Paradox van tolerantie

Toen eind december van het vorige jaar twee volwassen mannen elkaar in het overwegend christelijke en bovenal straatarme Malawi de liefde verklaarden en openlijk een traditioneel verlovingsfeest vierden werden ze al gauw gearresteerd. Homoseksualiteit is in Malawi nog altijd verboden, net zoals in veel andere Afrikaanse landen, en men kent er een maximum straf voor van veertien jaar.

De twee, Steven Monjeza en Tiwonge Chimbalanga, hebben elkaar in een kerk ontmoet, aldus Monjeza tijdens een interview met The Nation, een Malawiaanse krant. Ook biecht hij op “nog nooit in een vrouw geïnteresseerd te zijn geweest”. Ze zijn het eerste homoseksuele paar dat zich daar aan een huwelijk waagt, hetgeen ik buitengemeen moedig vind. Het tweetal is het levende bewijs dat homoseksualiteit niet zo maar een keuze is, want als dat al zo was dan kozen ze wel voor de weg van de minste weerstand, of de weg van de minste vervolging zo u wilt.

Het tweetal wordt na arrestatie “schennis van de eerbaarheid” ten laste gelegd en ze worden tijdens hun arrestatie mishandeld en gemarteld. Kort daarna volgt een veroordeling; ze worden schuldig bevonden aan “grove obsceniteit en onnatuurlijke daden” en sodomie. Ze krijgen de volle mep; veertien jaar, want de rechter is van mening dat zij een “schrikaanjagende” straf verdienen en als voorbeeld moeten dienen opdat “het publiek beschermd wordt voor mensen zoals jullie en we niet worden verleid om dit afgrijselijke voorbeeld na te volgen“.

Er volgt een golf van internationale kritiek, zowel door politici als door mensenrechtenorganisaties. Amnesty International ziet in het vonnis een duidelijk teken van hoe discriminatie ingebed ligt in het Malawiaanse rechtsysteem. Terecht ook, wijst Amnesty erop dat Malawi met deze zaak het Internationale Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten, het Afrikaans Handvest voor de rechten van Mens en Volken én haar eigen grondwet schendt. Alleszins documenten die Malawi ondertekend heeft en die haar hadden moeten weerhouden van het schenden van menselijke rechten, zoals het recht gevrijwaard te blijven van discriminatie en het recht op vrijheid van geweten.

Ook ons aller demissionair minister Buitenlandse Zaken de heer Verhagen liet van zich horen en noemde het vonnis “meer dan afschuwelijk“.

Dan besluiten de Verenigde Naties, bij monde van voorman Ban Ki-Moon, tussenbeide te komen. Terecht uiteraard, Malawi is immers een van de lidstaten van de Verenigde Naties en die organisatie heeft het volste recht haar lidstaten aan te spreken op dit soort wantoestanden. De Malawiaanse president, Bingu wa Mutharika, haalt dan ook na een paar gesprekken met Ban Ki-Moon gevoeglijk bakzeil en besluit het tweetal gratie te verlenen.

Dat pressie van buitenaf hieraan ten grondslag ligt blijkt wel wanneer de president kort na de vrijlating van Steven Monjeza en Tiwonge Chimbalanga nog een nabrander ten beste geeft; “Deze jongens hebben een misdaad begaan tegen onze cultuur, ons geloof en onze wetten. Ik heb dit om humanitaire redenen besloten, maar dat betekent niet dat ik het er mee eens ben.”

Ook het Reformatorisch Dagblad is dat opgevallen en haar redactie denkt er zo het zijne van. De redactie vindt het; “jammer dat de Malawische president zo snel door de knieën ging, ook al is veertien jaar gevangenisstraf fors, zeker voor westerse begrippen. Als de burgers van Malawi willen weten waar dit spoor eindigt, moeten ze de komende tijd de politieke verslaggeving uit Nederland volgen.”

Uiteraard doelen onze gereformeerde vrinden daarmee op het initiatiefvoorstel van D66, dat het weren van leraren op grond van een homoseksuele geaardheid door scholen onmogelijk moet gaan maken. De krant ziet de rollen al omgedraaid worden. “Een ruime Kamermeerderheid steunt dit voorstel en dat zal door de komende verkiezingen nauwelijks veranderen. Het is niet uitgesloten dat hier straks het omgekeerde gebeurt van wat de rechters in Malawi deden: niet degenen die zich openlijk homoseksueel gedragen, worden bestraft, maar juist christenen en moslims die dat gedrag zondig noemen“, zo klinkt het zorgelijk en vooral erg verongelijkt.

Die verongelijktheid lijkt geboren uit een vermeend tekort aan aandacht van VN-chef Ban Ki-Moon die zich “nog niet zo vaak druk heeft gemaakt over folteringen van christenen“. Dat sentiment is uiteraard infantiel en sowieso is het een heel aparte aantijging, ik meen de VN namelijk meermaals gehoord te hebben in dergelijke kwesties.

Waar het Reformatorisch Dagblad zich het eufemisme van het decennium durft aan te meten wanneer zij spreekt van een “forse” straf (veertien jaar!) voor een homoseksuele levensstijl vergroot zij anderzijds zonder enige schroom een oneigenlijke vergelijking van de situatie in Malawi met de schijnbaar nakende situatie in Nederland. Kennelijk vreest ze aanstonds de voltallige redactie veertien jaar lang in het cachot te zien verdwijnen vanwege discriminatie uit hoofde van het christelijk geloof.

Het kan echter nog fraaier en dat blijkt wel wanneer men in dat redactioneel episteltje de pijlen richt op de zogeheten “homolobbyisten”. Daarbij krijgt Henk Krol snel even een veeg uit de gereformeerde pan, omdat die het een morele plicht voor Nederland noemde om tegen de gang van zaken in Malawi te protesteren. Die “homolobbyisten” zouden het voor lief nemen dat een aversie tegen homoseksualiteit en een verbod op homoseksueel gedrag en dito huwelijken inherent is aan de Afrikaanse cultuur en maling hebben aan het gegeven dat zo’n protest indruist tegen de opvattingen van de overgrote meerderheid van de Afrikaanse bevolking.

Dat dit argument van cultuurrelativisme een tweesnijdend zwaard is ontgaat ons gereformeerde clubje. Op eenzelfde wijze zou men immers kunnen beargumenteren dat enige straf voor geloofsafvalligheid in landen met een cultuur tjokvol islamitische invloeden ook niet langer aangevochten zou mogen worden. Feitelijk ontslaat het Reformatorisch Dagblad hiermee Ban Ki-Moon en de Verenigde Naties van de verantwoordelijkheid te protesteren wanneer nieuwbekeerde christenen in dergelijke landen vervolgd worden.

Dat is nu eenmaal het euvel met het recht niet gediscrimineerd te worden; dat geldt ofwel ons allemaal ofwel zijn we allen aangeschoten wild. Het is absoluut, er is geen middenweg; je kunt discriminatie niet selectief toestaan want op dat moment al bezondig je er jezelf aan.

Kortom, men vreest dadelijk definitief het ‘recht’ kwijt te zijn zelf niet gediscrimineerd te mogen worden maar op eigen beurt wèl te mogen discrimineren onder de valse vlag van religieuze gronden. Willen dergelijke gelovigen in een maatschappij als de onze geaccepteerd worden, dan zullen zij op hun beurt ook anderen moeten (leren) accepteren. Het is prima wanneer mensen ervoor kiezen hun leven naar religieuze richtlijnen in te richten, het is echter ontoelaatbaar wanneer ze de richtlijnen ook aan anderen als een juk om de hals hangen. De vrijheid te geloven betekent inherent immers evengoed een vrijheid niet en zelfs ánders te geloven.

Religieuze intolerantie wordt al veel te lang getolereerd en het doet me deugd dat daar stukje bij beetje een einde aan komt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s