Verdachte Wilders

Het proces Wilders, dat nog altijd aan de gang is en ik tijdens mijn vrije uurtjes toch zo veel mogelijk volg (met dank aan de NOS, dat een live stream verzorgt) houdt de gemoederen nog altijd bezig. Afgelopen vrijdag formuleerde het Openbaar Ministerie haar eis en, volgens verwachting, luidt die “vrijspraak op alle punten”. Aangezien het OM om te beginnen al niet wilde vervolgen en ze haar technisch sepot uitgebreid wist te motiveren mag dit alles geen verrassing heten, me dunkt.

De uitspraken van Geert Wilders, die aanklachten opleverden wegens groepsbelediging en het aanzetten tot respectievelijk haat en discriminatie, zijn volgens het OM weliswaar “kwetsend” voor gelovigen, maar niet strafbaar. Dat laatste is omdat Wilders, aldus dat OM, geen “intrinsiek conflictueuze tweedeling” tussen groepen mensen schetste waarbij de ene groepering de dupe wordt van de andere. Omdat Wilders zijn, op het eerste oog welzeker discriminerende uitlatingen, binnen de context van het openbaar debat deed zijn ze niet strafbaar in wettelijke zin.

Dat is, wat mij betreft, zoals het hoort en naar de geest van onze wetgeving. De vrijheid van meningsuiting moet hier wel prevaleren, net zoals de vrijheid van religie dat deed in de zaak Khalil el Moumni. U kent hem vast nog wel; de Marokkaanse imam die in dit mooie land de vrijheid kreeg te preken (een vrijheid die hem in zijn thuisland Marokko eerder werd ontzegd!), die homoseksualiteit voor een besmettelijke ziekte versleet en die zijn volgelingen in geheimzinnig gutturaal Arabisch voorhield dat de Westerse beschaving een beschaving zonder enige moraal is.

Voltaire zei het al; “Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen“. Nu zei Voltaire wel meer en niet alles even fraai, maar deze opmerking snijdt hout. Omdat de heer El Moumni zijn uitspraken deed om de leerstellingen van zijn geloof te verduidelijken en zijn woorden binnen die context gezien moesten worden mocht hij dus op vrijspraak rekenen, ondanks het beledigende karakter van zijn uitspraken.

Natuurlijk, ook voor een politicus liggen de grenzen van het toelaatbare daar waar de wet de vrijheid van meningsuiting omkadert. Die vrijheid is, net als die van religie, immers nog altijd niet absoluut. Dat daargelaten is ongezouten kritiek op een geloof nog geen belediging van de groep gelovigen, hoe moeilijk zij die kritiek ook te verteren vinden en dat was van meet van aan ook aan het OM duidelijk. Belediging vereist opzettelijkheid, die bewezen zal moeten worden wil een uitlating daadwerkelijk strafbaar zijn en daar was het OM niet van overtuigd, vandaar in beginsel al haar beslissing niet tot vervolging over te gaan. Wilders debiteerde zijn uitlatingen immers in het kader van het maatschappelijk debat en hoe je het ook wendt of keert – dat is ’s mans recht. De mate van gekwetstheid van de klagers speelt daarin geen rol. Soit, Wilders verdient dus op zijn minst de beleefdheid die Khalil el Moumni genoot zijn woorden in hun context van het beoogde maatschappelijk debat te bezien en zou derhalve evengoed op vrijspraak moeten kunnen rekenen.

Daarmee wil ik zeker niet zeggen dat ik de toetsing van Wilders’ uitspraken door de rechtbank geen goede zaak vind. De vrijheid van meningsuiting is in Nederland zoals ik al zei niet absoluut, maar er lijkt de laatste jaren wel erg veel onduidelijkheid te zijn over waar de grens dan ligt. Geert Wilders zocht bewust de uiterste grenzen op en dat bleek wel op het moment dat hij toegaf dat zijn “kopvoddentax” hemzelf eigenlijk ook te ver ging. Er is een tweedeling tussen enerzijds mensen die hen onwelgevallige meningen in de kiem willen smoren door om het hardst te roepen hoe zij zich beledigd voelen en degenen anderzijds, die menen dat beledigende of zelfs discriminatoire taal maar moet kunnen onder een valse vlag van absolute vrije meningsuiting.

De benadeelden in de zaak Wilders vallen duidelijk in de eerste categorie. Mohammed Enait, vrouwenhandenweigeraar en zittend advocaat, maakte Geert Wilders uit voor “een kleine Hitler”. Daarmee betuigde hij zich van eenzelfde hypokritische inborst als imam Abdul Jabbar van de Ven, die de drijvende kracht was achter de aangiften tegen cartoonist Gregorius Nekschot, maar die op zijn beurt wel meende Geert Wilders een dodelijke ziekte toe te kunnen wensen en die zelfs verheugd reageerde op de dood van Theo van Gogh, wiens ideeën hem niet aanstonden. De verontwaardiging van beide heren is dus bepaald selectief.

Nochtans waardeer ik de ironie dat Enait en Wilders elkaar nu treffen bij de rechtbank waarvan zij beiden eerder blijk gaven er weinig tot geen respect voor op te kunnen brengen.

Ook wil ik niet vergeten dat we kort na de brute moord op Theo van Gogh in dit landje massaal riepen dat eigenrichting onwenselijk is en dat je hier je recht haalt door middel van de rechtsgang. Nu er dan mensen zijn opgestaan en besloten hebben hun recht dan ook te gaan halen, moet de rechtsgang haar beloop hebben.

Bram Moszkowicz, verdediger van Geert Wilders en in die hoedanigheid van het vrije woord, vroeg zich vandaag tijdens zijn pleidooi af of iemand onder het mom van zijn religie een ander met die religie mag lastigvallen?

Dat is een goede vraag, die me direct deed denken aan de commotie op het Rotterdamse stadhuis, waarover vandaag werd bericht en alwaar men ongevraagd Jan en alleman halal vlees zou voorschotelen. Zoals ik eerder al betoogde is dat de omgekeerde wereld. Wie niet geboden is zich aan joodse of islamitische spijswetten te houden zou te allen tijde vlees op zijn bordje moeten krijgen dat afkomstig is van de beduidend minder dieronvriendelijke reguliere slacht. Er is geen enkele reden waarom zij zich zouden moeten conformeren aan de religieuze leefregels van anderen, al was het maar om het simpele feit dat de vrijheid van religie ook de vrijheid betekent níet te geloven.

Religie is dus alleszins geen juk dat je een ander op mag leggen. Toch matigen gelovige mensen zich het met regelmaat aan anders- en nietgelovigen in het keurslijf van hun religie te dwingen. De almaar terugkerende ophef over ritueel geslacht vlees en het al dan niet mogen afbeelden van profeten illustreren dat heel aardig. Religieuze leerstellingen zijn niet boven alle kritiek verheven louter omdat zulks gelovigen tegen de borst stuit. Wanneer die leerstellingen op hun beurt de nodige onwelgevalligheden omvatten waar het die anders- en ongelovigen betreft past het betreffende gelovigen in het geheel niet op hoge toon aanstoot te nemen wanneer die anders- en ongelovigen daar hardop het hunne van denken.

De Koran is daar geen uitzondering op, met haar beloften van eeuwig hellevuur en lijden voor al wie ongelovig is. Wie de vrijheid opeist mij een hiernamaals te mogen voorzeggen waarin ik mij slechts mag laven aan kokend water, dat mijn ingewanden zal doen scheuren, louter omwille van wie ik ben en hetgeen ik niet geloof, is mij de vrijheid verschuldigd dat idee abject te vinden. Die vrijheid immers, is een tweesnijdend zwaard.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s