Nederland in Europees perspectief

Het Sociaal Cultureel Planbureau publiceerde op 8 oktober jongstleden de uitkomsten (PDF) van een onderzoek naar de stemming in Europa. Het onderzoek is uitgevoerd door onder anderen Jeroen Boelhouwer (SCP), Gerbert Kraaykamp (Radboud Universiteit) en Ineke Stoop (SCP). De stemming in andere Europese landen werd vergeleken met die in ons mooie kikkerlandje. Onze Nederlandse opinies, houdingen en waarden werden de maat genomen en tegen de Europese lat gelegd.

Binnen de context van de gebeurtenissen van de laatste jaren, zoals economische crisis, de penibele financiële situatie van Griekenland en de vluchtelingenstroom die onze kant op komt, zijn de onderzoekers op zoek gegaan naar de solidariteit en de bereidheid elkaar behulpzaam te zijn tussen de Europese landen onderling – en naar gedeelde en ongedeelde waarden, normen en opvattingen. Dat staat natuurlijk garant voor interessante uitkomsten, al was het maar omdat Europa alles behalve eenheidsworst is.

Om die stemming te peilen, en de respectievelijke stemmingen te kunnen vergelijken, hebben de onderzoekers zich toegespitst op een drietal pregnante onderwerpen; Migranten, het vertrouwen in de politiek en de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Daarnaast hebben zij het geluksgevoel onder de bevolking getracht te meten. Een onderzoek dus dat zich vooral bezighoudt met subjectieve zaken en dat op basis van subjectieve gegevens.

Voor hun onderzoek hebben zij onder andere gebruik gemaakt van gegevens uit de European Social Survey, uit 2012, waaraan 28 landen meededen. Eind dit jaar verwachten ze de uitkomsten van de meest recente European Social Survey. Daarnaast baseerden ze zich op hardere data zoals die van Eurostat, de oecd, de Wereldbank en het IMF en deden zij nader literatuuronderzoek.

Met dat alles willen ze ons, Nederlanders, graag een spiegel voorhouden.

Daar houd ik wel van. Kom maar op met je spiegel. Ik ben dus zo aardig geweest dit 144 pagina’s tellende rapport voor u door te spitten.

Migranten

Nederland blijkt een middenmoter voor wat betreft de weerstand die wij tegen migranten voelen. Er blijkt daarnaast een samenhang te zijn tussen in hoeverre wij migranten als een bedreiging ervaren en onze mate van ‘euroscepsis’. Lageropgeleiden blijken daarnaast meer dreiging van migranten te ervaren en tegelijkertijd sterker eurosceptisch te zijn dan hogeropgeleiden.

De onderzoekers zien een directe relatie tussen die ervaren dreiging en de daarbij behorende eurosceptische houding en de steun voor nationalistisch-populistische partijen. In landen met een relatief grote aanhang van nationalistisch-populistische partijen is de negatieve houding ten opzichte van migranten en de Europese Unie sterker.

De meeste Nederlanders (80%) vinden dat er slechts een beperkt aantal migranten moet worden toegelaten. Het percentage Nederlanders dat vindt dat er veel migranten of juist helemaal geen migranten moeten worden toegelaten is klein. Kennelijk geven die laatsten dan wel beduidend meer geluid, maar dat is mijn perceptie.

In het algemeen blijkt het in Nederland zo te zijn dat de moeite die iemand met migranten heeft, toeneemt naarmate het contact dichterbij komt. Maar ook hier is in Nederland de houding milder geworden. Tussen 2002 en 2013 is het aandeel mensen dat er moeite mee heeft mensen van een andere etnische achtergrond als buren te krijgen, afgenomen van bijna 60% tot 33%; de weerstand tegen iemand van een andere etnische achtergrond als schoonzoon is eveneens gedaald, maar is nog steeds beduidend groter (68% in 2004 en 58% in 2013; cijfers uit Den Ridder en Schyns 2013).

Tot aan 2013 werden we dus in het algemeen milder in onze opvattingen over migranten. Naarmate zo’n migrant ‘dichterbij’ komt vinden we hem echter steeds minder leuk.

Politiek vertrouwen

Als het gaat om ons vertrouwen in de politiek dan baseren we ons op onze tevredenheid over de nationale economie en niet op onze eigen portemonnee. Daarbij laten we ons vooral leiden door wat televisie en kranten ons vertellen en niet door onze eigen, persoonlijke financiële kwetsbaarheid of zekerheid. Tot hun eigen verbazing ontdekten de onderzoekers dat een hoog of zelfs stijgend werkeloosheidsniveau  (‘onverwacht en contra-intuïtief’) samengaat met een toename van dat politiek vertrouwen. Terwijl ons vertrouwen in de politiek fluctueert is het in de eurocrisislanden dan ook fors dalend.

Ons eigen fluctuerend vertrouwen is daarbij direct te herleiden naar hoe men zich ‘in Den Haag’ gedraagt. Is er gedoe, dan worden we daar meer wantrouwend van. Dat kunnen onze dames en heren politici dan ook meteen ter harte nemen, want we hebben niet zo veel vertrouwen in onze politici, politieke partijen en het parlement: die geven we gemiddeld een 5. Dat lijkt slechter dan het werkelijk is, het hoogst weggegeven cijfer is namelijk een 5,5 (Denemarken). Relatief gezien zitten we met onze 5 in de subtop.

In alle landen, dus ook het onze, blijkt het vertrouwen van burgers in het rechtsstelsel hoger dan het vertrouwen in de politiek. Andere mensen vertrouwen we overigens wel: Het sociaal vertrouwen is hier relatief hoog.

Rolverdeling tussen mannen en vrouwen

Nederlandse mannen en vrouwen onderschrijven relatief vaak een gelijke rolverdeling. Er is gelukkig weinig steun voor de notie dat een vrouw bereid zou moeten zijn minder betaald werk te verrichten omwille van haar gezin. Ook de opvatting dat vrouwen zouden moeten wijken voor mannen in tijden van banenschaarste kan op relatief weinig bijstand rekenen. Vrouwen hebben dan ook een enorme inhaalslag gemaakt op de arbeidsmarkt, al werken zij nog erg vaak in deeltijdverband.

Lageropgeleiden en niet-werkenden blijken er meer traditionele opvattingen op na te houden over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Nederlanders die opgroeiden met een hoogopgeleide of werkende moeder hebben juist weer meer egalitaire opvattingen. Goed voorbeeld doet dus volgen.

Het is pijnlijk, maar de grootste veranderingen op dit vlak voltrokken zich in Nederland tussen 1990 en 1999 en daarna zijn onze rolopvattingen nauwelijks meer egalitair geworden.

De verschillen die er zijn tussen landen in rolopvattingen tussen mannen en vrouwen blijken vooral gerelateerd aan het bruto binnenlands product (bbp). Economische voorspoed en het aantal zetels die vrouwen hebben in een nationaal parlement blijken sterk gerelateerd aan meer egalitaire rolopvattingen.

De stemming in Nederland en andere Europese landen

Nederlanders geven de mate waarin Nederland democratisch is een 6,9. Daarmee
staan we op de zevende plek van de 28 Europese landen die in 2012 aan de European Social Survey meededen.

We zijn gelukkig. In 2012 waren Nederlanders gemiddeld gelukkiger dan in 2002. Nederlanders gaven in 2012 het leven gemiddeld een 7,9 als rapportcijfer. Alleen de Denen zijn nog ‘veel’ gelukkiger dan wij zijn met hun 8,6.

Sowieso zijn burgers van de Noordse Europese landen gelukkiger dan de rest van Europa. Opvallend is verder dat de crisis van de laatste jaren nergens in Europa tot een daadwerkelijke, substantiële vermindering van de levenstevredenheid heeft geleid.

Verschillen in geluksgevoel

Mensen die werkloos zijn of die een laag inkomen hebben zijn overal minder tevreden met het leven dan werkenden en dan mensen met een hoog inkomen. Daarbij lijkt het zeker te ver gaan om te beweren dat geld gelukkig maakt, maar dat zorgen over een te weinig aan geld ongelukkiger maakt. Welvaart en levenstevredenheid hangen dus samen.

Laagopgeleiden en hoogopgeleiden blijken even gelukkig. De tegenstellingen tussen en laag- en hoogopgeleiden zijn overigens opvallend groot. Zij verschillen enorm van meningen waar het gaat over culturele smaak en sociaal-culturele thema’s zoals migranten, Europa en politiek in het algemeen. Daarnaast komen ze elkaar weinig tegen omdat zij zich beperken tot hun respectievelijke sociale netwerken.

Gezonde mensen zijn (en dat zal u niet verrassen) gelukkiger dan mensen met een minder goede gezondheid.

Wonderlijk genoeg hebben landskenmerken, economische cijfers en vrijheden van bijvoorbeeld vereniging en van meningsuiting geen directe relatie met ons geluksgevoel, terwijl de ervaren effectiviteit van de overheid dat juist weer wél heeft. Hoe effectiever de overheid wordt
ervaren en hoe beter de kwaliteit van haar publieke dienstverlening en haar ambtenarenapparaat, hoe groter het geluksgevoel bij de bevolking.

De verschillen met Zuid- en Oost-Europeanen zijn soms groot, maar die met andere West-Europese en Scandinavische landen zijn tamelijk gering. Op veel vlakken zijn we een middenmoter, maar o, wat hebben we het eigenlijk goed. En dat laat zich meten: Qua geluk zijn we een 7,9. Dat is een mooi spiegelbeeld om eens uitgebreid naar te staren. Het kan altijd nóg beter, maar we hebben het goed.

Dat is Dutch privilege.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s