Waarom haat zo lekker is

HateAls kind voelde ik me maar op twee plekken thuis; in een boek of bij de paarden. Boeken oordelen niet en zeggen niets terug, wel zo fijn. Paarden hebben het fatsoen hun oren plat te leggen wanneer ze je niet kunnen pruimen. Mensen kon ik slecht lezen en ik snapte er al helemaal niets van, ze zijn zo… irrationeel.
Tot ik eindelijk tot het inzicht kwam dat, in alle bescheidenheid, mensen ook maar dieren zijn. Het loont mijn medemensen door de bril van de evolutionaire psychologie te zien.

Tribale primaat

Eerst maar eens een louterende gedachte: Wij, mensen, zijn de aller domste diersoort op aarde. Zo dom dat we onze eigen intelligentie enorm overschatten en tegelijkertijd niet in staat zijn onszelf te kennen voor wie en wat we werkelijk zijn. We wanen ons de kroon der schepping, maar helpen willen en wetens onze eigen habitat om zeep.
We zijn kale primaten, dualistische sociale en morele beestjes, groepsdieren bij uitstek, met een onweerlegbaar tribale aard en een enorm verlangen (niet te zeggen nood) erbij te horen. Bij onze eigen, relatief kleine groep.

Wij voelen ons veilig in de geborgenheid van gedeelde normen en waarden, een gedeeld wereldbeeld, gedeelde cultuur en een gedeelde illusie van een enkele waarheid. Daarom rekenen we meedogenloos af met alle bedreigingen voor (de cohesie binnen) onze groep, van groepsgenoten die niet in de pas lopen tot het vreemde en buitenstaanders. We denken in ‘wij’ en ‘zij’. Goed en kwaad. Gelovigen en ongelovigen. Elite en plebs. Rijk en arm. Ajax en Feyenoord. U snapt ‘m wel.

Dat is waarom haat en afkeer ons zo goed afgaan en waarom het zo veel makkelijker is deze emoties te voeden dan tolerantie en wederzijds respect. Haten is lekker, makkelijk, overzichtelijk en saampjes saamhorig haten is nog wel het lekkerst van allemaal. We slaan dus met alle liefde onze medemens de kop in, vanwege zijn andere religieuze opvattingen, mores, seksuele aard, huidskleur, geslacht.
Dit gedrag en het achterliggende mechanisme kunt u elke dag weer, gewoon in het wild, zien.

‘Find your own perfect fit’

Suitsupply1Neem nou de reclamecampagne ‘Find your own perfect fit’ van kledingmerk Suitsupply, met onder andere een poster van twee goedgeklede en intiem zoenende mannen.  In heel Nederland werden bushokjes en billboards beplakt, beklad of zelfs vernield. Van twee zoenende mannen, interraciaal ook nog, raken mensen zelfs in het ‘tolerante’ Nederland volkomen van de leg. Suitsupply werd gebeld door mensen die wilden weten hoe zij dat zoenende manvolk thuis aan de kinders uit moesten leggen?

Gezin in gevaar?

Onze vrindjes van het Reformatorisch Dagblad verspreidden in antwoord op die reclamecampagne 40.000 flyers van de stichting Civitas Christiana. Op die flyer zijn dezelfde twee knapperds te zien, maar dan met een enorm groot rood kruis door hun kussende gezichten.

Civitas Christiana is de organisatie achter de campagne Gezin in Gevaar. De organisatie is streng-christelijk, tegen huwelijken tussen mensen van gelijk geslacht, tegen andere gezinsstructuren dan vader-moeder-kroost, tegen echtscheiding en tegen seksuele voorlichting op school. Civitas Christiana  illustreert als geen ander die angstige tribale structuur, het denken in ‘wij en zij’ en het agressieve antwoord op alles dat vreemd is en dat de interne cohesie bedreigt: dat is een ‘aanval op het gezin’.  Volgens deze club is het homohuwelijk een ‘illustratief’ voorbeeld van de ‘toegenomen onvrijheid’ van christenen.

De campagne Gezin in Gevaar zet zich in voor de bescherming van het gezin, dat bestaat uit vader, moeder en kinderen. Wij verzetten ons tegen de losgeslagen seksualisering en schadelijke gender-ideologie. Gezin in Gevaar is een campagne van Stichting Civitas Christiana, dat de christelijke beschaving wil verdedigen vanuit de principes van traditie, familie en privé-eigendom.

Natuurlijk is dat kolder. Gezinnen vallen niet spontaan uit elkaar door het zien van een poster met kussende mannen. Generaties homoseksuelen die opgroeiden met alleen maar heteroseksuele rolmodellen op televisie en in de media bewezen al dat je homo- of heteroseksualiteit niet aangeleerd krijgt. Homoseksualiteit is niet besmettelijk en je kunt het niet van een ander afkijken. Doen alsof de vrijheid, van mensen van gelijk geslacht om te huwen, een inbreuk is op de vrijheden van streng-christelijken voedt de angst, de haat en de interne cohesie: Kijk wij christenbroeders en -zusters eens bedreigd worden! Daar spreekt dan ook de kale, tribale mensaap.

Fawaz Jneid

Omdat er gelazer van komt wanneer ik wel christenen, maar geen moslims aanspreek op dit gedrag meteen nog een mooi voorbeeld van de kale, tribale mensaap. Fawaz Jneid, een omstreden imam, deed ook een duit in het zakje. Tijdens een preek haalde hij uit naar de burgervader van Rotterdam, Achmed Aboutaleb. Daarbij stuurt ook Jneid aan op het gemeenschappelijk vijanddenken, zij het dan in dit geval door moslims. Een groep waar hij Aboutaleb tijdens die preek duidelijk buiten plaatst, door deze een afvallige moslim te noemen, die moslims nooit heeft verdedigd. Niet alleen dat, de PvdA is een vijand van de moslims, aldus Jneid. Daar zien we dus opnieuw het mechanisme van tweedeling, gemeenschappelijk vijanddenken en een gefabuleerde bedreiging voor de interne cohesie van de eigen groep. Want samen haten is lekker en het verbindt, zij het alleen binnen de eigen tribale kliek.

Maar meer heeft een kale primaat ook niet nodig. Denkt ‘ie dan.

Turks worstelen met de democratie

Uitgerekend bij het standbeeld De verwoeste stad van Osip Zadkine, op het Plein 1940, liggen vanochtend losse straatstenen als stille getuigen van een nacht vol vernielingen en ongeregeldheden. Twaalf arrestaties en zeven gewonden, waaronder een agent. Watskebeurt?

Wel, dat ligt zo. De Turkse president Erdogan wil met een wijziging van de Turkse grondwet zijn presidentiële macht uitbreiden. Niet alleen wil meneer Erdogan daarmee meer greep op de Turkse rechterlijke macht (dág scheiding der machten) én de mogelijkheid per decreet te regeren, ook zou het betekenen dat hij tot 2029 president mag blijven. Omdat het wetsvoorstel ook voorziet in de afschaffing van de premiersfunctie krijgt een president daarmee álle uitvoerende macht. Hij zal zelfs het hele parlement mogen ontbinden wanneer hem de goesting daartoe overvalt.

Het Turkse parlement is reeds akkoord gegaan en op 16 april mag het Turkse volk zich daarover uitspreken tijdens een referendum. Dat betekent dat er campagne gevoerd moet worden!

Per decreet 

Dat reageren per decreet is een reden tot zorg. Meneer Erdogan heeft na de mislukte coup van vorig jaar de noodtoestand uitgeroepen en mag sindsdien al per decreet regeren, dus we weten al waartoe zulks leiden kan. Na het uitroepen van de noodtoestand is het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens voor onbepaalde tijd opgeschort. Diverse mensenrechten (zoals die op een eerlijk proces en die op vrijheid en veiligheid en respect voor privé- en familieleven) zijn buiten werking gesteld. Verdachten mogen tot dertig dagen zonder officiële aanklacht vastgehouden worden.

Hij schorste of ontsloeg al 120.000 ambtenaren. Voorts liet hij duizend privéscholen sluiten, net als 165 televisiestations, persdiensten, kranten, tijdschriften, radiozenders en uitgeverijen. Hij liet 40.000 mensen arresteren, onder wie ruim 140 journalisten en parlementariërs van de (pro-Koerdische) partij HDP.

Vorig jaar schreef ik daar al wat over in Turks worstelen met de vrijheid van meningsuiting en ik ben de aanhouding van de Nederlandse journaliste Frederike Geerdink nog niet vergeten, laat staan die van Ebru Umar. Die aanhoudingen vonden allebei ‘toevallig’ plaats tijdens afzonderlijke bezoekjes van onze minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders aan Turkije. Machtsvertoon heet dat.

Turkse stemgerechtigden weten dus wat hen te wachten staat. Als ik dat zo lees lijkt het me bepaald onverstandig daar ‘ja’ tegen te zeggen, maar onverstandig of niet, dat staat de kiezer vrij. Ook dat is democratie.

Campagne in het buitenland

De Turkse kieswet verbiedt politici al sinds 2008 campagne te voeren buiten de Turkse landsgrenzen. Artikel 94/A van de Turkse kieswet: “In het buitenland en in buitenlandse missies mogen geen campagneactiviteiten bedreven worden.”

Desondanks kondigde meneer Erdogans partij (AK) meteen grootschalige campagnebijeenkomsten aan in Europa. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken Mevlüt Cavusoglu reisde af naar Duitsland, waar hij op 7 maart een campagnebijeenkomst hield in Hamburg. De Duitse regering wilde die bijeenkomst verbieden en werd derhalve door meneer Erdogan beticht van “nazipraktijken”. Dat is nogal wat en die uitspraak karakteriseert zowel de snel aangebrande natuur van meneer Erdogan als zijn politieke strategie van het gestrekte been.

Rotterdam

Goed. De volgende halte in de campagne van meneer Cavusoglu was Rotterdam, maar daar werd de bijeenkomst afgelast. In plaats daarvan moest er afgelopen zaterdag een bezoek gebracht worden aan het Turkse consulaat, ook in Rotterdam. De Nederlandse regering riep meneer Cavusoglu op niet naar Nederland te komen, want men voorzag problemen met de openbare orde en veiligheid. Zo’n bezoek was prima, maar dan wel graag kleinschalig en besloten. Dat was alles aan dovemansoren, de goede man stapte toch op het vliegtuig.

Het kabinet Rutte trok prompt (en on-Nederlands ondiplomatiek) de landingsrechten van ’s mans vliegtuig in. Meneer Erdogan ontstak alweer in woede en noemde Nederland een “nazi-overblijfsel” en “fascistisch”.

Ongewenst vreemdeling

De Turkse minister van Familiezaken, Fatma Betül Sayan Kaya, wilde op haar beurt acte de présence geven in Ermelo en Wehl. De eigenaars van daarvoor gehuurde uitspanningen zegden echter af. Ook haar leek het Turkse consulaat in Rotterdam een leuk alternatief. Maar die Hollanders doen zo vervelend!

Niet getreurd, mevrouw stapte gisteren in Duitsland met een heel gevolg van (al dan niet bewapende) beveiligers en medewerkers in een colonne auto’s en zette koers naar Rotterdam. Er vertrok kennelijk een tweede colonne auto’s, die de Nederlandse autoriteiten moest misleiden.

Eenmaal in Rotterdam werd de colonne staande gehouden en dat mondde uit in een volkomen surreële situatie, waarbij de minister urenlang weigerde uit haar gepantserde auto te komen.  Ze wilde de toegestroomde menigte, zo’n duizend man sterk, toespreken en ze wilde naar ‘haar consulaat’. Tot mevrouws ongenoegen mocht ze allebei niet: “Nederland schendt alle internationale wetten, conventies en rechten van de mens door mij niet binnen te laten gaan in het Turkse consulaat in Rotterdam.”

Enkele van de wagens uit de colonne werden weggesleept. Mevrouw Kaya werd tot ongewenst vreemdeling verklaard, afgevoerd en midden in de nacht terug geëscorteerd naar Duitsland. Toen kwam het dus tot rellen.  De ME, de politie te paard en een heus waterkanon moesten eraan te pas komen om de Westblaak en Plein 1940 schoon te vegen.

Vanochtend beloofde de Turkse premier Binali Yildirim “serieuze tegenmaatregelen tegen Nederland” en volgens hem is de diplomatieke onschendbaarheid van mevrouw Kaya aangetast. Dat laatste lijkt me onzin, overigens.

Diplomatieke onschendbaarheid

Buitenlandse diplomaten die in Nederland hun land vertegenwoordigen zijn onschendbaar. Die diplomatieke onschendbaarheid betekent dat gastland Nederland ze niet kan vervolgen of aanhouden. Deze bescherming geldt ambassadeurs, consuls, staatshoofden, regeringsleiders, ministers van Buitenlandse Zaken en permanente vertegenwoordigers bij internationale organisaties.

Diplomatieke onschendbaarheid is iets dat actief door het gastland erkend moet worden, alleen het dragen van een diplomatiek paspoort is dus niet genoeg. Doorgaans verstrekt het gastland een bijzonder identiteitsbewijs aan de betrokken diplomaat, waaruit de verleende onschendbaarheid blijkt.

Een Turkse minister van Familiezaken die onder valse voorwendselen én tegen de geldende wetgeving van Turkije én tegen de uitdrukkelijke wensen van gastland Nederland in afreist om campagne te voeren geniet in beginsel die diplomatieke onschendbaarheid dus niet.

Vrijheid en democratie

Toch, hè? Die Turkse ministers beroepen zich in Nederland op mensenrechten, die Turkije in eigen land zelf met voeten treedt. Een uitgelezen kans om te laten zien hoe het wél moet. 
Wees vrij je mening te uiten, ook als we die abject vinden. Onze democratie kan dat makkelijk hebben, daar hebben wij het volste vertrouwen in. Vooruit, hier heb je een mooie rode loper en voor de aardigheid richten we daar direct naast het grootste persvak ooit in. Natuurlijk mag je komen vertellen over hoe je graag zou willen dat je electoraat ‘ja’ zegt tegen je abjecte plannen je democratie uit te hollen, de vrijheden van je mensen op te schorten en de mensenrechten ongestraft met voeten te laten treden. Laten we je politieke tegenstrevers ook nog even aan het woord. Daarna zullen wij, in dezelfde vrijheid, daar wat van vinden. 
Of dat nu in een achteraf zaaltje is of in je eigen consulaat, leef je uit, met de pers erbij. Zodat iedereen weet wat je van plan bent. 

Huilen om #FeyVit

Voetbal is een maatschappelijk probleem. Welles, en dat beestje mag best eens bij de naam genoemd worden. Nu de politie actie voert voor een betere CAO blijkt dat op pijnlijke wijze.

Zonder aanwezigheid van de kit kan er simpelweg niet gevoetbald worden. 

Dat zagen we vaker hoor. In 2010 bijvoorbeeld, toen de bekerfinale tussen Ajax en Feyenoord van pure voetbalellende in tweeën geknipt moest worden. Het veiligheidsrisico was te groot en de enorme politiemacht, die op de been gebracht zou moeten worden om de heren hooligans ervan te kunnen weerhouden Rotterdam nog eens tot rokende puinhopen te reduceren, was gewoon niet meer op te brengen.

Al de veiligheidsmaatregelen en de benodigde politiemacht zou door de belastingbetaler gefinancierd moeten worden, de voetbalwereld weigert immers daar ook maar een euro aan mee te betalen, en dat leverde veel maatschappelijke onvrede op. Die belastingbetaler is al jarenlang tegen heug en meug de voornaamste voetbalsponsor en zowel de KNVB als de clubs en hun aanhangers hebben daar al die tijd schaamteloos van geprofiteerd.

Bij wijze van dank daarvoor scandeerde men onwelgevalligheden tijdens onfrisse spreekkoren, relde op het strand van Hoek van Holland, pleegde men vernielingen (onder meer in het prachtige Rome), organiseerde veldslagen (tot in Nancy aan toe) en sloeg men elkaar ongegeneerd de koppen in. Dat is maar een summiere bloemlezing uit de rijke geschiedenis van hooliganisme en voetbalvandalisme, maar duidelijk moge zijn dat voetbalsupporters inmiddels wel hebben bewezen dat we ze niet zonder supervisie liev kunnen laten buitenspelen. Bij de ene wedstrijd is het erger dan bij de andere, daarom inventariseert ‘de driehoek’ de risico’s van elke wedstrijd en wordt aan de hand van die inventarisatie een hoeveelheid politiemensen besteld.

De heren hooligans, of supporters zo u wilt, kunnen dat alleen zichzelf verwijten. Niet dat ze daar veel van lijken te snappen, hoor. Zo organiseerden ze in 2010 een protestmars, maar niet tegen de wanordelijkheden uit eigen gelederen die deze onverkwikkelijke beslissing noodzakelijk maakten, maar tegen de beslissing an sich. Om het totale onvermogen causale verbanden te leggen nog maar eens te onderstrepen gooide men stenen naar de opgetrommelde Mobiele Eenheid.

Ik hoor u brommen, dat ik voetballiefhebbers en voetbalvandalen zo maar op een grote hoop gooi. Misschien is het unfair hele supportersclubs te straffen voor wat een (niet bepaald selecte) groep onder hen aanricht, maar daar staat een schrijnend gebrek aan enig zelfreinigend vermogen onder de diverse supportersgroepen tegenover.  Men spreekt zich nauwelijks uit tegen excessen en doet bar weinig de harde kern tot rede te brengen. Vreemd genoeg doen ook de voetbalclubs en zelfs de KNVB weinig tot niets om hun aanhangers betere manieren bij te brengen. Zelfs maar de suggestie dat zij best mee kunnen betalen aan de inzet, die de politie plegen moet om de heren hooligans in toom te houden, is voor deze organisatie reden geweest om verongelijkt te reageren. Ik heb dan ook weinig moeite hen allen over één kam te scheren.

Enfin, vandaag zou Feyenoord tegen Vitesse spelen en dat voetbalfeestje gaat niet door. De politie was namelijk niet van zins de wedstrijd met haar komst te faciliteren en dus moest de wedstrijd uitgesteld worden. Nu spelen ze morgenavond, dus big deal. Zou u zeggen.

Maar dan kent u de “voetbalfans” nog niet. Die voelen zich persoonlijk gepakt.

Sinds de beslissing de wedstrijd een dag uit te stellen bekend werd rommelt het in hun gelederen. Op Twitter werden de hashtags #FeyVit en #Feyenoord direct erg populair en opeens was daar ook #ProjectF. Een zondagmiddagborrel á la het eerdere Project X. ’t Werd allengs ook grimmiger, met #ACAB en #politieagentjespesten. Uit die hoek is dat genoeg om je zorgen te maken.

Lief voetbalpubliek, hou het gezellig vanmiddag op het Stadhuisplein. Die politieagent die daar braaf alsnog de openbare orde staat te bewaken heeft vanochtend zijn uniform niet speciaal aangetrokken om u persoonlijk te tergen of uit te dagen. Staken is een belangrijk recht van iedere Nederlander, deal with it. U hebt daarnaast deze affaire vooral aan uzelf te danken, vergeet dat niet en al dat gepiep bekomt u dus niet. U maakte zelf de aanwezigheid van de politie tot een noodzaak.

Dat de politieacties uitgerekend uw favoriete spelletje een beetje in de war brengen is niet erg. En dat zeg ik in mijn hoedanigheid van uw voornaamste sponsor; als belastingbetaler. U weet wel, de “zure Calvinist”, die al sinds jaar en dag uw voetbalbroek omhoog houdt.

De Tweede Kamer becijferde in 2012 dat de wedstrijden in het betaald voetbal jaarlijks zo’n driehonderdduizend manuren (zeventig euro per stuk) van de politie vergen. Zonder politie geen voetbal, u zou deze mensen veeleer erkentelijk moeten zijn voor het mogelijk maken van uw voetbalwedstrijdjes.

Inpakken en wegwezen

Mag iemand dromen van een betere toekomst? Een betere wereld? Van een utopie?

Dat lijkt buiten kijf te staan, hè? “I Have a Dream” zei Martin Luther King 51 jaar geleden voor het Lincoln Memorial in Washington en zijn droom van gelijkheid en gelijke rechten dromen we nog. Althans, velen van ons. Wie denkt aan de burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten denkt aan Martin Luther King. Laten we wel zijn, gelijkwaardigheid en gelijke rechten, beoordeeld worden op je karakter en niet je looks, die filosofie van vreedzaam protest, what’s not to like?

Maar mag iemand ook dromen van een betere wereld wanneer hij meent dat in die betere wereld geen ruimte is voor mensen die anders denken dan hij? Van een monoculturele utopie, een communistische heilstaat of een kalifaat? Mag iemand met gelijkgezinden verlangend mijmeren over het invoeren van de sharia?

Aha. Betrapt. Dat doet me even slikken. Voltaire, Disputax, Voltaire! Ik had toch het “Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen” zo hoog in het vaandel staan? Dat prachtcitaat, dat ten onrechte aan Voltaire toegeschreven wordt maar het recht op vrije meningsuiting zo mooi verwoordt!

Die Gedanken sind frei. Denken, dromen, mijmeren – ik zou u geen strobreed in de weg willen leggen zo ik dat al kon. Ik heb zelfs graag dat u uw mening maar gewoon uitspreekt, ook de meest onverkwikkelijke, dan weet ik wat ik aan u heb.

Onze wetgever ziet dat laatste een klein beetje anders. Die vindt dat wij allemaal het recht op vrije meningsuiting hebben, máár behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Die wet nu, stelt dat opruien, aanzetten tot haat, bedreiging, belediging, belediging van groepen mensen, aanzetten tot geweld, laster en smaad niet mogen. Daar liggen dus de strafrechtelijke grenzen van de vrijheid van meningsuiting.

Niet onredelijk, vind ik. Vanuit de samenleving gezien lijkt me dat redelijk en noodzakelijk en ik kan zeker niet zeggen dat die wettelijke omkadering van mijn vrijheid mijn mening te uiten me in de weg zit. Maar wat als dat wel zo zou zijn?

Inpakken en wegwezen

Lang geleden heb ik Nederland eens een poosje gelaten voor wat het was. Buurland België bood me een kans op een studie, die men me in Nederland bij voorbaat meende te moeten ontzeggen. Dat laatste deed een beetje zeer, want ik wist van kind af aan wat ik wilden worden. Ik had een droom, ook al was het maar een kleintje in vergelijking met die van meneer King. Tegen de goede adviezen van leraren in had ik mezelf daarom de ellende op de hals gehaald van een uitgesproken bètavakkenpakket. Na de havo deed ik, opnieuw tegen die adviezen in, het vwo. Het werd een martelgang, maar ik slaagde maar mooi wel. Met de hakken over de sloot weliswaar, maar hè, ik had al die betweters toch maar even een poepie laten ruiken!

Ik werd prompt uitgeloot. Teleurgesteld in Nederland vertrok ik, onbezonnen snotneus met mijn opgeblazen sense of entitlement, dus met goede moed naar het bourgondische België, waar de mensen me zo veel vriendelijker toeschenen dan in mijn eigen land. Twee jaar later kwam ik met hangende pootjes en een dramatische cijferlijst terug. Gebuisd. Een ervaring rijker en meerdere illusies armer.

Toch, spijt heb ik daar niet van. Ik ben plat op mijn bek gegaan, maar ik heb het in elk geval geprobeerd. Wanneer je het ergens niet naar je zin hebt, ontevreden bent of zelfs meent niet de kansen te krijgen die je verdient – dan ben je het aan jezelf verschuldigd te proberen die situatie te verbeteren. Heel zwart-wit, dat weet ik, maar vertrekken uit een onwenselijke situatie is altijd een optie. Tenminste, in ons vreedzame landje wel. 

Hier, waar het gras het groenst is

Mijn twee jaar durende aaneenrijging van desillusies had een groot voordeel: Ik leerde mijn beperkingen kennen én Nederland herwaarderen en nu, jaren later, besef ik me met regelmaat hoe goed ik het hier eigenlijk heb. Ben ik dankbaar dat ik in dit land geboren ben, waar ik in veiligheid, welvaart en vrijheid ben opgegroeid, als meisje dezelfde kansen kreeg als de jongens en waar ik gedegen onderwijs heb mogen genieten. Gewoon, met dezelfde rechten en plichten als u. Het land waar ik met mijn actief en passief kiesrecht een klein maar proportioneel vingertje in de pap heb.

Niet dat je hier alles zo maar cadeau krijgt, Nederland is geen land van melk en honing, geen Luilekkerland. De rivieren zijn niet van limonade en de gebraden ganzen vliegen niet zo je bakkes in, om het maar zo te zeggen. Daarvoor schijnt u zeven mijlen voorbij Kerstmis te moeten reizen.

Nee, mijn ouders hebben zich voor die welvaart het schompes gewerkt bijvoorbeeld en ze hebben ook jarenlang moeten sappelen. Dat heb ik op mijn beurt ook moeten doen en weet u? Dat is niet erg. 

Elders hebben maar zeer weinigen het beter. Elders hebben zeer velen het slechter. 

Syriëgangers

Daarom reageerde ik dan ook in beginsel wat laconiek op de berichten over Syriëgangers. Hè, wanneer je denkt daar gelukkiger te worden dan je hier ooit was – vooral gaan. Maar daar gaat het niet om. In Syrië woedt een vreselijke burgeroorlog. Miljoenen Syriërs zijn op de vlucht. Tienduizenden lieten het leven. Een derde van de bevolking heeft zelfs geen huis meer. Er wordt “etnisch gezuiverd” zoals dat zo mooi eufemistisch heet. Niet een land dus, waar je naartoe gaat om te settelen. Laat staan met een gezinnetje. Nee, er moet een ideologische strijd gevochten worden.

Minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken trad gistermorgen op in het televisieprogramma WNL Op Zondag. Wat hij te vertellen had was ontluisterend. In “een stuk of tien” Nederlandse gemeenten bevinden zich kleine groepjes van jihad-aanhangers. Het gaat om een paar honderd mensen die dat gedachtegoed echt aanhangen en duizenden sympathisanten.

Eng hoor!

Zo’n honderdveertig Nederlandse jongelui reisden al af naar Syrië en Irak om te vechten voor de Islamitische Staat (IS). Jonge mensen, zowel hoog- als laagopgeleid, die zich kennelijk in het geheel niet thuis voelen in onze democratische rechtstaat en deze graag inruilen voor een kalifaat. Vijftien van hen sneuvelden en naar verluidt zijn er dertig teruggekeerd.

Er zouden zelfs twee hele gezinnen zijn afgereisd, “om zich in Syrië aan te sluiten bij een jihadistische groepering”. Een van die gezinnen is vermoedelijk dat van Jermaine J. Hij is de broer van Jason W., die u vast nog wel kent van zijn aandeel in de Hofstadgroep. Hij moet drie minderjarige kinderen mee op sleeptouw hebben genomen. Dat vind ik vreselijk.

Veiligheidsdiensten hebben er nog een aantal in de peiling, dat ook naar Syrië af zou willen reizen. Hoeveel dat er zijn, dat wilde minister Plasterk niet vertellen.

De minister noemde dat “heel gevaarlijk”. Ze kunnen getraumatiseerd terugkomen. Ze kunnen daar allerlei vervelende technieken leren en die dan hier in de praktijk willen brengen. Net als de teruggekeerde Syriëganger, die een aanslag pleegde op een Joods museum in Brussel. Je moet er toch niet aan denken dat een koppensneller zoals Khalid K. zich doodleuk weer in Almere vestigt.

Doodeng natuurlijk en daar maken we ons allemáál zorgen over, het leeuwendeel van de Nederlandse moslims incluis. Die zorg wordt zo breed gedragen dat het zelfs de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb (PvdA) en wethouder Joost Eerdmans (Leefbaar Rotterdam) tot elkaar bracht in een gezamenlijk geschreven open brief in het dagblad Trouw. De heren zijn het eens:

“Wie oproept tot het afreizen naar oorlogsgebieden om de wapens op te pakken, pleegt verraad. Niet alleen aan de kernwaarden van onze democratie, maar ook aan zijn ouders, die juist naar het vrije en tolerante Nederland zijn gekomen of gevlucht om hun kinderen een goede toekomst te geven”.

De heren kaarten en passant nog even een kardinaal probleem aan: het ontbreekt Rotterdam aan juridische middelen om haatpredikers uit de VS en Groot-Brittannië tegen te houden. Die hebben geen visum nodig en kunnen ongehinderd Nederland binnenkomen.

Nu het kabinet toch bezig is met haar actieplan tegen jihadisme… daar wat tegen doen lijkt me een stuk productiever dan het rücksichtslos opslaan van de reisgegevens van alle Nederlanders. Iedere keer dat ons schrik aangejaagd wordt lijkt er aan onze privacy gemorreld te moeten worden en dat lijkt me nu ook weer niet de bedoeling.

Om nog maar niet te spreken van minister Opstelten, die deze gelegenheid aanpakte om in het openbaar te dromen van het buitenspel zetten van de rechter. Nee, zonder tussenkomst van die rechter wil hij graag eigenhandig paspoorten af gaan nemen van Syriëgangers. Et tu, Brute? Ook u heeft van onze rechtstaat af te blijven hoor!

Paspoort

Ahmed Aboutaleb riep voorts Nederlandse jihadgangers op hun paspoort bij hem te komen inleveren, want als je de Nederlandse grondwet verwerpt door met IS mee te willen vechten, dan verwerp je ook het Nederlandse paspoort. Tegen mensen die zeggen Nederland te verachten en niets te maken denken te hebben met haar grondwet zegt hij: “Wees dan een vent en kom maandag om half negen je paspoort bij mij inleveren”.

Hij heeft gelijk, vind ik. Wie zo weinig binding heeft met de democratische rechtstaat Nederland dat hij zich geroepen voelt zich in den vreemde in de gewapende strijd te mengen doet er beter aan Nederland helemaal de rug toe te keren. Mensen die het nodig vinden hun “broeders” te gaan helpen in de gewapende strijd. Lever je Nederlandse paspoort in.

Was u verbaasd trouwens, over die “broeders” achter de laatste link? Dat het geen moslims zijn? Desondanks toch honderden jongeren die de afgelopen jaren bij een vreemde strijdmacht leerden vechten?

Enfin. Vroegâh (u weet wel – toen alles beter was) raakten Nederlanders die in vreemde krijgsdienst traden vrijwel automatisch het Nederlanderschap kwijt en daarna was het nog maar de vraag of ze überhaupt nog in het land werden toegelaten. Vervelend, maar dan hadden ze maar niet onder andermans vlag de vechtjas uit moeten hangen. Daar is heel wat voor te zeggen en, zoals Dr. Phil zijn publiek graag voorhoudt; “If you choose the behavior, you choose the consequence”. Nu kunt u van die kalende Texaan zeggen wat u wilt, maar dat is een waarheid als een koe.

Uitgerekend democratie laat zich niet gewapenderhand opleggen, maar wanneer ze u niet zint bent u wel vrij haar de rug toe te keren.

Rest de vraag wat te doen wanneer de desillusie toeslaat? 

Oorlog en vrede

“Mensen zijn niet geschapen voor oorlog. Mensen zijn geschapen voor vrede.”

Mooie woorden van de Rotterdamse burgervader vandaag, tijdens de herdenking bij het Nationaal Koopvaardijmonument De Boeg. Het is een van de mooiste monumenten in de stad, vind ik. De bijna vijftig meter hoge boeg die golven van gewapend beton doorklieft, met aan haar voet een bronzen beeldengroep. Een roerganger, drie zeelieden en een verdronkene, die verstild met een kabel aan elkaar en aan de boeg zijn verbonden. De kolossale scheepssteven is een monument ter nagedachtenis aan de ruim 3.500 burgerslachtoffers die tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlog het leven verloren op zee, bij de ondergang van honderden Nederlandse koopvaardijschepen.

Burgemeester Aboutaleb verwees tijdens zijn toespraak naar de tentoonstelling in de Kunsthal, waar op het moment honderd bijzondere voorwerpen uit de Tweede Wereldoorlog te bekijken zijn. Een van die voorwerpen is een kogelvrij vest, gedragen door Roeland Jan Kroesen. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was hij een van de opvarenden van de Koopvaardijvloot en daar moest hij, bij Koninklijk Besluit, bij in dienst blijven. Die vaarplicht trof 12.000 opvarenden en zou pas in 1946 weer opgeheven worden. Op 25 april 1941 werd ss Pennland van de Holland-Amerika Lijn bij Kreta gebombardeerd en de oceaanstomer verging. Roeland Jan Kroesen was een van haar opvarenden, hij overleefde.

“Wie het gunner’s vest in de Kunsthal bekijkt, beseft hoe weinig veiligheid een kogelvrij vest kan bieden tegen de overmacht van onderzeeërs en jachtbommenwerpers. Er kan maar één conclusie zijn: mensen zijn niet geschapen voor oorlog. Want dat is de les die we kunnen trekken uit alle ellende en bruutheid van de Tweede Wereldoorlog.”


Tegen oorlogsgeweld zijn we inderdaad slecht bestand. Of dat betekent dat de mens niet voor oorlog maar voor vrede “geschapen” is, dat is dan weer een tweede. Aan de andere kant immers, die onderzeeërs en jachtbommenwerpers zijn wel van menselijke makelij. Het zijn mensen die zulk oorlogstuig verzinnen, fabriceren, verhandelen en gebruiken. Het zijn mensen die het gewapend conflict met elkaar opzoeken. De menselijke geschiedenis staat bol van oorlog, terreur en geweld. Oorlogszucht lijkt toch in onze menselijke natuur te zijn ingebakken, zo bezien.

Als we de omstreden demograaf en hoogleraar sociaalpedagogiek Gunnar Heinsohn mogen geloven is er zelfs een demografische oorzaak voor oorlog aan te wijzen. Dat legde hij jaren geleden uit in een boek, ‘Zonen grijpen de wereldmacht’.  Een bevolkingsexplosie die samengaat met een oververtegenwoordiging van jonge mannen (een ‘youth bulge’) blijkt, zeker wanneer die angry young men weinig goede vooruitzichten hebben, een beproefd recept voor gewelddadige conflicten.

Dat stemt somber, nietwaar? Toch gloort er hoop aan de horizon. Wie de moeite neemt de enorme pil ‘The Better Angels of Our Nature’ van Steven Pinker van kaft tot kaft te lezen komt daarmee tot de ontdekking dat de mens nu vreedzamer is dan hij ooit geweest is. Naarmate de geschiedenis vordert is de mens zich allengs minder gewelddadig gaan gedragen. Steven Pinker, hoogleraar psychologie te Harvard, verwijst met de titel naar een uitspraak van Abraham Lincoln over menselijke vermogens als empathie, moraal en rede.

Deze vermogens (die “better angels”) hebben in de loop van onze geschiedenis steeds meer vat op onze “innerlijke demonen”, zoals  prooigedrag, dominantie, wraak, sadisme en totalitaire ideologieën gekregen. Daardoor wordt er steeds minder oorlog gevoerd en dalen de moordcijfers. Die afname past, volgens meneer Pinker, in het beschavingsproces waarin de mens leert zijn driften te beheersen.

Hij wijst factoren aan die een dempend effect hebben op menselijk geweld; de humanitaire revolutie, een staatsmonopolie op geweld, de handel die ervoor zorgt dat vrede loont en het inruilen van eergevoel tegen persoonlijke waardigheid. Onze groeiende aversie tegen agressie uit zich in ‘rechtenrevoluties’; mensenrechten, burgerrechten, vrouwenrechten, kinderrechten, homorechten en zelfs dierenrechten.

In een ander boek, ‘The End of War’ van John Horgan, is verdere geruststelling te vinden: Biologisch gezien is de mens net zo goed geprogrammeerd voor een vreedzaam als voor een gewelddadig bestaan. Oorlog is niet onvermijdelijk en het is geen intrinsiek onderdeel van de menselijke natuur, maar een cultureel fenomeen en een keuze. John Horgan meent dat oorlog af te schaffen is, net zoals dat met slavernij gebeurd is.

Vandaag herdenken we álle slachtoffers, zowel burgers als militairen, die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vielen, ongeacht of ze binnen of buiten de landsgrenzen stierven. In oorlogssituaties en bij vredesoperaties. Allemaal slachtoffers van menselijk geweld. Slachtoffers van mensen die ervoor kozen anderen geweld aan te doen. Joden, Roma, Sinti, etnische Polen, Slaven en Sovjets, homoseksuelen, fysiek en mentaal gehandicapten, politieke tegenstanders, vakbondsleden, Spaanse republikeinen, sociaaldemocraten, communisten en socialisten, esperantisten. vrijmetselaars, Jehova’s getuigen, Vrije Bijbelonderzoekers, priesters en “asociale elementen” zoals woonwagenbewoners, kermisgasten  en werkweigeraars.

Dat herdenken is belangrijk, zeker in een tijd waarin een politicus ongegeneerd spreekt over “minder, minder, minder Marokkanen” en een jonge rapper onbeschroomd zingt over flikkers die hij geen handje wil geven en “die fokking Joden” die hij meer haat dan de nazi’s.

Je zou om minder even stil vallen.

Nationaal Herdenken

Mei is aangebroken, het zonnetje schijnt, en met de inhuldiging van koning Willem-Alexander nog in de benen wordt er alvast vooruit geblikt naar 4 en 5 mei.

Ieder jaar gaan onze gedachten eerst uit naar de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, de mensen die werden vermoord, omkwamen, en daarna herdenken we ook anderen, Nederlanders die zijn omgekomen in oorlogssituaties en bij vredesoperaties ná de Tweede Wereldoorlog. Dat laatste doen we al sinds 1961.

Toch is daar “opeens” meneer Hans Vuijsje, die ons in de Volkskrant namens de Joodse gemeenschap wil laten weten dat deze zich door die ruimere interpretatie van herdenken diep gekwetst voelt.

“Diep gekwetst is ze door de verbreding van de Nationale Herdenking. Die herdenking krijgt steeds meer een algemeen karakter. Het zijn niet alleen de gevallen verzetsstrijders, de vermoorde Sinti en Roma, de uitgeroeide Joodse gemeenschap en de gevallenen in Nederlands-Indië die herdacht worden, maar ook soldaten die omkwamen na de jaren 1940-’45.”
 

Definitie Nationale Herdenking

Sterker nog, volgens de twee definities van de Nationale Herdenking (een van de overheid en een van het Nationaal Comité 4 en 5 mei) herdenken we álle slachtoffers, dus zowel burgers als militairen, die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vielen, ongeacht of ze binnen of buiten de landsgrenzen stierven. In oorlogssituaties en bij vredesoperaties.

Het verschil tussen beide is dat die van de overheid zich beperkt tot Nederlandse slachtoffers.

Dat is inderdaad ruim. Volgens de geldende definities zouden we gedode collaborateurs en, in het geval van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, zelfs nazi’s mogen en kunnen herdenken. Oei, dat ligt al te gevoelig, me dunkt. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt die lieden te herdenken, dat doe je niet met daders.

De slachtoffers 

Wanneer ik eens bij mezelf te rade ga, dan denk ik in de twee minuten stilte zeker aan al die Joodse mensen die werden vermoord, gewoon omdat ze Joods waren. Aan Anne Frank en Etty Hillesum, wier dagboeken in mijn boekenkast staan. Ook aan de Roma en de Sinti inderdaad. De nazi’s vonden de Joden untermenschen, maar op zigeuners hadden ze het ook niet.

Ik probeer ook aan al die anderen te denken; Etnische Polen, Slaven en Sovjets. Homoseksuelen, fysiek en mentaal gehandicapten, ook die werden allemaal met hetzelfde gemak om het leven gebracht. Staatsgevaarlijke lieden en politieke tegenstanders, vakbondsleden, Spaanse republikeinen, sociaaldemocraten, communisten en socialisten. Esperantisten. Vrijmetselaars, Jehova’s getuigen, Vrije Bijbelonderzoekers, priesters. “Asociale elementen” zoals woonwagenbewoners, kermisgasten  en werkweigeraars…

De lijst is schier eindeloos. Ik vergeet er ongetwijfeld ieder jaar wel een paar, net als meneer Vuijsje vandaag – al maakt hij het wel erg bont. Daarna sta ik ook nog even stil bij latere slachtoffers.

De stilte ontroert me overigens ieder jaar weer. Het verkeer en het openbaar vervoer, daar waar het kan zelfs de hulpdiensten, alles komt even tot stilstand. Dat vind ik bijzonder in onze maatschappij van hollen en rennen, met onze 24-uurseconomie en onze alomtegenwoordige luidruchtige aanwezigheid.

Razzia Rotterdam

Drie jaar geleden werden (tijdens de herdenking in Rotterdam) voor het eerst de ruim vijftigduizend mannen genoemd, die tijdens een grote razzia door de Duitsers werden weggevoerd om te werk gesteld te worden in Duitsland. Na het bombardement op Rotterdam durfden maar weinigen zich tegen de nazi’s te verzetten. Rotterdammers wisten immers al als geen ander waartoe de vijand in staat was. Toch is deze mannen jarenlang verweten dat ze zich “vrijwillig” en “als makke schapen” zouden hebben laten afvoeren. Wat herdacht worden betreft kwamen ze er door de jaren heen dan ook bekaaid vanaf.

Ik was en ben burgemeester Aboutaleb juist dankbaar dat hij ook hen eindelijk hun rechtmatige plaats in onze herdenking durfde te geven.

Herdenken beperkt zich voor mij ook niet tot de doden. Ik denk altijd nog even aan mijn grootouders, die allen de oorlog overleefden. Mijn opa, die met zijn accordeon op zijn rug ontsnapte uit Kamp Amersfoort. De generatie die de oorlog doormaakte, de overlevenden, de mensen die Nederland uit de puinhopen opnieuw opbouwden.

Mijn oma, die het bombardement meemaakte en gedwongen werd, samen met andere passanten, naar de fusillade op de Beneden-Oostzeedijk te kijken. Haar beschrijving van het boertje, dat daar ondermeer werd doodgeschoten, is me altijd bij gebleven. Ze heeft hem zien liggen, met zijn klompen aan en een mandje eieren aan de arm. Hij was niet bij het verzet, was geen Jood of zigeuner maar stierf evengoed. 

Toen de oorlog in Irak uitbrak herleefde mijn oma het bombardement. Handenwringend zat ze voor de televisie te huilen. Is dat niet ook het herdenken waard? Of moet leed fysiek, zelfs fataal zijn, wil je het mogen herdenken?

Persoonlijke beleving

Herdenken mag dan natuurlijk ook best een beetje persoonlijk zijn. Ook al staan we met zijn allen stil, ieder beleeft die twee minuten stilte op zijn eigen manier. Die strijd over wie er wel en niet herdacht mogen worden vind ik dan ook uitermate storend – niet te zeggen aanmatigend.

Goed, dat het (willen) herdenken van collaborateurs en nazi’s gevoelig ligt en dat daar geen animo voor is, dat mensen het zelfs als pijnlijk kwetsend ervaren, dat begrijp ik. Met die gevoeligheden moet ook rekening gehouden worden.

Daarnaast echter, is het een Nationale Herdenkingsdag. Slachtoffers van de Politionele Acties in Nederlands-Indië, mensen die sneuvelden tijdens latere vredesmissies – ook dat zijn onze nationale doden. Onder de mensen die herdenken zijn almaar minder mensen die zelf de Tweede Wereldoorlog nog meemaakten en we herdenken juist opdat ook de generaties na hen weten; “Dit nooit weer”. 

Die les willen we doorgeven. Actueel houden. Misschien is het dan ook niet verwonderlijk dat die les van toen gespiegeld wordt op recentere gebeurtenissen. Misschien is dat zelfs wel noodzakelijk, want hoe langer geleden, des te abstracter wordt zo’n gebeurtenis in ons gezamenlijk geheugen. Misschien is juist wel het belangrijkste onderdeel van die les dat, wat er toen gebeurde, opnieuw gebeuren kan. 

Iedereen kan die volgende keer slachtoffer zijn. Iedereen kan die volgende keer dader zijn. Het is aan ons allemaal om dat niet te laten gebeuren.
 

Kwalijk

Meneer Vuijsje meent dat het “algemene karakter” van de Nationale Herdenking kwetsend is voor Joodse Nederlanders. Hij schetst een beeld van een gemeenschap die “het gevoel heeft dat antisemitisme in de Nederlandse samenleving toeneemt, zich kwetsbaar voelt en – vooral – het gevoel heeft ‘er alleen voor te staan’.”

Dat sentiment stemt me treurig, maar ik vind het ook wat tegenstrijdig.

Het veranderende karakter van die Nationale Herdenking is onontkomelijk, de geschiedenis staat niet met de Tweede Wereldoorlog stil. Het sluit de Joodse gemeenschap ook zeker niet uit, er blijft aandacht voor de Holocaust en alle slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. De Joodse gemeenschap kan en mag verkiezen stil te blijven staan in de voortkabbelende beek van onze nationale geschiedenis, maar dat doet het water niet stilstaan.

Meneer Vuijsje gaat verder en koppelt groeiend antisemitisme, een verruwende maatschappij, een kritischer houding ten op zichte van jongensbesnijdenis en het onbedwelmd slachten (fundamentalistisch-atheïsme noemt meneer dat) aan dat veranderende karakter van de Nationale Herdenking – dat is geen fair play.

Antisemitisme moet bestreden worden, net als elk ander xenofobisch gedachtengoed, maar dat redden we niet met die ene dag herdenken alleen. Die verruwende maatschappij raakt ons allen en niet louter meneer Vuijsje, en ook dat staat los van de Nationale Herdenking.

Kritiek op jongensbesnijdenis en het onbedwelmd slachten zal meneer Vuijsje moeten leren velen, wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn gemeenschap gebeurd is kan geen makkelijk middel zijn om hedendaagse kritische monden te snoeren. Dat is misbruik maken van de geschiedenis, vind ik.

Aanstaande zaterdag zal ik in die korte twee minuten weer proberen állen te herdenken. Misschien, heel misschien, steel ik nog een seconde om te denken aan de jongste jongens die niet vrijwillig in het leger van de Duitse bezetter dienden. Meteen zal ik denken aan Etty Hillesum, in al haar wijsheid;

“En al zou er nog maar één fatsoenlijke Duitser bestaan, dan zou die het waard zijn in bescherming genomen te worden tegen de hele barbaarse bende en om die éne fatsoenlijke Duitser zou men dan niet zijn haat mogen uitgieten over een geheel volk.”
 

Beschroomd zal ik daarna huiswaarts keren.

10 november 1944

In alle consternatie van gisteren miste ik bijna de beelden van de herdenking hier, in het Rotterdamse. Tijdens een herdenkingsbijeenkomst in de Laurenskerk brak burgemeester Aboutaleb een lans voor de ruim vijftigduizend mannen die tijdens een grote razzia door de Duitsers werden weggevoerd om te werk gesteld te worden in Duitsland.

Na het bombardement van 14 mei 1940, waarbij het hart uit de stad werd weggeslagen, noemde onze burgervader dus ook 10 november 1944, de dag dat al die mannen zich gedwongen zagen de straten op te gaan. De Duitsers hadden hen van tevoren al opgeroepen vooral niet thuis te blijven maar zich te melden om “ernstige gevolgen” voor hun gezinnen te vermijden.

Na dat bombardement durfden maar weinigen zich tegen die Duitse orders te verzetten, Rotterdammers wisten immers als geen ander waartoe de vijand in staat was. Toch is hen jarenlang verweten dat ze zich “vrijwillig” en “als makke schapen” zouden hebben laten afvoeren. Wat herdacht worden betreft kwamen ze er door de jaren heen dan ook wat bekaaid vanaf.

Van mijn oma aan moederszijde weet ik dat ze het bombardement heeft uitgezeten, ze vertelde daar zelf soms over. Ze werd zelfs samen met andere passanten gedwongen naar de fusillade op de Beneden-Oostzeedijk te kijken. Haar man overleed toen ik een jaar oud was, tot mijn verdriet heb ik daar geen herinneringen aan, behalve dan wat zij en mijn moeder over hem vertelden. Ze is haar hele verdere leven angstig gebleven voor oorlog, geen wonder als je bedenkt dat ze beide wereldoorlogen meemaakte. Van alle opa’s en oma’s heeft ze het langst geleefd, dus van haar heb ik sowieso meer verhalen gehoord dan van opa en oma van mijn vaders kant. Die spraken, voor zover ik mij kan herinneren, helemaal niet over de oorlog.

Van mijn vader weet ik dat zijn vader een van die vele mannen was, die zich moesten komen melden. Omdat hij musicus was werd hem opgedragen met zijn accordeon aan te treden. Hij belandde in Kamp Amersfoort waar hij voor de gevangenen en de moffen moest spelen. Dat gaf hem wat meer vrijheid dan de andere gevangenen in het kamp en op een nacht is hij samen met een andere musicus ontsnapt. Met zijn accordeon op zijn rug is hij van Amersfoort naar Rotterdam komen lopen. Ergens tijdens dat traject kon hij niet meer en is hij in slaap gevallen. Daar heeft die andere musicus hem in de steek gelaten. De wetenschap dat hij bij ontdekking door de Duitsers onmiddellijk door het hoofd geschoten zou worden moet angstaanjagend zijn geweest.

Toch geraakte opa thuis en hij dook onder bij zijn schoonmoeder, mijn overgrootmoeder dus. Zij woonde toen in de Slotstraat. Verder weet ik van mijn vader dat opa tijdens die onderduikperiode stiekem kooltjes raapte voor hun noodkacheltje, op het rangeerterrein langs de Maas. Tijdens de Hongerwinter kwam mijn vader ter wereld, toen de mensen van ellende al tulpenbollen aten.

Van opa zelf weet ik niets over die periode, die wilde er in het geheel niet over praten. De enorme hoeveelheden etensvoorraad in de kast in de voorkamer kan ik me echter nog wel herinneren. Ik heb hem ook nooit op zijn accordeon horen spelen, al had het instrument wel een eigen plekje in hun huiskamer. Ik meen wel dat ik hem het gevaarte een keer op zijn knie heb zien hijsen en hij wat aan de knoppen morrelde, maar hij zette het instrument daarna al gauw weer neer. Verzoekjes weigerde hij pertinent en dat terwijl hij een begenadigd musicus moet zijn geweest, beroepsmuzikant zelfs en hij met zijn orkestje toch enige bekendheid genoten heeft.

Zelfs mijn vader hamstert nog altijd, nu ik er zo eens over nadenk; ook bij mijn ouders staan de blikjes en de potjes opgetast. Wanneer er iets gebeuren zou dat hen aan huis kluistert hebben ze altijd eten genoeg in huis om het twee weken uit te zingen.

Ik ben me bewust van de tol die de vrijheid die ik vandaag de dag geniet gekost heeft. De verhalen van de generaties voor mij doen me beseffen wat het betekent wanneer die vrijheid je afgenomen wordt, zoals in de tijd dat dit land zuchtte onder het juk en de laars van de nazi. Daarom herdacht ik gisteren en ben ik vandaag dankbaar.

O, en ik ben de heer Aboutaleb zeer erkentelijk.

Verwende mannetjes

Op de valreep is besloten dat de bekerfinale tussen Ajax en Feyenoord van pure voetbalellende in tweeën geknipt zal moeten worden.

Het veiligheidsrisico is te groot en de enorme politiemacht, die op de been gebracht zou moeten worden om de heren hooligans ervan te kunnen weerhouden Rotterdam nog eens tot rokende puinhopen te reduceren, werd buitenproportioneel. Dat kun je zowel het Rotterdamse politiekorps als de belastingbetaler niet aandoen.

Het is natuurlijk jammer dat onze burgervader niet van meet af aan zijn poot stijf hield en het reeds bestaande verbod uitpubliek mee te nemen handhaafde, maar beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Ook de KNVB heeft in die kwestie boter op haar hoofd, want tot een paar dagen geleden was zo’n tweedeling “onbespreekbaar”.

Bij de heer Kesler is wel een kwartje gevallen. Hij liet weten dat de voornaamste reden tot dit besluit de ontstane maatschappelijke onvrede is, over de al te hoge politiekosten bij deze bekerfinale. Zijn oproep aan voormalig minister Guusje ter Dorst de “verwende kerels van de politie geen cent extra te geven” staat me nog helder voor de geest, evenals de allergische reactie die zijn organisatie gaf op een eerdere suggestie dat ze best eens aan die kosten bij zou kunnen dragen. Daarbij ging hij fijntjes voorbij aan het feit dat de belastingbetaler al jarenlang tegen heug en meug de voornaamste voetbalsponsor is -en zowel de KNVB als de clubs en hun aanhangers daar al die tijd schaamteloos van hebben geprofiteerd.

Bij wijze van dank scandeerde men onwelgevalligheden, pleegde vernielingen, organiseerde veldslagen tot in Nancy aan toe en sloeg men elkaar ongenegeerd de koppen in.

De heren hooligans, of supporters zo je wilt, valt dus nog het meest te verwijten. Helaas moet juist in die hoek dat spreekwoordelijke kwartje nog indalen en dat bleek vanavond nog maar eens tijdens een protestmars van Feyenoordsupporters. Er werd niet geprotesteerd tegen de wanordelijkheden uit eigen gelederen, die deze onverkwikkelijke beslissing noodzakelijk maakten, maar tegen de beslissing an sich. Om het totale onvermogen causale verbanden te leggen nog maar eens te onderstrepen gooide men stenen naar de opgetrommelde Mobiele Eenheid.

Supportersvereniging Ajax betoont zich van hetzelfde sop overgoten. Ook zij blijken in het geheel niet in staat een hand in eigen boezem te steken en komen tot de lumineuze conclusie dat “we blijkbaar met z’n allen in Nederland niet meer in staat zijn dergelijke grote en incidentele duels veilig te organiseren.” Dat is bezijden de waarheid; het kán wel maar de te nemen maatregelen lopen de spuigaten uit en daar zijn ze zelf debet aan. De maatschappij wenst simpelweg niet langer hooligans te financieren.

Wanneer de heren hooligans straks alsnog en geheel onverdiend de gelegenheid krijgen Feyenoord-Ajax te aanschouwen en de rust aanbreekt is er misschien tijd voor een moment van reflectie (secondenwerk is prima, je moet hen niet overvragen); wie zijn er hier de verwende mannetjes nu eigenlijk?

Voetbal is oorlog

Ik heb in het geheel niets met voetbal. Sterker nog, ik heb er een hartgrondige hekel aan. Ik negeer consequent iedere uitleg van het fenomeen “buitenspel”, hoe goed bedoeld ook, en wanneer ik onverhoopt op een voetbalwedstrijd op televisie stuit zap ik zo snel mogelijk weg. Gras, zo is mijn stelligste overtuiging, is voor koeien.

Behalve dat het spel an sich me niet bekoren kan hebben de randverschijnselen, die deze sport in overvloed met zich mee brengt, mijn hekel door de jaren heen gevoed. Op de een of andere manier is het voornamelijk voetbal waar verschijnselen als georganiseerd hooliganisme en voetbalvandalisme (what’s in a name?) onlosmakelijk mee verbonden zijn.

Nergens wordt duidelijker dat de menselijke beschaving maar een dun laagje vernis is, waaronder nog altijd een primitieve aard schuilgaat, dan bij voetbal. Het doet me denken aan de stammenoorlogen van weleer; primitievelingen die zich verenigen in mannenbroederschappen en tegen elkaar stelling nemen louter omdat de tegenpartij tot een andere stam behoort. Zo’n stammenkrijg, een orgie van geweld, is een uitlaatklep bij uitstek voor een teveel aan testosteron. Opponenten dreigen en brullen om het hardst om hun tegenstander te imponeren en tooien zich met de wapens en kleuren van de achterban. De Slag bij Beverwijk klinkt als iets uit de donkere middeleeuwen.

Nee, deze sport verbroedert niet, maar maakt vooral het slechtste in de mens los en dan heb ik het niet alleen over de spreekkoren tijdens wedstrijden, het scanderen van schuttingtaal, toevoegingen als “Joden!” (liefst gepaard met venijnig gesis) wanneer Ajax speelt of vuurwerkgeluiden wanneer Twente de grasmat betreedt. Dat is alleszins erg genoeg, maar bleef het daar maar bij. Onder de valse vlag van “clubliefde” kwam het al tot vernielingen, geweldplegingen, heuse veldslagen en er vielen zelfs al doden.

Voetballiefhebbers hebben meermaals bewezen zich niet te kunnen gedragen; raakten ze niet slaags in een voetbalstadion, dan sloopten ze de binnenstad wel van een van de grote steden. Vorig jaar werd, omwille van ongeregeldheden tussen supporters van respectievelijk Feyenoord en Ajax na een wedstrijd tussen beide clubs, bij wijze van strafmaatregel, besloten dat wedstrijden tussen beide vijf jaar lang zonder uitpubliek gespeeld zouden worden.

Dat was mild, als het aan mij lag was het al lang en breed tijd het gras weer aan de koeien te laten. Die vragen een stuk minder ME-inzet, da’s meteen goedkoper ook.

De beslissing van burgervader Achmed Aboutaleb om die maatregel op te schorten voor de bekerfinale eind deze maand vind ik betreurenswaardig. Zeker na de rellen in Hoek van Holland, een nieuw dieptepunt, waarbij een ander kwalijk fenomeen dat opgeld doet onder deze piepeltjes nog eens uitvergroot werd; de neiging die opgeklopte agressie te botvieren op de autoriteiten. Dat zulks nu ook buiten de voetbalstadions en tijdens gelegenheden die niets met voetbalwedstrijden te maken hebben plaatsvindt is buitengewoon zorgwekkend.

Saillant detail is dan dat de gebleken relschoppers van dat “strandfeest” gewoon welkom zijn bij deze bekerfinale, want die is niet aangemerkt als risicowedstrijd.

Wellicht is het unfair hele supportersclubs te straffen voor wat een (niet bepaald selecte) groep onder hen aanricht, maar daar staat een schrijnend gebrek aan enig zelfreinigend vermogen onder de diverse supportersgroepen tegenover. Men spreekt zich nauwelijks uit tegen excessen en doet bar weinig de harde kern tot rede te brengen. Wanneer de zaken zo gelegen zijn, moeten de goeden maar onder de kwaden lijden. Vreemd genoeg doen ook de voetbalclubs en zelfs de KNVB weinig tot niets om hun aanhangers betere manieren bij te brengen. Zelfs maar de suggestie dat zij best mee kunnen betalen aan de inzet, die de politie plegen moet om de heren hooligans in toom te houden, is voor deze organisatie reden geweest om verongelijkt te reageren. Toch komt het mij erg vreemd voor dat de maatschappij hiervoor opdraaien moet.

Ik mag dus niets met voetbal ophebben, ik heb wel heel veel met Rotterdam, de stad waar ik geboren en getogen ben. Het plaatje dat supportersclub Afca meende op haar voorpagina te moeten voeren en de oproep tot geweld daarbij raakten me. Het gaat aan alle grenzen van het betamelijke voorbij. Mijn oma zaliger zat het bombardement op Rotterdam uit, een gebeurtenis die haar voor het leven geschaad heeft. Kort na het uitbreken van de Irakoorlog zat het mensje huilend en handenwringend voor haar televisie en een paar dagen laten stonden haar keukenkastjes vol conserven.

De onnadenkende, hersenloze onbeschoftheid die uit dat plaatje spreekt is kwalijk. Maar soit, dat is waarschijnlijk waarom de politie haar paarden mee naar voetbalwedstrijden placht te nemen en die dan op een steenworp afstand van de supporters parkeert -dat is natuurlijk in de goede hoop dat de schuimbekkende horden daar het nadenken aan over zouden laten.