De pop aan de strop en de bordjesman

Daar sta je dan, met je postzegel in zo’n beetje alle kranten. Met naam en toenaam. Woonplaats. Daar zullen jullie je vast het apelazarus van geschrokken zijn. Misschien nog wel meer dan van de aangifte die tegen je gedaan werd.

Stoer doen in de vermeende anonimiteit van de massa en dan sta je ineens in je eentje met je bijdehante harses in de krant en op GeenStijl. Is het hele Internet en zijn moeder boos op je en moet je onderduiken.

Zeg, vrind met die pop aan een strop. Kocht je die bruine opblaaspop nou speciaal voor de gelegenheid? Of had je ‘m toevallig toch al liggen en heeft die meneer uit het onderliggende vak eigenlijk helemaal geen roos?

Wat ging er door je heen toen je die strop knoopte en die om die plastic nek legde? Toen je het ding over de balustrade van je ‘sfeervak‘ verhing? Louter en alleen omdat je het niet kunt verteren dat een sporter van ‘jouw’ club naar een andere is verhuisd.

Heb je nu echt op geen enkel moment gedacht dat ’t misschien toch allemaal wel een bruggetje te ver was? Of kwam de kater later, toen je in je eentje in een celletje zat? Mijn complimenten aan je advocaat overigens, die je verzachtende karakterschets met de nodige humor weet te brengen.

“Hij heeft zware momenten in zijn leven meegemaakt. Verlies van familieleden waardoor hij er vrijwel alleen voor staat. Samen met zijn jongere broer probeert hij de eindjes aan elkaar te knopen.”

Dan die bordjes bij die Britse dartswedstrijd, internationaal uitgezonden: “Kenneth NSB”. “Kenneth Vermeer hangen”. Met een poppetje aan een galg erbij getekend voor de slechte verstaander.

Het lachebekkie dat het bordje ophield met “Kenneth Vermeer hangen”, is kennelijk de huispoëet van het ‘sfeervak’ 410. Hij zou bekend staan als ‘chef spandoeken’ en moet in het verleden regelmatig opgetreden hebben als woordvoerder van de groep Ajax-supporters.

Zou hij laatst ook het hoogste woord gehad hebben, tijdens een goed gesprek met de spelers, coach en technische staf, over het gezamenlijk ongenoegen van de heren voetbalsupporters over “het gebrek aan respect naar de supporters toe”?

Excuses, daar plaste ik toch bijna in mijn broek van het lachen.

Zeg, bordjesman. Brede lach, middelvinger opgestoken, hele bink. Ja, jij daar, sportbegeleider bij een centrum voor revalidatie en reumatologie, was het je baan waard? Misschien was het inderdaad jouw bordje niet, maar je poseerde er wel mee.

Je wist toch dat je werkgever een foto van je op haar site had staan? Je was projectleider Special Heroes, een landelijk project voor leerlingen in het speciaal onderwijs. Leerlingen van 6 tot 19 jaar oud, die jij mocht laten ervaren hoe leuk sport en bewegen kan zijn.

Toen je die middelvinger opstak en naar die camera lachte, heb je toen nog even aan je pupillen gedacht? Kijk jongens en meisjes, zó leuk is sport nou. Je was toch niet echt verrast dat je prompt op non-actief gezet werd?

Kan zo’n balletje toch raar rollen, hè?

Voetbal is oorlog

Ik heb in het geheel niets met voetbal. Sterker nog, ik heb er een hartgrondige hekel aan. Ik negeer consequent iedere uitleg van het fenomeen “buitenspel”, hoe goed bedoeld ook, en wanneer ik onverhoopt op een voetbalwedstrijd op televisie stuit zap ik zo snel mogelijk weg. Gras, zo is mijn stelligste overtuiging, is voor koeien.

Behalve dat het spel an sich me niet bekoren kan hebben de randverschijnselen, die deze sport in overvloed met zich mee brengt, mijn hekel door de jaren heen gevoed. Op de een of andere manier is het voornamelijk voetbal waar verschijnselen als georganiseerd hooliganisme en voetbalvandalisme (what’s in a name?) onlosmakelijk mee verbonden zijn.

Nergens wordt duidelijker dat de menselijke beschaving maar een dun laagje vernis is, waaronder nog altijd een primitieve aard schuilgaat, dan bij voetbal. Het doet me denken aan de stammenoorlogen van weleer; primitievelingen die zich verenigen in mannenbroederschappen en tegen elkaar stelling nemen louter omdat de tegenpartij tot een andere stam behoort. Zo’n stammenkrijg, een orgie van geweld, is een uitlaatklep bij uitstek voor een teveel aan testosteron. Opponenten dreigen en brullen om het hardst om hun tegenstander te imponeren en tooien zich met de wapens en kleuren van de achterban. De Slag bij Beverwijk klinkt als iets uit de donkere middeleeuwen.

Nee, deze sport verbroedert niet, maar maakt vooral het slechtste in de mens los en dan heb ik het niet alleen over de spreekkoren tijdens wedstrijden, het scanderen van schuttingtaal, toevoegingen als “Joden!” (liefst gepaard met venijnig gesis) wanneer Ajax speelt of vuurwerkgeluiden wanneer Twente de grasmat betreedt. Dat is alleszins erg genoeg, maar bleef het daar maar bij. Onder de valse vlag van “clubliefde” kwam het al tot vernielingen, geweldplegingen, heuse veldslagen en er vielen zelfs al doden.

Voetballiefhebbers hebben meermaals bewezen zich niet te kunnen gedragen; raakten ze niet slaags in een voetbalstadion, dan sloopten ze de binnenstad wel van een van de grote steden. Vorig jaar werd, omwille van ongeregeldheden tussen supporters van respectievelijk Feyenoord en Ajax na een wedstrijd tussen beide clubs, bij wijze van strafmaatregel, besloten dat wedstrijden tussen beide vijf jaar lang zonder uitpubliek gespeeld zouden worden.

Dat was mild, als het aan mij lag was het al lang en breed tijd het gras weer aan de koeien te laten. Die vragen een stuk minder ME-inzet, da’s meteen goedkoper ook.

De beslissing van burgervader Achmed Aboutaleb om die maatregel op te schorten voor de bekerfinale eind deze maand vind ik betreurenswaardig. Zeker na de rellen in Hoek van Holland, een nieuw dieptepunt, waarbij een ander kwalijk fenomeen dat opgeld doet onder deze piepeltjes nog eens uitvergroot werd; de neiging die opgeklopte agressie te botvieren op de autoriteiten. Dat zulks nu ook buiten de voetbalstadions en tijdens gelegenheden die niets met voetbalwedstrijden te maken hebben plaatsvindt is buitengewoon zorgwekkend.

Saillant detail is dan dat de gebleken relschoppers van dat “strandfeest” gewoon welkom zijn bij deze bekerfinale, want die is niet aangemerkt als risicowedstrijd.

Wellicht is het unfair hele supportersclubs te straffen voor wat een (niet bepaald selecte) groep onder hen aanricht, maar daar staat een schrijnend gebrek aan enig zelfreinigend vermogen onder de diverse supportersgroepen tegenover. Men spreekt zich nauwelijks uit tegen excessen en doet bar weinig de harde kern tot rede te brengen. Wanneer de zaken zo gelegen zijn, moeten de goeden maar onder de kwaden lijden. Vreemd genoeg doen ook de voetbalclubs en zelfs de KNVB weinig tot niets om hun aanhangers betere manieren bij te brengen. Zelfs maar de suggestie dat zij best mee kunnen betalen aan de inzet, die de politie plegen moet om de heren hooligans in toom te houden, is voor deze organisatie reden geweest om verongelijkt te reageren. Toch komt het mij erg vreemd voor dat de maatschappij hiervoor opdraaien moet.

Ik mag dus niets met voetbal ophebben, ik heb wel heel veel met Rotterdam, de stad waar ik geboren en getogen ben. Het plaatje dat supportersclub Afca meende op haar voorpagina te moeten voeren en de oproep tot geweld daarbij raakten me. Het gaat aan alle grenzen van het betamelijke voorbij. Mijn oma zaliger zat het bombardement op Rotterdam uit, een gebeurtenis die haar voor het leven geschaad heeft. Kort na het uitbreken van de Irakoorlog zat het mensje huilend en handenwringend voor haar televisie en een paar dagen laten stonden haar keukenkastjes vol conserven.

De onnadenkende, hersenloze onbeschoftheid die uit dat plaatje spreekt is kwalijk. Maar soit, dat is waarschijnlijk waarom de politie haar paarden mee naar voetbalwedstrijden placht te nemen en die dan op een steenworp afstand van de supporters parkeert -dat is natuurlijk in de goede hoop dat de schuimbekkende horden daar het nadenken aan over zouden laten.