gewapend beton doorklieft, met aan haar voet een bronzen beeldengroep. Een roerganger, drie zeelieden en een verdronkene, die verstild met een kabel aan elkaar en aan de boeg zijn verbonden. De kolossale scheepssteven is een monument ter nagedachtenis aan de ruim 3.500 burgerslachtoffers die tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlog het leven verloren op zee, bij de ondergang van honderden Nederlandse koopvaardijschepen.

Burgemeester Aboutaleb verwees tijdens zijn toespraak naar de tentoonstelling in de Kunsthal, waar op het moment honderd bijzondere voorwerpen uit de Tweede Wereldoorlog te bekijken zijn. Een van die voorwerpen is een kogelvrij vest, gedragen door Roeland Jan Kroesen. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was hij een van de opvarenden van de Koopvaardijvloot en daar moest hij, bij Koninklijk Besluit, bij in dienst blijven. Die vaarplicht trof 12.000 opvarenden en zou pas in 1946 weer opgeheven worden. Op 25 april 1941 werd ss Pennland van de Holland-Amerika Lijn bij Kreta gebombardeerd en de oceaanstomer verging. Roeland Jan Kroesen was een van haar opvarenden, hij overleefde.

“Wie het gunner’s vest in de Kunsthal bekijkt, beseft hoe weinig veiligheid een kogelvrij vest kan bieden tegen de overmacht van onderzeeërs en jachtbommenwerpers. Er kan maar één conclusie zijn: mensen zijn niet geschapen voor oorlog. Want dat is de les die we kunnen trekken uit alle ellende en bruutheid van de Tweede Wereldoorlog.”


Tegen oorlogsgeweld zijn we inderdaad slecht bestand. Of dat betekent dat de mens niet voor oorlog maar voor vrede “geschapen” is, dat is dan weer een tweede. Aan de andere kant immers, die onderzeeërs en jachtbommenwerpers zijn wel van menselijke makelij. Het zijn mensen die zulk oorlogstuig verzinnen, fabriceren, verhandelen en gebruiken. Het zijn mensen die het gewapend conflict met elkaar opzoeken. De menselijke geschiedenis staat bol van oorlog, terreur en geweld. Oorlogszucht lijkt toch in onze menselijke natuur te zijn ingebakken, zo bezien.

Als we de omstreden demograaf en hoogleraar sociaalpedagogiek Gunnar Heinsohn mogen geloven is er zelfs een demografische oorzaak voor oorlog aan te wijzen. Dat legde hij jaren geleden uit in een boek, ‘Zonen grijpen de wereldmacht’.  Een bevolkingsexplosie die samengaat met een oververtegenwoordiging van jonge mannen (een ‘youth bulge’) blijkt, zeker wanneer die angry young men weinig goede vooruitzichten hebben, een beproefd recept voor gewelddadige conflicten.

Dat stemt somber, nietwaar? Toch gloort er hoop aan de horizon. Wie de moeite neemt de enorme pil ‘The Better Angels of Our Nature’ van Steven Pinker van kaft tot kaft te lezen komt daarmee tot de ontdekking dat de mens nu vreedzamer is dan hij ooit geweest is. Naarmate de geschiedenis vordert is de mens zich allengs minder gewelddadig gaan gedragen. Steven Pinker, hoogleraar psychologie te Harvard, verwijst met de titel naar een uitspraak van Abraham Lincoln over menselijke vermogens als empathie, moraal en rede.

Deze vermogens (die “better angels”) hebben in de loop van onze geschiedenis steeds meer vat op onze “innerlijke demonen”, zoals  prooigedrag, dominantie, wraak, sadisme en totalitaire ideologieën gekregen. Daardoor wordt er steeds minder oorlog gevoerd en dalen de moordcijfers. Die afname past, volgens meneer Pinker, in het beschavingsproces waarin de mens leert zijn driften te beheersen.

Hij wijst factoren aan die een dempend effect hebben op menselijk geweld; de humanitaire revolutie, een staatsmonopolie op geweld, de handel die ervoor zorgt dat vrede loont en het inruilen van eergevoel tegen persoonlijke waardigheid. Onze groeiende aversie tegen agressie uit zich in ‘rechtenrevoluties’; mensenrechten, burgerrechten, vrouwenrechten, kinderrechten, homorechten en zelfs dierenrechten.

In een ander boek, ‘The End of War’ van John Horgan, is verdere geruststelling te vinden: Biologisch gezien is de mens net zo goed geprogrammeerd voor een vreedzaam als voor een gewelddadig bestaan. Oorlog is niet onvermijdelijk en het is geen intrinsiek onderdeel van de menselijke natuur, maar een cultureel fenomeen en een keuze. John Horgan meent dat oorlog af te schaffen is, net zoals dat met slavernij gebeurd is.

Vandaag herdenken we álle slachtoffers, zowel burgers als militairen, die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vielen, ongeacht of ze binnen of buiten de landsgrenzen stierven. In oorlogssituaties en bij vredesoperaties. Allemaal slachtoffers van menselijk geweld. Slachtoffers van mensen die ervoor kozen anderen geweld aan te doen. Joden, Roma, Sinti, etnische Polen, Slaven en Sovjets, homoseksuelen, fysiek en mentaal gehandicapten, politieke tegenstanders, vakbondsleden, Spaanse republikeinen, sociaaldemocraten, communisten en socialisten, esperantisten. vrijmetselaars, Jehova’s getuigen, Vrije Bijbelonderzoekers, priesters en “asociale elementen” zoals woonwagenbewoners, kermisgasten  en werkweigeraars.

Dat herdenken is belangrijk, zeker in een tijd waarin een politicus ongegeneerd spreekt over “minder, minder, minder Marokkanen” en een jonge rapper onbeschroomd zingt over flikkers die hij geen handje wil geven en “die fokking Joden” die hij meer haat dan de nazi’s.

Je zou om minder even stil vallen.

Briljante Blunders

Omdat het zonnetje zo fijn scheen heb ik deze week een middagje gespijbeld. Om mezelf te trakteren ben ik langs mijn favoriete boekenwinkeltje gefietst, maar met een kakelvers boek in mijn fietstas en het zonnetje op mijn gezicht besloot ik dat ik toch nog geen zin had om huiswaarts te keren.

Zo zat ik even later, geheel tegen mijn gewoonte in, alleen op een terrasje. In de schaduw, want in de volle zon lezen vind ik niet prettig. Een cappuccino, een koud glas water en een boek in mijn knuisten. Het leven is mooi. 
Ik sloeg de eerste pagina open van Briljante Blunders van astrofysicus Mario Livio. De geluiden van de mensen om me heen verdwenen al gauw naar de achtergrond terwijl ik me onderdompelde in het boek. Mario Livio brengt vijf grote wetenschappers ten tonele; Charles Darwin, Lord Kelvin, Linus Pauling, Fred Hoyle en Albert Einstein en hij zoomt in op hun grootste blunders. Zelfs de grootste denkers blunderden weleens en dat is maar goed ook. 
Meneer Livio snijdt zware wetenschappelijke onderwerpen aan in zijn boek. Van evolutie, genetica, astronomie, atoomfysica, de relativiteitstheorie, de elementen en het Periodiek Systeem tot het meten van de ouderdom van de aarde. Gelukkig heeft hij compassie met mij, zijn lezer, en houdt hij zijn bewoordingen eenvoudig genoeg zodat ik nergens de draad kwijtraak. Met zijn onderwerpen heeft hij somtijds minder compassie, zo schroomt hij niet de vinger te leggen op vervelende eigenschappen zoals misplaatste trots – zeker niet wanneer die aan bijbehorende blunders hebben bijgedragen. Gelukkig heeft de schrijver wel de beleefdheid deze Grote Geesten te meten aan de kennis van hun tijd. 
Een vriendelijke jongedame wist na drie keer proberen mijn aandacht te trekken. Natuurlijk wilde ik graag nog een cappuccino. Naast me bleek een ouder stel te zijn neergestreken. De man deed zijn best de titel van mijn boek te lezen. Schielijk dook ik weer in mijn boek. Sorry, geen zin in een praatje. 
Na een paar hoofdstukken begon ik Mario Livio wel heel streng te vinden. In sommige gevallen is ‘blunder’ wel een erg groot woord. Soit, ik ben dan ook bij lange na niet zo wetenschappelijk onderlegd als meneer Livio is. Blunders blijken waardevol voor de wetenschap. Dat zou geen verrassing moeten zijn, want ook de wetenschap hangt niet van louter successen aan elkaar. De missers van meneer Livio’s selecte gezelschap brachten discussies op gang en brachten nieuwe inzichten. Ook in de wetenschap is het vallen en opstaan, trial and error. Fouten maken is een onlosmakelijk onderdeel van het proces dat wetenschap heet. 
De man aan het tafeltje naast me schraapte zijn keel. “Die Darwin hé, die had het maar mooi mis hé.” Ik zette mijn meest beleefde gezicht op. “Dat valt wel mee hoor, meneer”. Zo tactisch mogelijk verschool ik me weer achter mijn boek. 
“Die evolutie-onzin is toch al lang achterhaald. Ook maar een theorie.” Ik deed alsof ik hem niet hoorde en heel even leek hij de boodschap te begrijpen dat ik niet verlegen zat om een praatje. Kom op vriend, evolution is all around us. Olifanten passen zich aan ons aan en verliezen de genetische bouwstenen voor hun slagtanden, bacteriën passen zich aan onze antibiotica aan en in de omgeving van rampplek Tsjernobyl passen de vogeltjes zich aan de langdurig blootstelling aan straling aan. Dat is evolutie waar je bij staat. Ik zuchtte diep, liet het los en ging weer op in mijn boek. 
“Of geloof jij daar soms in?” Verdomd. In weerwil van mezelf keek ik toch weer op en ik besefte me te laat dat ik dit keer vergeten was mijn meest beleefde gezicht op te zetten. “Jazeker en ik zal het u nog veel erger vertellen, ik geloof ook in de zwaartekracht. Dat is natuurlijk ook maar een theorie, maar toch hé.” De geest was uit de fles. “Toch, ik ben wel benieuwd welke theorie die van Darwin inmiddels vervangen heeft? Dat nieuws heb ik gemist, vrees ik”. Geërgerd ratelde ik door, over overerving met aanpassing, olifanten en vogeltjes, en meneer Darwin die dat snapte zonder weet te hebben van genetica. 

Boos deed de man er het zwijgen toe.

Ik nipte van mijn cappuccino. Demonstratief sloeg ik mijn boek weer open. Het leven is mooi. Laat me nou. 

The everyday sexism project

Het is een simpel maar prachtig concept: Een virtueel verzamelpunt (ook te volgen via Twitter) voor seksistische opmerkingen, die meisjes en vrouwen naar het hoofd geslingerd kregen. Journaliste Laura Bates werd zelf nog al eens lastig gevallen, met name in de Londense metro. Ze besloot er een artikel aan te wijden en ging daarvoor op zoek naar de ervaringen van andere vrouwen. Ze zette daar een ideaal medium voor in, de social media.

Laura Bates gaf haar idee in 2012 gestalte met haar blog Everyday Sexism. Ze verwachtte er in eerste instantie niet al te veel van; misschien een paar tientallen reacties maar genoeg voor een artikel. In december 2013 echter, stonden er al vijftigduizend inzendingen op haar site van vrouwen uit een kleine twintig landen. Over een paar dagen verschijnt Bates’ boek Everyday Seksism.

Daarmee treedt Laura Bates in de voetsporen van de Amerikaanse Holly Kearl, die de drijvende kracht is achter Stop Street Harassment. Het heeft daarnaast ook wat weg van het Egyptische initiatief  Harassmap, waar “street harassment” in al zijn vormen letterlijk in kaart gebracht wordt.

Jules
My stepdad refers to my best friend as “the one with the big breasts.” We’re both, oh, twelve.

Em
One of the worst experiences I had as a sexual assault crisis counselor was watching an officer tell an overweight girl that he didn’t believe her because “fat girls don’t get raped”. Broke my heart for her. 

G.
When guy at work said women should dress ‘modestly’ so they don’t get raped. Yes, it’s our clothes & not the rapist, right?

We draaien de rollen nog eens om

Wat gebeurt er wanneer je mannen, gewoon in het wild, confronteert met diezelfde seksistische opmerkingen? Leah Green begaf zich voor The Guardian in de stadsjungle en probeerde dat eens uit. Gewapend met een lijstje ingestuurde opmerkingen stroopte ze de straten van Londen af en slingerde die opmerkingen naar argeloos passerend manvolk. Het is een sappig vervolg op de korte film Majorité Opprimée. De reacties van de heren zijn in veel gevallen epic.

Anna Sewell

Op 30 maart 1820 kwam, in Great Yarmouth, Anna Sewell ter wereld. Haar moeder, Mary Wright Sewell, was schrijfster en haar vader Isaac Phillip Sewell was bankmanager. Anna was hun eerste kind. Er zou nog een broertje volgen, Phillip.

Het gezin Sewell, allen Quakers, verhuisde naar Stoke Newington toen Anna twaalf werd. Anna, die voordien thuisonderwijs genoot, ging daar voor het eerst naar school.

Het geloof nam een prominente rol in binnen het gezin Sewell, dat liefde voor hun naasten en compassie met minderbedeelden voorstond. Daarbij beperkten ze zich niet tot mensen alleen, die liefde en compassie hadden ze ook voor de dieren om zich heen. Zo waren ze gekant tegen het mishandelen van dieren omwille van amusement, sport en de jacht.

Het paard in de Victoriaanse tijd 

In die tijd liepen er meer dan drie miljoen paarden rond in Engeland. Alleen Londen al telde zo’n veertigduizend koetspaarden. Ze waren het voornaamste transportmiddel en ze werden gebruikt in de landbouw en in mijnen. Onder erbarmelijke omstandigheden. Ze werden geslagen, gedwongen te zware lasten te trekken en stierven niet zelden letterlijk in het harnas, van uitputting. Volgens de laatste mode werden hun staarten gecoupeerd en de chiquere koetspaarden werden met strak aangetrokken opzetteugels gedwongen hun hoofden in een fraaie, maar ontzettend ongemakkelijke stand te houden die hen het ademhalen zelfs bemoeilijkte.

Mary en Anna Sewell kwamen meermaals in de problemen toen ze paardeneigenaren aanspraken die hun dieren slecht behandelden. Anna las ‘Essay on Animals’ van Horace Bushnell en werd daardoor zeer geraakt. Ze stelde zich ten doel “to induce kindness, sympathy, and an understanding treatment of horses”.

Noodlot

Twee jaar later sloeg het noodlot toe toen Anna ten val kwam tijdens haar wandeling van school naar huis. Ze bezeerde haar beide benen en zou, mede door een verprutste medische behandeling, haar leven lang kreupel blijven. In 1836 verhuisden de Sewells naar Brighton, in de hoop dat het klimaat daar de gezondheid van de jonge Anna ten goede zou komen. Het mocht niet baten.

Anna en haar moeder Mary verruilden in die tijd het Genootschap der Vrienden voor de Anglicaanse Kerk. Mary Wright Sewell schreef poëzie en jeugdliteratuur, met veel succes. Anna hielp haar moeder met het corrigeren en redigeren van haar schrijfsels en kreeg de liefde voor het schrijven zo met de paplepel ingegoten.

Omdat Anna niet zonder krukken kon lopen en haar immobiliteit verergerde leerde ze mennen en verplaatste ze zich daarna vaak in een koetsje. Daarbij gebruikte ze naar verluidt nooit een zweep, reed ze met een losse teugel en verstond ze de kunst haar paarden alleen met haar stem te sturen. Ze sprak tegen haar paarden alsof ze hen verstaan konden. Haar afhankelijkheid van het paard maakte haar alleen maar meer betrokken bij het lot van het edele dier.

Black Beauty

Anna Sewell schreef haar enige boek Black Beauty tussen 1871 en 1877, toen haar gezondheid al zo ver achteruit was gegaan dat ze vaak bedlegerig was. Op haar slechtste momenten kon ze helemaal niet schrijven en dicteerde ze haar verhaal aan haar moeder, aan wie ze Black Beauty opdroeg. Ofschoon Black Beauty nu te boek staat als kinderboek bedoelde Anna Sewell haar werk juist voor de mensen die met paarden werkten.

Voor haar verhaal putte ze uit al al herinneringen aan het leed dat ze paarden door mensenhand had zien aangedaan worden. Black Beauty baseerde ze op het zwarte paard van haar broer Phillip, Bess.

Uniek voor haar tijd, en de grote kracht van het boek, is dat ze het paard zijn eigen verhaal laat vertellen. Het is een voorbeeld dat navolging kreeg in onder meer Mark Twains A Horse’s Tale, War Horse van Michael Morpurgo en I am the Great Horse van Katherine Roberts.

Op 24 november 1877 verkocht ze het boek aan uitgevers Jarrolds. Ze maakte de publicatie van Black Beauty nog mee, het boek was direct een groot succes, en ze stierf vijf maanden later. Op 30 april 1878 werd ze begraven. De ironie wil dat de paarden in haar begrafenisstoet allemaal zo’n wrede opzetteugel droegen. In de geest van haar dochter protesteerde Mary Sewell daar tegen en liet ze van de paardenhoofden verwijderen.

Anne Sewell bereikte met haar Black Beauty ten dele haar doel. Het boek bespoedigde een verbod op het gebruik van opzetteugels en het werd zelfs door dierenrechtenactivisten naar Amerika overgebracht, in de hoop dat Black Beauty voor dierenrechten kon beteken wat Uncle Tom’s Cabin voor de slavernij gedaan had. Duizenden exemplaren werden er uitgedeeld aan paardeneigenaren en stalknechten. Een al even ironisch gegeven is dan dat Anna Sewells roman nochtans verboden werd, om de titel ‘Black Beauty’, door de censors van het apartheidsregime van Zuid-Afrika.

Paarden vallen nog altijd ten prooi aan menselijke idiotie en wreedheid. Van het erbarmelijk lot van slachtpaarden, racepaarden en rodeopaarden tot volledig doorgedraaide verschijnselen als de Big Lick, waarvoor Tennessee Walking Horses gemarteld worden.

“What right had they to make me suffer like that?” 

― Anna Sewell, Black Beauty―  

Rubbernecker

Patrick Fort is een rare.

Patrick Fort heeft Asperger. Met zijn intelligentie, vasthoudendheid en gebrek aan sociale vaardigheden drijft hij onbedoeld andere mensen (vooral zijn moeder) tot wanhoop.

De dood van zijn vader is allesbepalend in het leven van de jonge Patrick en hij ontwikkelt een morbide fascinatie voor de dood. Die fascinatie drijft hem ertoe een studie anatomie op te pakken aan de universiteit van Cardiff. Met een kleine groep medestudenten ontleedt hij het lichaam van nummer 19, ze noemen hem Bill.

Een tweede verhaallijn in Rubbernecker laat ons kennismaken met een man van middelbare leeftijd, die langzaam en moeizaam uit een langdurige coma probeert te ontwaken. Niet in staat te bewegen, laat staan te spreken, is hij getuige van de moord op een medepatiënt. Belinda Bauer heeft zich duidelijk grondig ingelezen in de materie betreffende comapatiënten en haar verregaande aandacht voor de medische details is fascinerend. Het haalt echter wel behoorlijk de vaart uit het verhaal.

Tot zo ver is Rubbernecker een heerlijke psychologische thriller. De belevenissen van een van de verpleegsters van onze comapatiënt, de oppervlakkige verpleegster Tracy, zijn echter volkomen overbodige ballast. Haar aandeel in het plot is knullig en moeizaam in het verhaal verweven, maar de plotwendingen in de laatste hoofdstukken van Rubbernecker doen je dat de schrijfster vergeven.

Wanneer Patrick tijdens de sectie op een andere doodsoorzaak stuit dan de officiële documenten vermelden vermoedt hij dat nummer 19 vermoord is en hij gaat op zoek naar bewijs. Die zoektocht confronteert hem met de waarheid van de doden en de leugens van de levenden, maar brengt hem zelf ook in levensgevaar.